ECLI:NL:CRVB:2026:98

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
22/3076 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 17 PWArt. 54 PWArt. 58 PWArt. 59 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet duurzaam gescheiden leven

Appellanten, gehuwd sinds 1992, ontvingen bijstand naar de norm voor alleenstaanden, terwijl het college stelde dat zij niet duurzaam gescheiden leefden. Na een uitgebreid onderzoek door de sociale recherche, inclusief waarnemingen en verklaringen, concludeerde het college dat appellanten feitelijk samenwoonden en daarom geen recht hadden op zelfstandige bijstand. Het college trok de bijstand in en vorderde de ten onrechte ontvangen bedragen terug.

Appellanten voerden aan dat het onderzoek onzorgvuldig was, dat zij wel duurzaam gescheiden leefden en dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien. De Raad oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, de verklaringen betrouwbaar en de feitelijke grondslag toereikend. De motieven voor het samenleven waren niet relevant voor de beoordeling van duurzaam gescheiden leven.

De Raad verwierp het beroep op dringende redenen en bevestigde dat appellanten hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de terugvordering. Tevens werd het motiveringsgebrek in de eerdere uitspraak met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro gepasseerd. De Raad kende appellanten een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van bijna 22 maanden en veroordeelde het college en de Staat in de proceskosten.

Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet duurzaam gescheiden leven worden bevestigd, met toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 12 augustus 2022, 20/3326 en 20/3327 (aangevallen uitspraak), en de verzoeken om schadevergoeding
Partijen:
[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant), beiden te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Roermond (college)
de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 13 januari 2026

