Conclusie
New Hairstyle-beschikking.
1.Feiten
2.Procesverloop
in het principaal hoger beroepde beschikking van de kantonrechter, voor zover Zinzia daarin is veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 70.000,- bruto, vernietigd en, in zoverre opnieuw beschikkende, Zinzia veroordeeld tot betaling van een lagere billijke vergoeding van € 25.000,- bruto. Daarbij heeft het hof [verzoekster] veroordeeld tot terugbetaling van het verschil, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 juli 2016 tot de dag van terugbetaling. Het hof heeft het principale hoger beroep voor het overige verworpen en Zinzia veroordeeld in de proceskosten. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen.
In het incidenteel hoger beroepheeft het hof het verzoek van [verzoekster] afgewezen en [verzoekster] veroordeeld in de proceskosten.
- het [verzoekster] verwijten van disfunctioneren zonder voorafgaand functioneringsgesprek en zonder voldoende informatie-uitwisseling over, dan wel onderzoek naar, gegrondheid van klachten, waarbij meteen de ‘ontslagoptie’ op tafel kwam te liggen;
- het ten onrechte beschuldigen van [verzoekster] van een aantekening in het BIG-register en het verzwijgen daarvan;
- het op non-actief stellen van [verzoekster] en het opleggen van een contactverbod met collega’s zonder haar eerst deugdelijk te horen; en
- het, na het voorgaande, voorleggen van een onvolkomen verbeterplan waarbij de sfeer, waarin uitvoering moet plaatsvinden, is getoonzet met woorden als dat [verzoekster] ‘aangeschoten wild’ was, dat ‘[haar] naam op tafel’ ligt en dat ‘het vergrootglas’ op haar functioneren ligt. (vgl. rov. 5.2-5.9).
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
Onderdeel 1is gericht tegen rov. 5.10 waarin het hof oordeelt dat een billijke vergoeding van € 25.000,- redelijk is en dat de kantonrechter dus een te hoog bedrag (€ 70.000,-) heeft toegewezen. Het onderdeel neemt tot uitgangspunt dat het hof in rov. 5.3 tot en met 5.8 tot het oordeel is gekomen dat Zinzia ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en – hierop voortbouwend – bij zijn oordeel over (de hoogte van) de billijke vergoeding in rov. 5.10 onder meer tot uitgangspunt heeft genomen dat [verzoekster] als werknemer door Zinzia “
bijzonder onheus [is] behandeld”, dat zij “
in haar beroepseer [is] geschaad” en dat “
haar professionele optreden als arts ter discussie [is] gesteld zonder dat behoorlijk aan hoor en wederhoor is voldaan”. In het licht van deze door het hof aangenomen uitgangspunten wordt geklaagd dat zonder nadere motivering, die geheel ontbreekt, niet is in te zien waarom dit bedrag zó aanzienlijk naar beneden moet worden bijgesteld. Gesteld wordt dat het hof als motivering slechts vermeldt dat het bedrag dat door de kantonrechter is toegewezen “
dus, naar het oordeel van het hof” te hoog is (rov. 5.10) en dat voor een hoger bedrag van € 25.000,- bruto “geen reden” is (rov. 5.11). Het onderdeel betoogt dat het hof door aldus te oordelen in het geheel niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe het tot zijn oordeel over (de hoogte van) de toe te kennen billijke vergoeding is gekomen, hetgeen het hof wel had behoren te doen. Dat het hof zijn oordeel nader had moeten motiveren geldt nog te meer, en in elk geval, nu de neerwaartse bijstelling van de billijke vergoeding leidt tot een zeer aanzienlijke terugbetalingsverplichting voor [verzoekster] , aldus het onderdeel.
omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen”. Wat hieronder wordt verstaan is in de parlementaire geschiedenis nauwelijks toegelicht. Wel is opgemerkt dat is aangesloten bij de formulering van art. 7:685 lid Pro 2 (oud) BW: [4]
Artikel 7:671c BW is het spiegelbeeld van artikel 7:671b BW en regelt wanneer de werknémer om ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan verzoeken. Dat is het geval als er omstandigheden zijn die – kort gezegd – een dringende reden opleveren of van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Hierbij is aangesloten bij de formulering van het huidige artikel 7:685, tweede lid, BW. De kantonrechter bepaalt dan wanneer de arbeidsovereenkomst eindigt. Ten aanzien van die eerste grond geldt dat het ontbindingsverzoek wegens een dringende reden niet onverwijld behoeft te worden ingediend. (…)” [5]
altijdkan opzeggen, zo blijkt uit de parlementaire geschiedenis: [7]
De verbinding met de lijst met ontslaggronden hoeft niet te worden gelegd wanneer de werknemer om ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzoekt. De werknemer kan de arbeidsovereenkomst immers altijd opzeggen, uiteraard tenzij het een tijdelijk contract betreft dat niet tussentijds opzegbaar is. Daarom is ook bepaald dat de werknemer de kantonrechter ook kan verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden om elke reden, mits er omstandigheden zijn die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.”
