Belanghebbende is een naheffingsaanslag BPM opgelegd van €2.043 voor een gebruikte Mercedes Benz A-klasse 220 CDI 4Matic. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd de naheffingsaanslag gehandhaafd, waarbij belanghebbende een immateriële schadevergoeding werd toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.
In hoger beroep betoogde belanghebbende onder meer dat het Unierecht niet door nationale rechters mag worden uitgelegd, dat het heffen van griffierecht vooraf onrechtmatig is, dat het verdedigingsbeginsel is geschonden door het niet horen voorafgaand aan de naheffingsaanslag, en dat de waardebepaling van de auto onjuist was. Tevens stelde hij dat de bewijslast onjuist was verdeeld en dat de proceskostenvergoeding te laag was.
Het Hof verwierp deze grieven. Het oordeelde dat nationale rechters het Unierecht mogen toepassen en uitleggen, dat het griffierecht geen onoverkomelijk obstakel vormt, en dat belanghebbende voldoende gelegenheid had om zijn standpunt kenbaar te maken. De waardebepaling en de toegepaste afschrijving werden als juist beoordeeld, evenals de bewijslastverdeling. De proceskostenvergoeding en de immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding werden bevestigd.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd, en de Staat veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €500 en proceskostenvergoeding van €233,50, vermeerderd met wettelijke rente. Geen griffierecht werd vergoed.