SAMENVATTING

In deze zaak gaat het om de intrekking en terugvordering van de bijstand die appellanten ieder ontvingen naar de norm voor een alleenstaande (ouder). Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellanten niet duurzaam gescheiden van elkaar hebben geleefd en zij daarom geen zelfstandig subject van bijstand waren. Appellanten hebben onder meer aangevoerd dat het onderzoek naar hun woon- en leefsituatie onzorgvuldig is geweest, dat zij ten tijde in geding wel duurzaam gescheiden leefden, dat er geen toereikende feitelijke grondslag is voor de conclusie dat dat niet zo is en dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien. Appellanten krijgen hierin geen gelijk. Zij krijgen wel ieder een schadevergoeding van het college en de Staat wegens overschrijding van de redelijke termijn.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. F.Y. Gans, advocaat, hoger beroepen ingesteld. Met een brief van 22 oktober 2022 heeft mr. B.J.J. Schins, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde van appellant gesteld.
Het college heeft verweerschriften ingediend.
Appellanten hebben verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Het onderzoek ter zitting in de zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 18 november 2025. Voor appellante is mr. Gans verschenen. Voor appellant is mr. Schins verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van Driel en M.G.A. Hilkens.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellanten zijn sinds [datum] 1992 met elkaar gehuwd. Uit dat huwelijk zijn kinderen geboren. Appellanten ontvingen, met onderbrekingen, sinds 3 juli 2007 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk sinds 1 maart 2019 op grond van de Participatiewet (PW). Appellante staat sinds 31 mei 2007 in de Basisregistratie personen (BRP) ingeschreven op een adres in [woonplaats] (adres 1). Appellant stond, met tussenpozen, ook ingeschreven op adres 1. Sinds 3 april 2019 staat appellant in de BRP ingeschreven op een ander adres in [woonplaats] (adres 2).
1.2.
Op 25 april 2019 heeft appellant telefonisch doorgegeven dat hij vanaf die datum op adres 2 woont en dat appellanten beiden een uitkering naar de norm voor een alleenstaande willen. Op 26 april 2019 heeft appellant een schriftelijke verklaring ingeleverd waarin staat dat hij sinds 3 april 2019 op adres 2 woont en daar blijft slapen. Hij gaat alleen naar adres 1 voor zijn kinderen en om de vogels in de achtertuin te verzorgen, maar slaapt daar niet.
1.3.
Met afzonderlijke besluiten van 15 mei 2019 heeft het college aan appellanten afzonderlijk bijstand verleend met ingang van 25 april 2019, aan appellant naar de norm voor een alleenstaande en aan appellante naar de norm voor een alleenstaande ouder.
1.4.
Nadat de auto van appellant diverse keren in de omgeving van adres 1 was gesignaleerd heeft de sociale recherche van de gemeente [woonplaats] (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand naar de norm voor een alleenstaande (ouder). In dat kader heeft de sociale recherche in de periode van 26 november 2019 tot en met 31 januari 2020 48 waarnemingen verricht in de omgeving van de adressen 1 en 2. Daarbij werd de auto van appellant 44 keer aangetroffen in de omgeving van adres 1 en driemaal in de omgeving van adres 2.
1.5.
Op 15 januari 2020 heeft een (meerderjarige) dochter van appellanten (X) telefonisch contact opgenomen met een klantmanager inkomen van de gemeente [woonplaats] en toen het volgende verklaard:
“Mijn vader en moeder hebben vandaag ruzie gehad. Het ging over de uitkering die ze op dit moment allebei apart van de gemeente ontvangen. Mijn moeder is het daar niet mee eens, omdat mijn vader feitelijk gewoon bij haar verblijft, op [adres 1]. Op papier woont mijn vader op [adres 2], maar hij is altijd bij mijn moeder. [Adres 1] verhuurt hij onder. Mijn vader doet dit om zodoende een dubbele uitkering te krijgen. Het is al eerder voorgekomen dat ze op papier uit elkaar waren, maar feitelijk samenwoonden. Mijn vader parkeert zijn auto daarom aan de overkant van de straat en heeft wat spullen op [adres 1] gelegd, zodat het bij een eventueel huisbezoek lijkt alsof hij er toch woont. Mijn moeder wil dit niet meer, maar kan mijn vader niet overhalen om gewoon gezamenlijk uitkering te vragen. Mijn moeder durft niet zelf te bellen, daarom doe ik het namens haar.”
1.6.
Naar aanleiding van deze melding heeft de sociale recherche op 15 januari 2020 eerst een huisbezoek afgelegd op adres 2 en vervolgens op adres 1. Tijdens het huisbezoek op adres 1 heeft appellante een verklaring afgelegd, die zij negen dagen later heeft ondertekend. Appellant heeft op 24 januari 2020 een verklaring afgelegd en ondertekend. X heeft telefonisch op 24 januari 2020 een verklaring afgelegd. Op 27 januari 2020 heeft de sociale recherche een buurtonderzoek verricht in de omgeving van adres 1. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in een rapport van 4 februari 2020.
1.7.