als er als gevolg van laakbaar gedrag van de werkgever een verstoorde arbeidsrelatie is ontstaan (bijvoorbeeld als gevolg van het niet willen ingaan op avances zijnerzijds) en de rechter concludeert dat er geen andere optie is dan ontslag;
als een werkgever discrimineert, de werknemer hiertegen bezwaar maakt, er een onwerkbare situatie ontstaat en niets anders rest dan ontslag;
als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat. Te denken is hierbij aan de situatie waarin de werkgever zijn re-integratieverplichtingen bij ziekte ernstig heeft veronachtzaamd;
de situatie waarin de werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren en ontslag langs die weg te realiseren;
de situatie waarin een werknemer arbeidsongeschikt is geworden (en uiteindelijk wordt ontslagen) als gevolg van verwijtbaar onvoldoende zorg van de werkgever voor de arbeidsomstandigheden.
werkgever, kan een aantal van deze situaties zich ook voordoen in de context van een ontbinding op verzoek van de
werknemer.
Tot slot wordt geregeld dat hoger beroep en cassatie tegen een op verzoek van de werknemer toegewezen ontbinding uitsluitend betrekking kunnen hebben op de daarbij eventueel door de rechter in eerste aanleg toegekende billijke vergoeding. In dat geval kan de arbeidsovereenkomst dus niet worden hersteld. Daarvoor is gekozen omdat de werknemer zelf, na een ontbinding op zijn verzoek, geen herstel van die arbeidsovereenkomst zal wensen. De reden van de ontbinding is immers gelegen in omstandigheden die een einde van de arbeidsovereenkomst vereisten. Bovendien zal de werknemer, na de ontbinding op zijn verzoek, reeds op zoek zijn gegaan naar een nieuwe baan.”
Ernstig verwijtbaar handelen of nalaten in de Wwz”. [15] Het onderzoek draait om de vraag hoe in de praktijk toepassing wordt gegeven aan het criterium ‘ernstig verwijtbaar handelen of nalaten’. Om die reden wordt geen aandacht besteed aan de billijke vergoeding die kan worden toegekend in plaats van vernietiging van de opzegging (art. 7:681 lid 1 BW Pro) of herstel van de arbeidsovereenkomst in hoger beroep (art. 7:683 lid 3 BW Pro); in die gevallen hoeft de rechter immers niet te beoordelen of sprake is van ernstige verwijtbaarheid. [16] Uit het rapport blijkt dat in de rechtspraak terughoudend wordt omgegaan met het oordeel dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. [17] Er is dus een hoge drempel voor toewijzing van de billijke vergoeding, waarmee inderdaad sprake is van het ‘muizengaatje’, dat de regering voor ogen had. [18]
New Hairstyle-beschikking van 30 juni 2017 heeft de Hoge Raad een richtinggevende beslissing gegeven over de wijze waarop de billijke vergoeding dient te worden begroot. In deze zaak ging het om de billijke vergoeding van art. 7:681 lid Pro 1, aanhef en onder a, BW. In dat artikel is bepaald dat de rechter op verzoek van de werknemer de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever kan vernietigen, of op zijn verzoek aan hem ten laste van de werkgever een billijke vergoeding kan toekennen, indien de werkgever de arbeidsovereenkomst in strijd met de regels van art. 7:671 BW Pro heeft opgezegd. In de
New Hairstyle-beschikking heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:
New Hairstyle-beschikking blijkt dat het bij de begroting van de billijke vergoeding van art. 7:681 lid Pro 1, aanhef en sub a, BW uiteindelijk erom gaat dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever (rov. 3.4.5). Daarbij kan rekening worden gehouden met de gevolgen van het ontslag, voor zover deze gevolgen zijn toe te rekenen aan het aan de werkgever van het ontslag te maken verwijt (rov. 3.4.3). Concreet betekent dit dat de volgende gezichtspunten van belang kunnen zijn bij de begroting van de billijke vergoeding van art. 7:681 lid Pro 1, aanhef en sub a, BW (rov. 3.4.4 en 3.4.5):
New Hairstyle-beschikking over de aard van de vergoeding – en dan met name het meewegen van de gevolgen van het ontslag – ook gelden voor de billijke vergoeding waarom het gaat in de onderhavige zaak, die van art. 7:671c lid 2, aanhef en onder b BW (en art. 7:671c lid 3 onder b BW).
