Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2711

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
24/64
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 110 VWEUArt. 20 AWRArt. 2 lid 3 BpbArt. 3.5 bijlage 1 Uitvoeringsregeling belasting personenauto's en motorrijwielen 1992Art. 19a lid 4 Wet BPM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging naheffingsaanslag BPM en afwijzing hoger beroep belanghebbende

Belanghebbende is een naheffingsaanslag BPM opgelegd van €2.043 voor een gebruikte Mercedes Benz A-klasse 220 CDI 4Matic. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd de naheffingsaanslag gehandhaafd, waarbij belanghebbende een immateriële schadevergoeding werd toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.

In hoger beroep betoogde belanghebbende onder meer dat het Unierecht niet door nationale rechters mag worden uitgelegd, dat het heffen van griffierecht vooraf onrechtmatig is, dat het verdedigingsbeginsel is geschonden door het niet horen voorafgaand aan de naheffingsaanslag, en dat de waardebepaling van de auto onjuist was. Tevens stelde hij dat de bewijslast onjuist was verdeeld en dat de proceskostenvergoeding te laag was.

Het Hof verwierp deze grieven. Het oordeelde dat nationale rechters het Unierecht mogen toepassen en uitleggen, dat het griffierecht geen onoverkomelijk obstakel vormt, en dat belanghebbende voldoende gelegenheid had om zijn standpunt kenbaar te maken. De waardebepaling en de toegepaste afschrijving werden als juist beoordeeld, evenals de bewijslastverdeling. De proceskostenvergoeding en de immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding werden bevestigd.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd, en de Staat veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €500 en proceskostenvergoeding van €233,50, vermeerderd met wettelijke rente. Geen griffierecht werd vergoed.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag BPM bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
nummer BK-ARN 24/64
uitspraakdatum: 29 april 2026
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 9 november 2023, nummer LEE 22/1550, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen(hierna: de Inspecteur)
alsmede de
Staat der Nederlanden(de Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 2.043.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft dit beroep ongegrond verklaard, de Inspecteur veroordeeld tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.219, de Staat veroordeeld tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 281, de Inspecteur en de Staat opgedragen ieder voor de helft het betaalde griffierecht van € 184 aan belanghebbende te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop de uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening, en de Inspecteur en de Staat ieder voor de helft veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende van € 837.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Partijen hebben nadere stukken ingebracht.
1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2026. Namens belanghebbende is A.F.M.J. Verhoeven verschenen. Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam1] en mr. [naam2] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft voor een Mercedes Benz A-klasse 220 CDI 4Matic (hierna: de auto) op aangifte een bedrag van € 769 aan BPM voldaan. De auto heeft een vermogen van 130 kW en een CO2-uitstoot van 124 gr/km. De datum van eerste toelating – in Duitsland – is 6 oktober 2016. Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd waarin de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat is bepaald op € 19.577 (AutotelexPro) en schade is gecalculeerd op € 13.735. De tellerstand volgens het rapport bedraagt ten tijde van de taxatie 79.450 kilometer. De tenaamstelling van de auto in het kentekenregister heeft plaatsgevonden op 20 februari 2020.
2.2.
De Inspecteur heeft een ‘onderzoek waardebepaling’ laten doen door de dienst Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). Van dit onderzoek is een rapport opgemaakt. In het rapport is een consumentenprijs (historische nieuwprijs) van € 58.519 vermeld, een (laagste) handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 17.707 (koerslijstwaarde XRAY) en is een waardevermindering vanwege schade toegepast van € 692 (81% van de herstelkosten van € 851). In het rapport is de handelsinkoopwaarde van de auto aldus vastgesteld op € 17.015. Op de koerslijst van XRAY is een referentieauto weergegeven met een CO2-uitstoot van 121 gr/km en een motorvermogen van 125 kW. Naar aanleiding van de bevindingen in dit rapport heeft de Inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag BPM, met dagtekening 8 juli 2020, opgelegd die als volgt is berekend (bedragen in €):
Consumentenprijs (= historische nieuwprijs)
58.519
Handelsinkoopwaarde (onbeschadigd; Xray)
17.707
Schade (81% van herstelkosten)
-/- 692
= Handelsinkoopwaarde (beschadigd)
17.015
Afschrijving
70,92%
Historische BPM (CO2-uitstoot 124 gr/km)
9.67
Afschrijving
(70,92%) -/- 6.858
= Verschuldigde BPM
2.812
Door belanghebbende is betaald op aangifte
-/- 769
Naheffingsaanslag
2.043
2.3.