Met een besluit van 11 februari 2020 (besluit 1) heeft het college de bijstand van appellante vanaf 1 januari 2020 beëindigd (lees: ingetrokken), de bijstand over de periode van 25 april 2019 tot en met 31 december 2019 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 8.786,39 bruto van appellante teruggevorderd. In dit besluit staat ook dat appellant mede-aansprakelijk is voor de terugbetaling van dat bedrag. Met een besluit van 12 februari 2020 (besluit 2) heeft het college de bijstand van appellant ook vanaf 1 januari 2020 beëindigd (lees: ingetrokken) de bijstand over de periode van 25 april 2019 tot en met 31 december 2019 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 10.369,88 bruto van appellant teruggevorderd. In dit besluit staat ook dat appellante mede-aansprakelijk is voor de terugbetaling van dat bedrag. Het college heeft aan deze besluiten ten grondslag gelegd dat appellanten niet hebben gemeld dat zij een gezamenlijke huishouding voeren.
1.8.
Met een besluit van 30 oktober 2020 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellanten tegen de besluiten 1 en 2, met wijziging en aanvulling van de grondslag, gegrond verklaard voor wat betreft de hoogte van de terugvordering en voor het overige ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat uit het onderzoek door de sociale recherche is gebleken dat appellanten sinds 25 april 2019 niet duurzaam gescheiden van elkaar leefden waardoor zij geen zelfstandig recht op bijstand hadden. Doordat appellant op 25 april 2019 heeft gemeld dat hij apart ging wonen heeft hij de inlichtingenverplichting geschonden. Appellante wordt niet verweten dat zij de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Verder stelt het college zich op het standpunt dat, gelet op het evenredigheidsbeginsel, niet meer dan in totaal € 4.200,69 van appellanten gezamenlijk kan worden teruggevorderd en dat appellanten hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de terugbetaling van dit bedrag. Daarbij heeft het college de bijstand die appellanten over de periode van april tot en met december 2019 zouden hebben ontvangen indien zij niet waren aangemerkt als zelfstandig subject van bijstand, in mindering gebracht op het bedrag dat appellanten ten onrechte als alleenstaande (ouder) hebben ontvangen. Het college heeft geen aanleiding gezien om op grond van dringende redenen geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee dit besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft wel geoordeeld dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, omdat het college heeft nagelaten te motiveren waarom gebruik is gemaakt van de bevoegdheid om de bijstand van appellante op grond van artikel 54, derde lid, tweede volzin, van de PW in te trekken en op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder a, van de PW terug te vorderen. De rechtbank heeft dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gepasseerd, omdat appellante daardoor niet is benadeeld, aangezien het college in het verweerschrift alsnog heeft gemotiveerd waarom van de intrekkingsbevoegdheid en de terugvorderingsbevoegdheid gebruik is gemaakt. In verband met de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb heeft de rechtbank het college veroordeeld in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.518,-.
Het standpunt van appellanten
3. Appellanten zijn het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de intrekking en terugvordering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat de hoger beroepen niet slagen. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van de hoger beroepen belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Intrekking
4.1.
Sinds 29 januari 2020 ontvangen appellanten weer bijstand naar de norm voor gehuwden. Het bestreden besluit wordt daarom getoetst voor de periode van 25 april 2019, de datum met ingang waarvan de alleenstaandenbijstand van appellanten is ingetrokken, tot en met 28 januari 2020.
4.2.
Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het college. Dit betekent dat het college de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.
4.3.
Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de PW wordt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is, aangemerkt als ongehuwd. Echtgenoten leven pas duurzaam gescheiden, als beiden of één van hen het echtelijk samenleven wil verbreken, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt alsof hij niet met de ander gehuwd is en dit door ten minste één van beiden als blijvend is bedoeld. Dit is vaste rechtspraak. [1] Dit zal moeten blijken uit concrete feiten en omstandigheden.
4.4.
Het gegeven dat betrokkenen hun hoofdverblijf niet hebben in dezelfde woning is niet voldoende om een duurzaam gescheiden leven aan te nemen. De echtelijke samenleving kan ook bestaan zonder dat de betrokkenen samenwonen. Dit volgt uit eerdere rechtspraak. [2]
4.5.