New Hairstyle-beschikking is af te leiden dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Nu er vanuit moet worden gegaan dat de overwegingen 3.4.1-3.4.3 op de billijke vergoeding in het algemeen zien, [21] zijn deze overwegingen ook relevant voor de billijke vergoeding bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst, uiteraard mits sprake is van de situatie dat ‘
van de werkgever van het ontslag als zodanig een ernstig verwijt kan worden gemaakt’ (rov. 3.4.3). Nu aan die voorwaarde is voldaan als toepassing wordt gegeven aan art. 7:671c lid 2, aanhef en onder b, BW – ernstige verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever is daar immers een vereiste –, geldt ook voor deze billijke vergoeding dat bij het bepalen van de omvang daarvan rekening kan worden gehouden met de gevolgen van het ontslag, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het de werkgever te maken verwijt.
New Hairstyleook relevant zijn voor de billijke vergoeding in ontbindingssituaties. Zo schrijft Verhulp schrijft in zijn noot in de NJ (mijn onderstrepingen): [22]
Waarin de werkgever door zijn ernstige verwijtbaar handelen een redelijke grond voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst creëert en de werkgever of de werknemer deswege ontbinding vraagt en de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd, en anderzijds de gevallen
waarin de werkgever de arbeidsovereenkomst vernietigbaar opzegt en de werknemer er voor kiest in de opzegging te berusten maar een billijke vergoeding wenst.
New Hairstyle-criteria): [24]
Tot slot ben ik voorstander van reflexwerking van Hairstyle in ontbindingsprocedures. Ook in die procedures is een handvat nodig en bovendien verschillen ontbinding en onrechtmatig ontslag niet wezenlijk van elkaar in die zin dat in beide soorten zaken ernstige verwijtbaarheid is vereist voor het recht op de billijke vergoeding. Dat in art. 7:681-zaken de verwijtbaarheid als het ware gegeven is met het schenden van de ontslagvoorschriften, terwijl dat bij een ontbinding anders ligt, hoeft niet te betekenen dat de vergoeding niet op dezelfde wijze begroot kan worden.”
In rechtsoverweging 3.4.4 heeft de Hoge Raad wel een verbinding gelegd tussen het meenemen van de gevolgen bij het bepalen van de hoogte van het ontslag en artikel 7:681 BW Pro. De Hoge Raad overwoog daarin namelijk dat de gevolgen van een vernietigbaar ontslag, voor zover deze zijn toe te rekenen aan de werkgever op grond van het hem te maken verwijt, niet geacht kunnen worden in alle gevallen reeds volledig te zijn gecompenseerd door een eventuele transitievergoeding.Dit uitgangspunt, dus dat de transitievergoeding niet altijd alle gevolgen van het ontslag voldoende ondervangt, is wat ons betreft ruimer te trekken. Het zwaartepunt van dit uitgangspunt ligt immers niet op de aard van het ontslag (vernietigbaar of niet), maar op de omstandigheid dat de gevolgen van het verwijtbaar handelen of nalaten niet in alle gevallen geacht kan worden volledig gecompenseerd te zijn door de transitievergoeding.