Voordat de naheffingsaanslag BPM is opgelegd, heeft de Inspecteur belanghebbende bij brief van 18 mei 2020 in kennis gesteld van zijn voornemen tot het opleggen van een naheffingsaanslag. Daarbij is belanghebbende in de gelegenheid gesteld te reageren. Hiervan heeft belanghebbende geen gebruik gemaakt.
2.4.
In de bezwaarfase heeft onder meer ten aanzien van het bezwaar van belanghebbende op 15 april 2021 een hoorgesprek plaatsgevonden. Het hoorverslag is door de Inspecteur op 20 april 2021 aan belanghebbende gezonden. Op 22 april 2021 heeft belanghebbende gereageerd op het hoorverslag.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.
3.2.
De gemachtigde van belanghebbende heeft in hoger beroep het volgende aangevoerd:
De nationale rechters – waaronder dit Hof en de Hoge Raad – mogen het Unierecht niet uitleggen. Uitsluitend het Hof van Justitie van de Europese Unie te Luxemburg (hierna: Hof van Justitie) is daartoe bevoegd.
Het (vooraf) heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming.
Belanghebbende is voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag ten onrechte niet gehoord, zodat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is geschonden.
Het opleggen van een naheffingsaanslag BPM ter zake van een naar Nederland overgebracht motorvoertuig is in strijd met artikel 110 VWEU Pro nu binnenlandse voertuigen per definitie zijn uitgesloten van een dergelijke heffingsmodaliteit.
De bewijslast met betrekking tot de toepasselijkheid en de omvang van de vermindering van de verschuldigde BPM rust in het licht van artikel 110 VWEU Pro op de Inspecteur.
Belanghebbende is niet gehoord in de bezwaarfase.
De onafhankelijkheid van DRZ ten opzichte van de Inspecteur is niet gewaarborgd en aan het door DRZ opgestelde taxatierapport van de Inspecteur worden ten onrechte minder hoge eisen gesteld dan aan een door belanghebbende in te brengen rapport.
De handelsinkoopwaarde moet worden verminderd met 100% van de geraamde herstelkosten.
Voor de handelsinkoopwaarde moet worden uitgegaan van de waarde van een personenauto die een verhuurverleden heeft.
Voor het berekenen van de afschrijving moet de historische nieuwprijs te worden gebaseerd op het bedrag aan BPM dat voor de te registreren auto (met een CO2-uitstoot van 124 gr/km) is verschuldigd en niet aan de hand van de BPM die voor de referentieauto (met een CO2-uitstoot van 121 gr/km) is verschuldigd.
Op grond van beleid van de Belastingdienst staat een geringe afwijking in CO2-uitstoot niet in de weg aan toepassing van een koerslijst, waardoor geen aanleiding bestaat de handelsinkoopwaarde te verhogen bij een hogere CO2-uitstoot.
De regeling van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb), waarbij de proceskostenvergoeding in beginsel een forfaitair karakter heeft, is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming.
De overschrijding van de redelijke termijn in beroep dient tot een hogere vergoeding van immateriële schade te leiden.
Indien aan belanghebbende het betaalde griffierecht moet worden vergoed, moet rente worden vergoed over de periode vanaf het moment waarop belanghebbende het griffierecht heeft betaald.
Wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep moet een schadevergoeding worden toegekend.
3.3.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en die van de Inspecteur en primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag en subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot handhaving van de uitspraak van de Rechtbank.

4.Beoordeling van het geschil

Ad a. Bevoegdheid uitleggen Unierecht
4.1.