De motieven op grond waarvan de echtelijke samenleving niet, nog niet, niet langer of niet opnieuw is verbroken, zijn voor de beoordeling van de vraag of de betrokkenen duurzaam gescheiden leven niet relevant. Dit volgt uit eerdere rechtspraak. [3]
Zorgvuldigheid van het onderzoek
4.6.
Appellante heeft aangevoerd dat het door het college ingestelde onderzoek onzorgvuldig is geweest omdat het onderzoek is toegespitst op de beoordeling of appellanten een gezamenlijke huishouding met elkaar voerden. Uit wat ter zitting is besproken begrijpt de Raad deze grond zo dat het onderzoek volgens appellante onvolledig is geweest omdat het meer op appellant is gericht dan op haar en dat bijvoorbeeld geen volwaardig buurtonderzoek heeft plaatsgevonden, omdat geen buurtonderzoek heeft plaatsgevonden bij adres 2. Deze grond slaagt niet.
4.6.1.
Zoals blijkt uit 1.4 tot en met 1.6 heeft de sociale recherche een uitgebreid onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van zowel appellant als van appellante. De sociale recherche hoeft geen uitputtend onderzoek daarnaar te doen. Het enkele feit dat de sociale recherche geen buurtonderzoek heeft verricht bij adres 2 betekent dus niet dat het onderzoek onvolledig en daarom onzorgvuldig is geweest.
Verklaring van appellante tijdens het huisbezoek in haar woning
4.7.
Appellante heeft aangevoerd dat haar verklaring om de volgende redenen niet aan de besluitvorming ten grondslag mag worden gelegd. Door de ruzie met appellant stond zij onder emotionele druk en door tussenkomst van de sociale recherche is deze druk toegenomen. Daarnaast heeft de sociale recherche ten onrechte haar minderjarige dochter als tolk ingezet en kon appellante niet vrijuit spreken omdat de broer van appellant in de woning aanwezig was. Appellante betwist dat zij is gewezen op haar recht op en het belang van een tolk. Verder heeft zij de op schrift gestelde verklaring niet op inhoud en juistheid kunnen controleren, nu zij deze verklaring pas negen dagen later heeft ontvangen om te ondertekenen. Bovendien heeft zij, bij gebreke van een geluidsopname, niet meer kunnen verifiëren wat zij eerder heeft verklaard. Deze grond slaagt niet.
4.7.1.
In het algemeen mag ervan worden uitgegaan dat de tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring juist is. Dit is vaste rechtspraak. [4] Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat er bijzondere omstandigheden zijn om van dit algemene uitgangspunt af te wijken. Appellante heeft het gespreksverslag waarin haar verklaring is opgenomen zonder voorbehoud ondertekend. Dat appellante tijdens het huisbezoek emotioneel was maakt niet dat niet van de juistheid van haar verklaring kan worden uitgegaan. Appellante heeft namelijk met de verwijzing naar haar emotionele toestand tijdens het huisbezoek in haar woning niet aannemelijk gemaakt dat zij niet in staat was om een reële verklaring af te leggen.
4.7.2.
Ook zijn er geen aanknopingspunten voor de stelling van appellante dat de aanwezigheid van de broer van appellant in haar woning haar verklaring heeft beïnvloed. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat het gesprek in de keuken is gevoerd, terwijl de broer van appellante op dat moment in de huiskamer verbleef. Nog afgezien hiervan heeft appellante niet toegelicht in welk opzicht de aanwezigheid van de broer van appellant in haar woning van invloed is geweest op haar verklaring.
4.7.3.
Uit het verslag van het gesprek op 15 januari 2020 en de verklaring van één van de sociaal rechercheurs die dat gesprek met appellante voerden, blijkt dat de – toen 15-jarige – dochter van appellanten op verzoek van appellante bij het gesprek aanwezig was om voor haar te vertalen als zij het gesprek in de Nederlandse taal niet kon volgen. Appellante heeft niet te kennen gegeven dat zij de vragen niet begreep en heeft ook zelf niet gevraagd om hulp door een andere persoon bij het eventueel vertalen. Anders dan appellante heeft aangevoerd, heeft het college daarom niet onzorgvuldig gehandeld door voor het gesprek niet de hulp van een tolk in te roepen, of appellante erop te wijzen dat zij een tolk kon laten inschakelen. Het college mocht uitgaan van de juistheid van de door appellante afgelegde verklaring en deze aan het bestreden besluit ten grondslag leggen. [5]
4.7.4.
In het gespreksverslag staat ook dat het gesprek met toestemming van appellante is opgenomen, zodat het op een later moment kon worden uitgewerkt en door appellante kon worden ondertekend. Appellante heeft weliswaar pas negen dagen na het gesprek de uitgewerkte verklaring ontvangen, maar had voordat zij die ondertekende de geluidsopname kunnen opvragen om de op schrift gestelde verklaring op inhoud en juistheid te controleren. Dat heeft zij echter niet gedaan.
Feitelijke grondslag
4.8.
Appellanten hebben aangevoerd dat zij ook vanaf 25 april 2019 duurzaam gescheiden hebben geleefd en dat de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche geen toereikende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat dat niet zo was. Deze grond slaagt niet.
4.8.1.