New Hairstyle-gezichtspunten (zie onder 3.13). Dat geldt in ieder geval voor de gezichtspunten:
New Hairstyle-beschikking betrekking had) een alternatief is voor vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst. Bij de billijke vergoeding in ontbindingssituaties is dit ‘alternatief voor herstel-perspectief’ niet aan de orde. Bovendien is het nogal lastig om te schatten wat de duur van de arbeidsovereenkomst zou zijn geweest, indien deze niet zou zijn ontbonden. [26]
New Hairstyletoegepast bij de begroting van de billijke vergoeding in bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst, hetzij op verzoek van de werkgever (art. 7:671b BW), hetzij op verzoek van de werknemer (art. 7:671c BW). [27] In sommige uitspraken wordt bij de begroting van de billijke vergoeding gekeken naar de verwachte duur van de arbeidsovereenkomst, indien de arbeidsovereenkomst niet zou zijn ontbonden, [28] terwijl in andere gevallen wordt gekeken naar de te verwachten werkloosheidsduur. [29] In de feitenrechtspraak is verder te zien dat overeenkomstige toepassing wordt gegeven aan het gezichtspunt ‘de mate van verwijtbaarheid’ van de werkgever, waarbij mede wordt betrokken in hoeverre sprake is van verwijtbaarheid of eigen schuld van de werknemer. [30] Ook de gezichtspunten of de werknemer inmiddels ander werk heeft gevonden, en zo ja, welke inkomsten hij daaruit dan geniet, of de werknemer (andere) inkomsten in redelijkheid in de toekomst kan verwerven, worden door feitenrechters toegepast. [31] Bij de begroting van de billijke vergoeding wordt bovendien de al dan niet aan de werknemer toekomende transitievergoeding betrokken. [32]
Ernstig verwijtbaar handelen of nalaten in de Wwz(zie onder 3.10) komt eveneens naar voren dat feitenrechters in ontbindingszaken de
New Hairstyle-gezichtspunten volgen. In het rapport staat daarover het volgende: [33]
In de periode 1 juli 2017- 1 oktober 2017 zijn zeven uitspraken gepubliceerd waarin de rechter een billijke vergoeding (anders dan op grond van art. 7:681 BW Pro) heeft toegekend. In al die uitspraken wordt de New Hairstyle-beschikking in meer of mindere mate gevolgd. In vijf gevallen wordt dat ook uitdrukkelijk benoemd en overweegt de rechter dat ook in andere zaken dan 7:681 BW de gezichtspunten van de Hoge Raad een rol spelen, zeker voor zover het gaat om het betrekken van de gevolgen van het ontslag bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding. In de uitspraken wordt ook gewezen op de motiveringsplicht. In alle uitspraken houdt de rechter rekening met de (mate van) verwijtbaarheid van de werkgever (en benoemt dat geen sprake is van een strafsanctie, geen punitief karakter onder verwijzing naar de New Hairstyle beschikking) en de gevolgen van het ontslag. Dat laatste uit zich in overwegingen over de verwachte duur van de arbeidsovereenkomst of de arbeidsmarktpositie. Twee keer wordt rekening gehouden met het feit dat ook recht op een transitievergoeding bestaat en één keer wordt smartengeld toegewezen vanwege de uitingen van de werkgever naar derden en de diffamerende schorsing (die onterecht was). In één geval wordt de financiële situatie van de werkgever betrokken bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding (als verlagende factor).
New Hairstyle-beschikking heeft gegeven voor de billijke vergoeding van art. 7:681 lid Pro 1, aanhef en onder a, BW. Ook deze billijke vergoeding strekt ter compensatie voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever als gevolg waarvan de arbeidsovereenkomst is beëindigd. Bovendien geldt ook hier dat de gevolgen van de ontbinding, voor zover deze zijn toe te rekenen aan de werkgever op grond van het hem te maken verwijt, niet geacht kunnen worden in alle gevallen reeds volledig te zijn gecompenseerd door een eventuele transitievergoeding. Hetzelfde geldt voor de billijke vergoeding bij ontbinding op verzoek van de werkgever, zoals geregeld in art. 7:671b lid 8, aanhef en onder c, BW en art. 7:671b lid 9, aanhef en onder b, BW.
Druijf/Bouwis geoordeeld dat de rechter bij zijn begroting dient te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, daaronder begrepen de maximaal toegekende bedragen, een en ander met in achtneming van de sinds de betreffende uitspraken opgetreden geldontwaarding. [37] In de literatuur is aangenomen dat ook met betrekking tot de motivering van de omvang van de immateriële schadevergoeding in cassatie slechts een beperkte toetsing mogelijk is. [38]
New Hairstyle-beschikking, genoemde omstandigheden te betrekken bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding. Wel geldt daarbij dat geen sprake mag zijn van een punitieve benadering, waarbij bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding (de draagkracht van) de werkgever centraal komt te staan.
New Hairstyle-beschikking dwingt niet alleen rechters, maar ook partijen om van tevoren na te denken over de wijze van begroting van de billijke vergoeding. Het ligt dan ook op de weg van partijen om de omvang van de verzochte billijke vergoeding zoveel mogelijk met concrete feiten en omstandigheden te onderbouwen. [39] Daarbij valt te denken aan het verschaffen van informatie over de te verwachten resterende duur van het dienstverband, de arbeidsmarktpositie van de werknemer en/of de te verwachten werkloosheidsduur. Zoals hierna onder 4.11 aan de orde komt, is het partijdebat van invloed op de omvang van de motiveringsplicht van de rechter.
4.Bespreking van de cassatieklachten
New Hairstyle-beschikking.
