Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
3.Het geding tot en met de eerste cassatieronde
4.Loop van het geding van verwijzing tot en met Hoge Raad (tweede ronde)
belanghebbendeis (op)geleverd, en voorts dat
belanghebbende[cursiveringen Hof] ook vóór het onderwerpelijke tijdvak (het eerste kwartaal van 2004) facturen met betrekking tot het pand heeft ontvangen'. Gelezen in samenhang met punt 3.1.1 van het arrest (…) volgt uit het arrest dat de vennoten van de maatschap (en de maatschap) te dezen gezamenlijk als één belastingplichtige in de zin van de Btw-richtlijn moeten worden beschouwd en dat die belastingplichtige recht heeft op aftrek van de op de ter zake van de bouw uitgereikte facturen vermelde omzetbelasting, ongeacht aan wie van de bij de onderhavige samenwerkingsovereenkomst betrokken partijen de facturen zijn uitgereikt.”
5.Het geding na de tweede verwijzing
6.Het geding (ten derde male) in cassatie
eerste middelvoert belanghebbende aan dat Hof Amsterdam ten onrechte, althans op gronden die dat oordeel niet kunnen dragen, heeft geoordeeld dat belanghebbendes beroep op het maatschapsarrest buiten de verwijzingsopdracht van de Hoge Raad valt. Belanghebbende betoogt dat dit geheel ongemotiveerde oordeel, onbegrijpelijk is.
tweede middelkomt belanghebbende met rechts- en motiveringsklachten op tegen het oordeel van Hof Amsterdam dat het pand niet tot het bedrijf van belanghebbende behoort. Ter toelichting voert belanghebbende aan dat Hof Amsterdam bij dit oordeel heeft verzuimd in aanmerking te nemen dat een maatschap juridisch geen goederen kan verkrijgen en enkel kan ‘handelen’ via haar maten. In casu doet zich, zo betoogt belanghebbende, in wezen hetzelfde voor als in het maatschapsarrest.
derde middelbestrijdt het oordeel van Hof Amsterdam dat een gelijktijdig zakelijk en privégebruik van het pand door belanghebbende niet aan de orde kan zijn. Onbegrijpelijk en in strijd met het maatschapsarrest acht belanghebbende de overweging in punt 6.7 van de uitspraak van Hof Amsterdam dat belanghebbende uitsluitend zakelijk kan beschikken over de werkkamer, nu dit Hof even daarvoor heeft geoordeeld dat het pand geleverd is aan het echtpaar [A/B].
7.Het belang van de zaak
8.Maatschapsarrest buiten de orde?
9.Wie is de (aftrekgerechtigde) afnemer?
aan de ondernemer verrichte leveringen en verleende dienstenin rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur;” [21]
aan de ondernemerverrichte prestaties. Daarbij komt dat deze omzetbelasting – wil aftrek mogelijk zijn – ook
aan de ondernemer/afnemer in rekening moet zijn gebracht. Ik verwijs naar artikel 35a, lid 1, en artikel 15, lid 4, eerste volzin, van de Wet. Equivalente richtlijnbepalingen vinden we in artikel 17, lid 2, onder a, artikel 18, lid 1, onder a, en artikel 22, lid 3, van de Zesde richtlijn. [22] In zijn arrest van 8 mei 2013, Petroma, C-271/12, ECLI:EU:C:2013:297, heeft het HvJ overigens al genoeg aan artikel 17, lid 2, van de Zesde richtlijn. Ik citeer en cursiveer punt 24 van dit arrest:
elke belastingplichtigehet recht heeft de bedragen die
hem als btw in rekening zijn gebracht over aan hem verleende diensten,in aftrek te brengen voor zover deze diensten voor zijn belaste handelingen worden gebruikt (…).”
een in aanmerking te nemen factor teneinde te bepalen wie de verrichter en de ontvanger zijn van een ‘dienst’(…).
wie de ontvanger isvan de (…) dienst die door de betrokken aanbieder onder bezwarende titel wordt verricht, (…), moet worden bepaald
met wie (…) de aanbiedervan telefoondiensten
in een contractuele verhouding staat waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld.” [25]
10.Een uitstapje naar de figuur van de maatschap
samenwerking voor gemeenschappelijke rekeningvan twee of meer personen (de maten of vennoten), door middel van
inbrengvan geld, goederen [32] of het genot daarvan en/of arbeid door ieder van hen, gericht op het behalen van vermogensrechtelijk voordeel ten behoeve van alle vennoten.
afgestaan.Dit is iets anders dan het door de vennootschap aankopen of huren van goederen of in dienst nemen van personeel. (…) Om die reden plegen vennoten op hun kapitaalrekening gecrediteerd te worden voor hun inbreng. Aldus vindt een boekhoudkundige vastlegging plaats van het gegeven dat partijen iets voor het gemeenschappelijke doel hebben afgestaan, en niet aan elkaar hebben overgedragen. Een kapitaalrekening geeft de aanspraak van een vennoot op het vennootschapsvermogen bij uittreden of ontbinding weer.”