Uit de verklaring van appellante volgt dat appellant in de woning van appellante eet, slaapt en doucht, dat appellant boodschappen doet voor appellante en de kinderen en dat zij met hem gehuwd is en niet wil scheiden. Verder heeft appellante verklaard dat appellant gewoon bij haar woont en dat hij tegen haar heeft gezegd dat hij zich enkel heeft ingeschreven op adres 2 zodat ze ieder een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ontvangen in plaats van een gezamenlijke uitkering.
4.8.2.
De verklaring van appellante wordt ondersteund door de telefonisch afgelegde verklaring van X op 15 januari 2020 en door de verklaring die appellant op 24 januari 2020 tegenover de sociale recherche heeft afgelegd. Appellant heeft toen namelijk verklaard dat hij iedere dag ’s morgens en ’s avonds op adres 1 is, dat hij daar ook weleens slaapt, dat hij appellante helpt waar hij kan, dat hij haar overal naartoe rijdt, dat zij daar samen bezoek ontvangen, dat hij weleens mee-eet, dat hij eenmaal per week of eenmaal per twee weken boodschappen voor appellante doet en dat hij en appellante ook samen in Duitsland boodschappen doen. Verder blijkt uit de waarnemingen die in de periode van 26 november 2019 tot en met 31 januari 2020 zijn verricht dat de auto van appellant bijna altijd in de omgeving van adres 1 stond geparkeerd.
4.9.
De hiervoor genoemde onderzoeksbevindingen bieden een toereikende grondslag voor de conclusie dat appellanten in de hier te beoordelen periode niet duurzaam gescheiden hebben geleefd. Gelet hierop hoeven de gronden over de overige onderzoeksbevindingen niet te worden besproken.
Terugvordering: beroep op dringende redenen om van terugvordering af te zien
4.10.
Appellanten hebben aangevoerd dat het college op grond van dringende redenen geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien. Zij hebben in dit verband gewezen op de financiële gevolgen van de terugvordering en aangevoerd dat de terugvordering ertoe heeft geleid dat appellanten nu gedwongen samenwonen en dat appellante rust wenst. Deze grond slaagt niet. Daartoe is het volgende van belang.
4.10.1.
Zoals de Raad in de uitspraken van 10 december 2024 [6] tot uitdrukking heeft gebracht, moet een besluit om al dan niet gebruik te maken van de mogelijkheid om wegens dringende redenen van terugvordering af te zien zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
4.10.2.
Op grond van wat appellanten naar voren hebben gebracht, heeft het college bij afweging van de betrokken belangen geen dringende redenen hoeven aan te nemen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het besluit om niet van terugvordering af te zien getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. Appellanten hebben hun standpunt op geen enkele wijze nader geconcretiseerd of onderbouwd. De enkele verwijzing naar de financiële gevolgen en het volgens appellanten gedwongen samenwonen is daarvoor onvoldoende. Dit geldt ook voor het standpunt van appellante dat zij rust wenst. Hierbij komt dat het college de terugvordering heeft gematigd door alsnog rekening te houden met het bedrag aan bijstand dat appellanten in de hier aan de orde zijnde periode als gehuwden zouden hebben ontvangen als appellant op 25 april 2019 juiste gegevens over zijn woon- en leefsituatie had verstrekt. Bovendien hebben appellanten bij de invordering als schuldenaar de bescherming van de regels over de beslagvrije voet die zijn neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
4.11.
Appellanten hebben de hoogte van de totale terugvordering niet betwist. Het standpunt van appellant dat het college niet meer dan € 2.100,34, zijnde 50% van het totaalbedrag van de terugvordering, van hem had mogen terugvorderen slaagt niet. Appellanten waren immers in de te beoordelen periode met elkaar gehuwd en leefden niet duurzaam van elkaar gescheiden en het college heeft van beiden de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd. Op grond van artikel 59, vierde lid, van de PW zijn beiden dan hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van het volledige bedrag van € 4.200,69.
Toepassing artikel 6:22 van Pro de Awb
4.12.
Appellante heeft ook nog aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte artikel 6:22 van Pro de Awb heeft toegepast. Volgens appellante had de rechtbank de zaak moeten terugwijzen naar het college waarna het college een nieuw besluit op bezwaar had moeten nemen. Deze grond slaagt niet.
4.12.1.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het gebrek in de motivering kon worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb omdat appellante door dit gebrek niet was benadeeld. Er is geen rechtsregel aan te wijzen die zich tegen toepassing van deze bepaling in dit geval verzet. Appellante heeft niet toegelicht waarom het motiveringsgebrek niet kon worden hersteld en waarom zij door dat gebrek was benadeeld. Gelet op wat hiervoor onder 4.6 tot en met 4.11 is overwogen heeft de rechtbank het bestreden besluit, mede met het oog op finale geschilbeslechting, terecht in stand gelaten.