De gemachtigde van belanghebbende voert aan dat de nationale rechters het Unierecht niet mogen uitleggen en dat alleen het Hof van Justitie die bevoegdheid heeft.
4.2.
Dit betoog kan niet slagen. De nationale rechters zijn verplicht om het Unierecht toe te passen. [1] Indien een nationale rechter het wenselijk of noodzakelijk acht, kan hij over de uitleg van het Unierecht prejudiciële vragen stellen aan het Hof van Justitie. Alleen de nationale rechter tegen wiens beslissingen geen hoger beroep kan worden ingesteld heeft op grond van artikel 267 van Pro het VWEU een plicht zich tot het Hof van Justitie te wenden bij vragen over de uitleg van het Unierecht als daarover onduidelijkheid bestaat.
4.3.
In onderhavige procedure ziet het Hof geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. In dat verband wordt opgemerkt dat de uitspraken van het Hof vatbaar zijn voor cassatieberoep bij de Hoge Raad, zodat artikel 267 VWEU Pro niet dwingt tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. [2]
Ad b. Vooraf heffen griffierecht
4.4.
Het heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van doeltreffendheid indien de hoogte van het verschuldigde recht een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt. [3]
4.5.
In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over het (vooraf) heffen van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. [4] Van strijdigheid met het beginsel van effectieve rechtsbescherming, zoals neergelegd in artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), is om dezelfde redenen evenmin sprake. [5]
4.6.
Belanghebbende heeft de voor het beroep en hoger beroep verschuldigde griffierechten voldaan en geen beroep gedaan op betalingsonmacht, zodat van enig gebrek aan effectieve en doeltreffende rechtsbescherming in het onderhavige geval geen sprake is.
Ad c. Schending verdedigingsbeginsel
4.7.
Belanghebbende heeft gesteld dat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is geschonden, nu belanghebbende niet is gehoord voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag. Zo dit beginsel in het onderhavige geval al van toepassing is [6] – het Hof kan dat in het midden laten – dan nog is van een schending daarvan geen sprake. Uit het recht van de Unie vloeit niet voort dat het naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit, alleen naar behoren kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. [7] Dit betekent dat nu belanghebbende voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag is uitgenodigd schriftelijk een standpunt kenbaar te maken en in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid en aldus dat standpunt naar behoren kenbaar heeft kunnen maken, het recht van de Unie niet eist dat belanghebbende ook wordt uitgenodigd voor een hoorgesprek. [8]
Ad d en e. Naheffing van BPM en bewijslast
4.8.
Belanghebbende betoogt dat te weinig geheven BPM niet op grond van artikel 20 Algemene Pro wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan worden nageheven nadat voor een gebruikt, vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht motorrijtuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister) zich heeft voorgedaan. Dit betoog is niet juist. [9] Ook hetgeen belanghebbende in dit verband nog heeft aangevoerd over het in zijn ogen ten onrechte onderwerpen aan een belastingcontrole treft geen doel. Artikel 110 VWEU Pro verzet zich niet tegen het houden van toezicht op een juiste heffing van BPM.
4.9.
Verder stelt belanghebbende dat de Inspecteur op grond van het in artikel 110 VWEU Pro neergelegde discriminatieverbod van rechtswege verplicht is te waarborgen dat niet meer belasting wordt geheven dan op soortgelijke binnenlandse voertuigen. Volgens belanghebbende berusten stelplicht en - bij betwisting - bewijslast ter zake van waardeverminderende factoren niet op hem. Ook dit betoog faalt. Op iemand die zich beroept op een vermindering van de verschuldigde BPM rust de plicht om feiten te stellen en, bij betwisting, aannemelijk te maken die daartoe kunnen leiden. Daarbij moet diegene wel voldoende gelegenheid worden geboden het van hem verlangde bewijs te leveren. [10] Daarvan is in het onderhavige geval sprake. Artikel 110 VWEU Pro verzet zich dan niet tegen deze bewijslastverdeling. [11]
Ad f. Schending hoorplicht in bezwaarfase
4.10.