zij zijn bestemd om te worden aangewend tot het bereiken van het doel der vennootschap. Een vennoot kan tijdens de duur der vennootschap niet vrijelijk beschikken over zijn aandeel in die goederen en evenmin aanspraak maken op een uitkering ten laste van het vennootschapsvermogen voor zover een dergelijke aanspraak niet uit het vennootschapscontract of een in overeenstemming daarmee genomen besluit voortvloeit. Voorts
vormen de goederen van de vennootschap een afgescheiden vermogen dat dient als verhaalsobject voor de schuldeisers van de vennootschap. (…)”
uitkomstvan het arrest Heerma, te weten dat een vennoot die een goed verhuurt aan de vennootschap waarvan hij maat is, zelfstandig een prestatie aan die vennootschap verricht (zie hierna onderdeel 11.3), is de laatste zinsnede van het in punt 10.8 opgenomen citaat in zoverre niet helemaal juist, dat de maat of maten van een maatschap heel goed óók ondernemer kunnen zijn, naast de maatschap.
11.Terug naar de vraag: wie is de aftrekgerechtigde afnemer?
Derhalve zullen ook vermogensbestanddelen die door een vennoot of firmant worden aangeschaft en die uitsluitend in het kader van het bedrijf van de als ondernemer aangemerkte maat- of vennootschap zullen worden gebezigd, tot haar bedrijfsvermogen gaan behoren(verg. in andere zin Hof Arnhem 31 januari 1980, BNB 1981/152). Brengt de betrokken vennoot of firmant de aangeschafte vermogensbestanddelen naar privaatrecht niet in de maat- of vennootschap, dan kan de voor de heffing van de inkomstenbelasting bedachte term “buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen'' ook voor de zojuist beschreven figuur gebruikt worden. Men bedenke evenwel, dat het niet om het bedrijfsvermogen van de vennoot of firmant gaat: ondernemer is alleen de maat- of vennootschap
;maar
evenzeer als het bedrijfsmatige handelen van de vennoot of de firmant voor de heffing van de omzetbelasting geheel aan de maat- of vennootschap wordt toegerekend, dient ook het aanschaffen van vermogensbestanddelen dienovereenkomstig behandeld te worden.Een voorbeeld is de situatie waarin de vennootschap haar bedrijf uitoefent in een onroerend goed dat eigendom is van een firmant. M.i. kan dan de op het onroerend goed drukkende voorbelasting door de vennootschap worden afgetrokken. Art. 7, lid 2, letter b, OB '68, tekst 1978, mist toepassing. (…)”
indien en voor zover die goederen of diensten in het kader van de gezamenlijke onderneming worden gebezigd;”
staat aan het recht op aftrek niet in de weg dat die twee vennoten opdracht hebben gegeventot het doen uitvoeren van de aanpassingen met het oog op tijdelijke bewoning van een gedeelte van de loods,
dat de facturen op hun naam zijn gestelden
dat zij de aanpassingen hebben betaald, aangezien de aanpassingen, zoals hiervoor (…) is overwogen,
mede zouden worden gebruikt in de onderneming van de vennootschap onder firma(belanghebbende) (vgl. HR 5 januari 1983, nr. 20808, BNB 1983/76). (…)”
de vennotenvan een vennootschap die vóór de inschrijving en identificatie van die vennootschap voor btw-doeleinden, noodzakelijke investeringen hebben gedaan voor de toekomstige exploitatie van het onroerend goed door hun vennootschap,
kunnen worden beschouwd als belastingplichtigenen dus, in principe, recht op aftrek van de voorbelasting hebben.” [45]
aan de vennootschap ter verzekering van de neutraliteit van de belastingdruk de mogelijkheid moet worden geboden die investeringen in aanmerking te nemen voor de btw‑aftrek(zie in die zin arrest Faxworld [52] , reeds aangehaald, punt 42).”
Polski Trawertyn de btw kan aftrekken over de aankoop van het onroerend goed, daar die handeling is ondernomen met het oog op belaste handelingen van die vennootschap.”
verband houden met vrijgestelde handelingenof handelingen die niet binnen de werkingssfeer van de btw vallen, kan
er geen sprake zijn van heffing van belasting in een later stadium noch van aftrek van voorbelasting (…)” [56]
nieuwe vennootschap in laatstgenoemde situatie reeds opgerichttoen Malburg de clientèle overnam en, anders dan in de situatie die aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot het arrest Polski Trawertyn, was
geen sprake van inbreng van het investeringsgoed– zijnde in dit geval de clientèle – in die vennootschap. Tot slot is
het niet de nieuw opgerichte vennootschap die heeft verzocht om aftrek van de voorbelasting die een vennoot heeft betaaldin het kader van een handeling ter voorbereiding van de activiteit van die vennootschap.”