Conclusie en gevolgen

5. De hoger beroepen slagen niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de intrekkingen en terugvordering van de bijstand van appellanten in stand blijven.

Overschrijding redelijke termijn

6. Appellanten hebben ieder verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
6.1.
Voor de wijze van beoordeling van een verzoek als dat van appellanten wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009 [7] en het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016. [8]
6.2.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.
6.3.
In dit geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het college op 20 maart 2020 van het eerste bezwaarschrift tot de datum van deze uitspraak op 13 januari 2026 zijn vijf jaar en bijna tien maanden verstreken. De Raad heeft noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellanten aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus in totaal met bijna 22 maanden overschreden. Dat leidt tot een schadevergoeding van vier maal € 500,-, dus € 2.000,-. In aanmerking genomen dat de behandeling in de bestuurlijke fase bijna twee maanden te lang heeft geduurd en in de rechterlijke fase bijna twintig maanden te lang, moet volgens de door de Hoge Raad vastgestelde toerekeningsmethode in het onder 6.1 genoemde arrest van 19 februari 2016 en in het arrest van 24 februari 2017 [9] van dat bedrag € 182,- (2/22e deel van € 2.000,-) worden toegerekend aan de bestuurlijke fase en € 1.818,- (20/22e deel van € 2.000,-) aan de rechterlijke fase.
6.4.
Indien zaken van verschillende belanghebbenden gezamenlijk zijn behandeld die in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, kan dit een zodanig matigende invloed hebben op de spanning, het ongemak en de onzekerheid die worden ondervonden door een te lang durende procedure, dat dit een reden vormt om de wegens schending van de redelijke termijn toe te kennen schadevergoedingen te matigen. Dit is vaste rechtspraak. [10]
6.5.
Deze situatie doet zich in dit geval voor. Appellanten procedeerden immers samen – tot in hoger beroep bijgestaan door dezelfde gemachtigde – tegen de intrekking en terugvordering van hun bijstand naar de norm voor een alleenstaande (ouder). Hun zaken zijn in bezwaar, beroep en hoger beroep gezamenlijk behandeld. Zij hebben zich beiden op min of meer dezelfde gronden op het standpunt gesteld dat zij wel duurzaam gescheiden leefden. Deze omstandigheden hebben een zodanig matigende invloed op de spanning, het ongemak en de onzekerheid die worden ondervonden door een te lang durende procedure, dat dit een reden vormt om de wegens schending van de redelijke termijn toe te kennen schadevergoedingen voor ieder van appellanten te matigen tot 50% van de in 6.3 genoemde bedragen.
Proceskosten
7. Wat onder 6.3 en 6.4 over de overschrijding van de redelijke termijn is overwogen, geeft aanleiding het college en de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellanten, ieder voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt voor het verzoek, waarde per punt € 934,- met wegingsfactor 0,5). Omdat de overschrijding aan zowel het college als aan de Staat wordt toegerekend, worden zij ieder voor de helft (€ 233,50) veroordeeld in deze kosten. De proceskosten in verband met het schadevergoedingsverzoek komen ook aan appellanten ieder afzonderlijk toe.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
in zaak 22/3076 PW (hoger beroep van appellant)
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • veroordeelt het college tot betaling van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 91,-;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 909,-;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 233,50;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten tot een bedrag van € 233,50.
in zaak 22/3077 PW (hoger beroep van appellante)
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • veroordeelt het college tot betaling van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 91,-;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 909,-;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 233,50;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten tot een bedrag van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en C.F.E. van Olden-Smit en C. Karman als leden, in tegenwoordigheid van L. van Beelen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2026.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) L. van Beelen

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:22
Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
Participatiewet
Artikel 17, eerste lid
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Artikel 54, derde lid
Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
Artikel 58, eerste en tweede lid
1. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
2. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kan kosten van bijstand terugvorderen, voorzover de bijstand:
a. anders dan in het eerste lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
b. in de vorm van geldlening is verleend en de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen;
c. voortvloeit uit gestelde borgtocht;
d. ingevolge artikel 52 bij Pro wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat;
e. anderszins onverschuldigd is betaald voorzover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen, of
f. anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat:
1°. de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken;
2°. bijstand is verleend met een bepaalde bestemming en naderhand door de belanghebbende vergoedingen of tegemoetkomingen worden ontvangen met het oog op die bestemming
Artikel 58, achtste lid
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Artikel 59
1. Onverminderd artikel 58 kunnen Pro kosten van bijstand, indien de bijstand aan een gezin wordt verleend, van alle gezinsleden worden teruggevorderd.
2. Indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 17, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, kunnen de kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4, bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.
3. Indien de bijstand terecht als gezinsbijstand aan gehuwden is verleend, maar de belanghebbende toch de verplichtingen, bedoeld in artikel 17, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, kunnen de kosten van de bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4, bij de verlening van de bijstand rekening had moeten worden gehouden.
4. De in het eerste, tweede en derde lid bedoelde personen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van kosten van bijstand die worden teruggevorderd.
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Artikel 6, eerste lid
1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2918.
2.Zie de uitspraak van 9 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX9932.
3.Zie de uitspraken van 2 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1277, en van 3 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1093.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512.
5.Vergelijk de uitspraak van 19 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:931.
10.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2817, onder 13.3.3.4, en het in 6.1 genoemde arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, onder 3.10.3.