Belanghebbende stelt dat hij niet is gehoord in de bezwaarfase. Vaststaat echter dat belanghebbende is gehoord in de bezwaarfase (zie 2.4), zodat deze stelling feitelijke grondslag mist.
Ad g. Taxatierapport en betrouwbaarheid DRZ
4.11.
Belanghebbende betoogt dat aan belanghebbende hogere eisen worden gesteld wat betreft de bewijsmiddelen dan aan de Inspecteur. Dit betoog is onjuist. De rechter weegt de bewijsmiddelen en stelt aan belanghebbendes bewijsmiddelen geen hogere eisen dan aan die van de Inspecteur. Ook overigens is geen sprake van schending van het beginsel van ‘equality of arms’. Zo is niet gebleken dat de Inspecteur (de taxateur van) DRZ heeft beïnvloed of geïnstrueerd over de wijze van taxeren van de auto’s.
4.12.
Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat sprake is geweest van een aanbesteding die niet volgens de daarvoor toepasselijke regels is verlopen, dan nog heeft een dergelijke schending geen invloed op de hier aan de orde zijnde vraag inzake de handelsinkoopwaarde. Het Hof moet beoordelen of de door belanghebbende voorgestane handelsinkoopwaarde, in het licht van wat de Inspecteur heeft gesteld, voldoende door belanghebbende is onderbouwd. Het Hof merkt nog op dat het geen reden ziet te twijfelen aan de deskundigheid van de taxateur van DRZ en evenmin aanleiding heeft vanwege de werkwijze van DRZ in algemene zin geen, dan wel minder waarde aan het rapport van DRZ te hechten. [12]
Ad h. 72%-regel schade
4.13.
Belanghebbende betoogt voorts dat de Inspecteur ten onrechte slechts 81% van de door hem geraamde herstelkosten in mindering op de waarde van de auto in onbeschadigde staat heeft toegestaan in plaats van 100%.
4.14.
Op grond van artikel 3.5 van bijlage 1 bij de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (tot 2023) geldt als uitgangspunt dat de waardevermindering als gevolg van schade wordt vastgesteld op 72% van de geraamde herstelkosten. Op belanghebbende rust de last aannemelijk te maken dat de waardevermindering als gevolg van schade aan de auto (niet zijnde normale gebruiksschade) meer bedraagt dan – in dit geval het door de Inspecteur geaccepteerde percentage van – 81% van de geraamde herstelkosten. [13] In het licht van het rapport van DRZ acht het Hof belanghebbende niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat de waardevermindering wegens schade meer beloopt dan € 692.
4.15.
Anders dan belanghebbende betoogt is de 72%-regeling niet strijdig met artikel 110 VWEU Pro, omdat deze regeling aan de belastingplichtige voldoende gelegenheid biedt om het van hem gevraagde bewijs te leveren dat de waardevermindering van de auto als gevolg van de beschadigingen meer bedraagt dan 72% van de herstelkosten. [14]
Ad i. Ex-rental
4.16.
Belanghebbende heeft niet gemotiveerd gesteld dat de onderhavige auto een ‘ex-rental auto’ en/of een daarmee vergelijkbaar voertuig is. Niettemin stelt belanghebbende zich op het standpunt dat op grond van artikel 110 VWEU Pro voor de bepaling van de afschrijving dient te worden uitgegaan van de waarde van een personenauto die een verhuurverleden heeft (‘ex-rental’), ook als de betreffende auto niet als huurauto is gebruikt, omdat dit de laagst mogelijke waarde is. Het betoog van belanghebbende faalt, omdat dit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. [15]
Ad j. Historische nieuwprijs; BPM van te registreren auto/invloed hogere CO2-uitstoot
4.17.
Belanghebbende stelt dat voor het berekenen van de afschrijving de historische nieuwprijs moet worden gebaseerd op het bedrag aan BPM dat voor de te registreren auto (met een CO2-uitstoot van 124 gr/km) is verschuldigd en niet aan de hand van de BPM die voor de in de koerslijst opgenomen referentieauto (met een CO2-uitstoot van 121 gr/km) is verschuldigd. De historische nieuwprijs moet aldus worden bepaald op € 59.970. De afschrijving dient als gevolg daarvan op 71,63% te worden berekend.
