Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof op onbegrijpelijke wijze heeft vastgesteld dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, aangezien uit de gebezigde bewijsmiddelen naar voren komt dat de betrokkene geen daadwerkelijk voordeel heeft genoten. Het
tweede middelbevat de klacht dat het oordeel van het hof dat is gebleken dat de betrokkene uit het bewezen verklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten, onbegrijpelijk is in het licht van de bewezenverklaring in de onderliggende strafzaak. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
(i) Het arrest van het hof van 14 december 2015, waarbij de betrokkene ter zake van “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod” is veroordeeld tot een taakstraf.
derde middelbehelst de klacht dat het hof niet met redenen omkleed heeft beslist op het draagkrachtverweer van de verdediging en het daaraan gekoppelde verzoek om de op te leggen betalingsverplichting lager vast te stellen dan het geschatte voordeel.