kosteloze terbeschikkingstelling van de clientèle, zoals de Duitse regering opmerkt, niet kan worden gelijkgesteld met andere naar nationaal recht in aanmerking komende juridische oplossingen, die volgens dat recht recht op aftrek zouden hebben gegeven, maar die Malburg zelf niet heeft gekozen.In tegenstelling tot de nationale wetgeving die aan de orde was in het geding dat heeft geleid tot het arrest Polski Trawertyn, dat de verzoekende partij de mogelijkheid ontzegde om zich te beroepen op het beginsel van fiscale neutraliteit, lijkt het zo te zijn dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling in beginsel niet in de weg staat aan de toepassing van het beginsel van fiscale neutraliteit in een situatie als die van het hoofdgeding die daardoor wordt gekenmerkt
dat de verzoekende partij andere opties ter beschikking stonden, wat de verwijzende rechter evenwel dient te verifiëren.”
niet de kopende matenzijn, maar (net als in het arrest Polski Trawertyn) het de
maatschapis, die aftrek claimt. Evenals in de zaak Malburg staat vast dat het investeringsgoed (gedeeltelijk) wordt gebruikt in de onderneming van de maatschap. In het midden latend of ingebruikgeving in het nationale (civiele) recht al dan niet als inbreng kan worden aangemerkt, is – net als in de zaak Malburg – sprake van een kosteloze terbeschikkingstelling door de maten aan de maatschap van een door de maten verkregen, doch (deels) voor het bedrijf gebruikt goed.
12.Omvang van de aftrek
kon belanghebbende (….) ervoor kiezen alle met betrekking tot de oplevering in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek te brengen. (….)”
– zoals in het hoofdgeding – het slechts voor het gedeelte waarvoor het daadwerkelijk voor zijn beroepsactiviteit wordt gebruikt, voor zijn onderneming te bestemmen.”
13.Ten overvloede 1: geen beroep op beleidsbesluit
1 Inleiding
én de betrokken maat ter zake geen vergoeding ontvangtin de zin van de Wet. Dit volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 5 januari 1983, nr. 20 808 (BNB 1983/76), bezien in samenhang met het arrest van het Hof van Justitie van 27 januari 2000, C-23/98 (Heerma; BNB 2000/297). (…)”
indien en voor zoverhet goed (het pand) wordt gebruikt voor belaste handelingen, terwijl belanghebbende een volledig recht op aftrek wenst te effectueren. Hoe dit ook zij, nu op het besluit geen beroep is gedaan, laat ik een bespreking daarvan achterwege. [74]
Ten overvloede 2: Vergelijking inkomstenbelasting: verplicht ondernemingsvermogen, verplicht privévermogen en keuzevermogen
afhankelijk is van den wil van den belastingplichtige, zoals deze in zijn boekhouding of anderszins tot uitdrukking komt, en de belastingplichtige daarbij
vrij is, echter
binnen de grenzen der redelijkheid;”
verplicht privévermogenen worden voor- en nadelen die verband houden met dit goed niet meegenomen bij de berekening van de winst van de belastingplichtige/ondernemer. [82] Wordt een goed daarentegen enkel voor de onderneming gebruikt, dan is sprake van
verplicht ondernemingsvermogen. [83] In andere gevallen heeft de ondernemer de keuze om een goed al dan niet tot zijn ondernemingsvermogen te rekenen. Er wordt dan gesproken van ‘
keuzevermogen’. Meestal gaat het daarbij om goederen die gemengd worden gebruikt.
tenzij hij ten tijde van de verkrijging daarvan de bedoeling had de grond te zijner tijd ten behoeve van de onderneming te gebruiken. (…)”
buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen.Ik verwijs naar het arrest van de Hoge Raad van 20 januari 1954, nr. 11577, ECLI:NL:HR:1954:AY2429, BNB 1955/154. In deze zaak oordeelde de Hoge Raad (met mijn cursivering):
behalve hun aandeel in het vennootschappelijk vermogen, ook goederen behoren, die wel voor het bedrijf worden gebezigd, doch waarvan de eigendom niet in de vennootschap is ingebracht;”
om voor meer dan 10 percent (van de inhoud) te worden gebruikt ten behoeve van de onderneming.
gebruiktvoor de onderneming (van de maatschap). Dit is een cruciaal verschil dat tot gevolg heeft dat voor de heffing van inkomstenbelasting het pand wel volledig kan kwalificeren als ondernemingsvermogen
van de vennoten. Voor de omzetbelasting ligt dat anders:
de vennoten– die met het pand geen economische activiteit verrichten [87] – gebruiken het pand niet voor (belaste) bedrijfsdoeleinden, en kunnen het pand derhalve naar het zich laat aanzien niet ‘zakelijk’ etiketteren, terwijl – nu het pand slechts (gedeeltelijk) ten gebruike van de maatschap staat – ook de
maatschaphet pand mijns inziens niet zakelijk kan etiketteren, en het nog maar de (prejudiciële) vraag is of en in hoeverre de maatschap toch recht heeft op aftrek.