4.18.
De Inspecteur heeft ter zitting van het Hof verklaard dat niet vaststaat dat de historische nieuwprijs exact € 59.970 bedraagt, omdat ook de netto catalogusprijs zal afwijken en daarvan zijn geen gegevens bekend. Hij betoogt in dit verband dat ten onrechte gebruik is gemaakt van de taxatiemethode, nu zowel het taxatierapport van belanghebbende als dat van DRZ uitgaat van een niet soortgelijke referentieauto omdat het motorvermogen en de CO2-uitstoot afwijken. Volgens de Inspecteur moet de vermindering daarom worden vastgesteld aan de hand van de forfaitaire tabel.
4.19.
Het Hof overweegt dat bij toepassing van de taxatiemethode als referentie voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde van de te registreren auto, gebruik kan worden gemaakt van de handelsinkoopwaarde van een referentieauto die is opgenomen in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst. De in deze koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde is in dat geval slechts een uitgangspunt. De getaxeerde waarde zal in dat geval van die koerslijstwaarde verschillen vanwege meer dan normale gebruiksschade en/of andere bijzondere of afwijkende kenmerken en eigenschappen van het te waarderen motorrijtuig ten opzichte van gebruikte motorrijtuigen zoals deze in de regel op de binnenlandse markt worden ingekocht. Dergelijke kenmerken en eigenschappen leiden tot een bij de taxatie in aanmerking te nemen verschil ten opzichte van de koerslijstwaarde voor zover zij in die waarde niet of niet volledig zijn verdisconteerd. De invloed van dergelijke kenmerken en eigenschappen kan zowel waardedrukkend als waardeverhogend zijn [16] . Dat de referentieauto verschilt van de auto wat betreft motorvermogen (125 kW – 130 kW) en CO2-uitstoot (121 gr/km – 124 gr/km) brengt aldus, anders dan de Inspecteur betoogt, niet mee dat de taxatiemethode niet kan worden toegepast.
4.20.
Ter bepaling van de historische nieuwprijs moet in aanmerking worden genomen het bedrag aan BPM dat voor de te registreren auto verschuldigd zou geweest op het tijdstip waarop deze voor het eerst in gebruik werd genomen [17] . Het Hof acht aannemelijk dat de historische nieuwprijs van de auto hoger is dan waarvan de Inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag is uitgegaan.
4.21.
Om de werkelijke waarde(daling) van de te registreren auto zo goed mogelijk te benaderen, moet volgens de Inspecteur in dat geval ook de handelsinkoopwaarde naar boven worden bijgesteld. De in de koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde is namelijk gebaseerd op een referentievoertuig met een CO2-uitstoot van 121 gr/km, terwijl de te registreren auto een CO2-uitstoot van 124 gr/km heeft.
4.22.
Naar het oordeel van het Hof is, gelijk de Inspecteur heeft betoogd, een afwijkende CO2-uitstoot een verschil dat in aanmerking moet worden genomen ten opzichte van de in de koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde van het referentievoertuig [18] . Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat een hogere CO2-uitstoot in zijn algemeenheid een waardeverhogende invloed op de handelsinkoopwaarde zal hebben. Die hogere CO2-uitstoot wordt immers veroorzaakt door een andere – over het algemeen duurdere – uitrusting of uitvoering.
4.23.
Indien, zoals in het onderhavige geval, de inspecteur gemotiveerd de door de belastingplichtige verdedigde vermindering (afschrijving) betwist, ligt het op de weg van de belastingplichtige om de feiten aannemelijk te maken die deze vermindering meebrengen [19] . Naar het oordeel van het Hof brengt deze bewijsregel mee dat de belastingplichtige – in geval van betwisting door de inspecteur – het bewijs dient te leveren dat een afwijkende CO2-uitstoot niet leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde en dus een lager afschrijvingspercentage van de te registreren auto. Een dergelijke verdeling van de bewijslast ligt te meer voor de hand nu als uitgangspunt heeft te gelden dat een afwijkende CO2-uitstoot in zijn algemeenheid een waardeverhogende invloed zal hebben op de handelsinkoopwaarde. De partij die stelt dat dit uitgangspunt niet opgaat, zoals belanghebbende doet, dient de daarvoor relevante feiten en omstandigheden aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken [20] . Deze bewijslastverdeling brengt mee dat indien er twijfel bestaat over het door belanghebbende gestelde, dit ten nadele werkt van belanghebbende.
4.24.
Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende niet in het leveren van het van hem verlangde bewijs geslaagd. Belanghebbende heeft niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat de afwijkende CO2-uitstoot geen invloed heeft op de handelsinkoopwaarde van de auto. Dit betekent dat het Hof ervan uitgaat dat de hogere CO2-uitstoot van de te registreren auto een zodanige invloed heeft op de handelsinkoopwaarde dat ondanks de hogere historische nieuwprijs het afschrijvingspercentage daardoor niet wijzigt.
Ad k. Vertrouwensbeginsel inzake invloed CO2-uitstoot
4.25.
Belanghebbende heeft in zijn pleitnota gewezen op het verweer van de Staatssecretaris in een bij de Hoge Raad aanhangige zaak over de invloed van de CO2-uitstoot op de handelsinkoopwaarde, zoals verwoord in de conclusie van A-G Ettema (ECLI:NL:PHR:2026:131, onder 4.11):
“De Staatssecretaris heeft zich in verweer op het standpunt gesteld dat het middel slaagt op de door hem aangegeven “aanvullende gronden”. Hij schrijft het volgende:
“Het betreft in casu een gering verschil (2 gram bij de Ford Focus en 3 gram bij de Ford EcoSport) in CO2-uitstoot. Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703, accepteert de Belastingdienst bij lopende zaken - dat wil zeggen lopende procedures op het moment van het arrest van de Hoge Raad op 22 december 2023 - een hogere afschrijving als deze met een beroep op het hiervoor genoemde arrest wordt bepleit op grond van de hogere CO2-uitstoot van het in te schrijven voertuig - en dus hogere historische nieuwprijs - in vergelijking met de CO2-uitstoot van het referentievoertuig. Als in voornoemde gevallen de hoogte van de handelsinkoopwaarde tussen partijen al vaststond, wordt deze niet verhoogd, als dit louter het gevolg zou zijn van de verhoging van de CO2-uitstoot en dientengevolge de historische nieuwprijs. Het onderhavige geval valt hier ook onder. Dit is anders ingeval de handelsinkoopwaarde door de inspecteur al bestreden wordt óf als andere elementen dan enkel én alleen de CO2-uitstoot, ten grondslag liggen aan de stelling dat de handelsinkoopwaarde opgehoogd dient te worden. Hiervan is in casu mijns inziens echter geen sprake.”
4.26.
Naar het Hof begrijpt, stelt belanghebbende dat deze mededeling beleid betreft waaraan het vertrouwen kan worden ontleend dat bij een geringe afwijking in de CO2-uitstoot geen aanleiding bestaat de handelsinkoopwaarde te verhogen.
4.27.
Zo al sprake zou zijn van gepubliceerd beleid [21] , dan nog kan dit belanghebbende in het onderhavige geval niet baten, nu de handelsinkoopwaarde door de Inspecteur al bestreden werd. Het Hof verwerpt daarom het beroep op het vertrouwensbeginsel.
Ad l. Forfaitaire proceskostenvergoeding
4.28.
Belanghebbende heeft ook gesteld dat de Rechtbank de Inspecteur tot een te laag bedrag ter vergoeding van de proceskosten heeft veroordeeld.
4.29.
Bij het bepalen van de proceskostenvergoeding heeft de Rechtbank zich gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb). Het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming brengt mee dat nationale bepalingen op procesrechtelijk gebied niet ertoe mogen leiden dat de verwezenlijking van de aanspraken die een belanghebbende aan het Unierecht kan ontlenen, onmogelijk of uiterst moeilijk wordt. De regeling van het Bpb, waarbij de vergoeding van proceskosten in beginsel een forfaitair karakter heeft, voldoet aan deze eis. [22]
4.30.
Dit geldt ook als een onjuist bevonden standpunt van de inspecteur in strijd is met het Unierecht. [23] Daarbij is van belang dat in geval van bijzondere omstandigheden de mogelijkheid bestaat om op grond van artikel 2, lid 3, Bpb een hogere vergoeding voor proceskosten toe te kennen dan volgens het forfaitaire tarief geldt. Een eventuele wanverhouding tussen de tegemoetkoming in de proceskosten volgens het forfaitaire tarief en de werkelijk gemaakte kosten, vormt evenwel geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Bpb voor een hogere vergoeding. [24] In het onderhavige geval is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die tot een hogere vergoeding zouden moeten leiden. Het enkele feit dat eventueel in strijd met het Unierecht te veel belasting is geheven, waarvan in het onderhavige geval overigens geen sprake is, is daartoe onvoldoende. [25]
4.31.
Indien en voor zover belanghebbende tevens heeft willen stellen dat de Rechtbank ten onrechte een factor 0,5 heeft gehanteerd in verband met het gewicht van de zaak, slaagt ook deze grief niet. [26]
Ad m. Hoogte vergoeding van immateriële schade in beroep
4.32.
Bij overschrijding van de redelijke termijn worden spanning en frustratie verondersteld, behoudens bijzondere omstandigheden. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade geldt als uitgangspunt een tarief van € 500 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. De mate waarin de betrokkene daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden is in beginsel niet van belang. Dat is slechts anders in bijzondere gevallen. De omstandigheid dat eventueel in strijd met het Unierecht teveel belasting is geheven of dat meerdere malen artikel 110 VWEU Pro is geschonden, brengt – anders dan belanghebbende kennelijk betoogt – niet mee dat sprake is van een bijzonder geval zoals zojuist bedoeld. [27] Ook overigens is in het onderhavige geval niet gebleken van bijzondere omstandigheden die tot een hogere vergoeding zouden moeten leiden dan door de Rechtbank is toegekend.
Ad n. Rentevergoeding griffierecht
4.33.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat aan belanghebbende het griffierecht moet worden vergoed vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na de dagtekening van de uitspraak tot aan de dag van de algehele voldoening. [28]
4.34.
Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat dit oordeel onjuist is en dat op grond van het Unierecht rente moet worden vergoed over de periode vanaf het moment waarop het griffierecht is betaald tot het moment waarop dat griffierecht wordt vergoed. Bovendien moet volgens belanghebbende een rentevoet worden toegepast die geldt voor handelstransacties. Het betoog van belanghebbende faalt. Het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente. Griffierecht is niet een aan de Staat betaald bedrag als bedoeld in punt 21 van het arrest Irimie [29] dat rechtstreeks verband houdt met door de Staat geheven belasting. De verplichting tot het betalen van griffierecht ontstaat immers pas door het instellen van beroep. Evenmin kan worden gezegd dat het achterwege laten van een rentevergoeding als hiervoor bedoeld de verwezenlijking van de aanspraken die een belanghebbende aan het Unierecht kan ontlenen, onmogelijk of uiterst moeilijk maakt. [30]
4.35.
Ook in hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, ziet het Hof geen aanleiding om het hoger beroep gegrond te achten.
Ad o. Overschrijding redelijke termijn in hoger beroep
4.36.
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. In hoger beroep is de redelijke termijn van twee jaar met minder dan zes maanden overschreden. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van € 500, te vergoeden door de Staat. [31]
Slotsom
De uitspraak van Rechtbank wordt bevestigd. Gelet daarop is het hoger beroep van belanghebbende ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Omdat het hoger beroep op zichzelf beschouwd ongegrond is, wordt uitsluitend een vergoeding van proceskosten toegekend voor de proceshandelingen die samenhangen met het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. [32] Bij de berekening van die vergoeding wordt een wegingsfactor 0,25 gehanteerd. Deze kosten zijn op de voet van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 233,50 (1 punt voor verzoekschrift, wegingsfactor 0,25, waarde per punt € 934). Wat betreft de stelling van belanghebbende dat het Unierecht dwingt tot een hogere vergoeding, verwijst het Hof naar hetgeen hiervoor is overwogen.
5.2.
Opmerking verdient dat voornoemd bedrag op grond van het onmiddellijk per 1 januari 2024 in werking getreden artikel 19a, lid 4, Wet BPM uitsluitend op een op naam van belanghebbende staande bankrekening dient te worden uitbetaald. Belanghebbende acht deze bepaling in strijd met Unierecht. Het Hof is echter niet bevoegd een oordeel te geven over de vraag of een bedrag aan proceskostenvergoeding moet worden overgemaakt naar de rekening van een ander dan de belanghebbende. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd te oordelen in een geschil over een dergelijke vraag. [33]
5.3.
Nu het hoger beroep ongegrond is verklaard, wordt geen griffierecht vergoed. [34]

6.Beslissing

Het Hof:
– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,
– veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 500,
– veroordeelt de Staat in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep tot een bedrag van € 233,50, en
– bepaalt dat voornoemde vergoedingen worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van de algehele voldoening.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, mr . A.J.H. van Suilen en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.
De griffier, De voorzitter,
(H. de Jong) (G.B.A. Brummer)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Vgl. HvJ 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:687.
2.Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 2 februari 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:936, r.o. 4.2; Hof Arnhem-Leeuwarden 25 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6391, r.o. 2.5; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.5.
3.HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.3.
4.HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.4.
5.Hof Arnhem-Leeuwarden 25 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6391, r.o. 2.7.
6.Vgl. HR 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1917, r.o. 4.2.3.
7.HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, r.o. 2.1.
8.HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, r.o. 2.1; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.12.
9.HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, r.o. 2.2; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.6.
10.HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.8.
11.HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.6; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.8.
12.Hof Arnhem-Leeuwarden 29 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10322, r.o. 4.8.
13.Vgl. HR 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1084.
14.HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3; Hof Arnhem-Leeuwarden 13 januari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:237, r.o. 4.8.
15.HR 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331, r.o. 2.3.5; Hof Arnhem-Leeuwarden 4 november 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6989, r.o. 4.5.
16.Vgl. HR 12 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:692, r.o. 2.4.2 en 2.4.3; HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703, r.o. 3.2.3.
17.Zie HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703.
18.Vgl. HR 12 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:692, r.o. 2.4.3.
19.Zie HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.5.3.
20.Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 12 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1852 en 1858.
21.Vgl. HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1235.
22.HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ3810, r.o. 3.5; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.28.
23.HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ3810, r.o. 3.4; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.29.
24.HR 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:833, r.o. 2.5; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.29.
25.HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3603, r.o. 2.4; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.29.
26.Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335, bijlage (richtsnoer proceskosten).
27.Hof Arnhem-Leeuwarden 12 november 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6945, r.o. 4.11.
28.Vgl. HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358.
29.HvJ 18 april 2013, ECLI:EU:C:2013:250.
30.Vgl. HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, r.o. 2.4.3; Hof Arnhem-Leeuwarden 4 november 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6988, r.o. 4.23.
31.Weliswaar is artikel 19a lid 3 Wet BPM (vergoeding van € 50 per half jaar) op 1 januari 2024 in werking getreden, maar deze bepaling vindt voor het eerst toepassing op vergoedingen voor overschrijding van de redelijke termijn waarvan de termijn na 1 januari 2024 is aangevangen (artikel IV, aanhef en letter b Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, Stb. 2023, 507). In het onderhavige geval is daarvan geen sprake, nu het hogerberoepschrift vóór 1 januari 2024 is ingediend.
32.HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1338, r.o. 3.2.
33.HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:156, r.o. 5.4.
34.HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.1.