- [verzoekster] is 51 jaar en ruim 17 jaar in dienst bij Zinzia;
- Vanaf 2004 hebben er geen functionerings- of beoordelingsgesprekken plaatsgevonden, terwijl de ‘360 graden feedback’ een positief resultaat opleverde ten aanzien van het functioneren van [verzoekster] ;
- Er is geen enkele aanwijzing in het dossier dat Zinzia voor 2015 iets had aan te merken op het functioneren van [verzoekster] . Integendeel, uit het feit dat [verzoekster] al jarenlang bij Zinzia werkzaam was kan niet anders worden afgeleid dan dat Zinzia (in ieder geval tot 2015) tevreden was over het functioneren van [verzoekster] ;
- Voorts is er geen enkele aanwijzing in het dossier te vinden die er op duidt dat het einde van de arbeidsovereenkomst tussen partijen in zicht was.
- De verstoring van de arbeidsrelatie is het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen van Zinzia, kort samengevat, door [verzoekster] zonder enige vooraankondiging op 11 januari 2016 te confronteren met een groot aantal verwijten en daaraan direct de conclusie van ‘disfunctioneren’ te verbinden;
- Hoewel de transitievergoeding wordt geacht te voorzien in de bescherming van de werknemer tegen alle inkomensgevolgen van het ontslag, brengen de voorgaande omstandigheden mee dat bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding ook moet worden meegewogen dat [verzoekster] na beëindiging van het dienstverband mogelijk in aanmerking komt voor een uitkering, lager dan haar huidige inkomen;
- Het moet niet mogelijk zijn een verstoorde arbeidsrelatie te veroorzaken zonder een financiële compensatie van enige omvang verschuldigd te zijn.
- [verzoekster] is als werknemer bijzonder onheus behandeld. Door de beschuldiging van de aantekening in het BIG-register is zij in haar beroepseer geschaad, en haar professionele optreden als arts is ter discussie gesteld zonder dat behoorlijk aan hoor en wederhoor is voldaan;
- De toegekende transitievergoeding dient als forfaitaire vergoeding voor de (financiële) gevolgen van het ontslag;
- De transitievergoeding wordt niet beïnvloed door het feit dat [verzoekster] aansluitend elders werk heeft gevonden;
- De billijke vergoeding dient in dit geval als compensatie voor de immateriële schade die [verzoekster] heeft ondervonden door het ernstig verwijtbaar handelen van Zinzia;
- En als middel om Zinzia te wijzen op de noodzaak haar gedrag in eventuele volgende gevallen aan te passen.
gezichtspunt duit de
New Hairstyle-beschikking (zie onder 3.13). Op te merken is dat [verzoekster] geen informatie heeft verschaft over de inkomsten die zij uit haar nieuwe baan geniet. Ook heeft zij niets aangevoerd over eventuele andere materiële schade als gevolg van het ontslag.
als werknemer bijzonder onheus is behandeld”. Dit sluit aan bij
gezichtspunt buit de
New Hairstyle-beschikking. Ook de hoogte van de aan [verzoekster] toegekende transitievergoeding van € 45.408,- heeft het hof bij zijn beoordeling betrokken (
gezichtspunt fuit de
New Hairstyle-beschikking).
haar beroepseeris geschaad, en
haar professionele optreden als arts ter discussie is gesteldzonder dat behoorlijk aan hoor en wederhoor is voldaan. Gelet op het open karakter van de gezichtspunten uit
New Hairstyleen het daarin neergelegde uitgangspunt om bij de begroting van de billijke vergoeding steeds aan te sluiten bij de bijzondere omstandigheden van het geval (zie onder 3.24), kon het hof ook deze omstandigheden meewegen.
New Hairstyle-arrest (rov. 3.4.5), dat met de billijke vergoeding ook kan worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen om een arbeidsovereenkomst ernstig verwijtbaar te laten eindigen, omdat dit voor hen voordeliger is dan het op juiste wijze beëindigen van de arbeidsovereenkomst of het in stand houden daarvan. Uit de overweging kan niet worden afgeleid dat het hof, in strijd met
New Hairstyle, bij de begroting van de billijke vergoeding tot uitgangspunt heeft genomen welk bedrag voor de werkgever een punitief effect heeft.
alledoor partijen aangedragen stellingen in te gaan. [44]
New Hairstyle-beschikking. Aldus heeft het hof voldoende inzicht gegeven in de omstandigheden die tot de (lager vastgestelde) billijke vergoeding van € 25.000, - bruto hebben geleid. Daarbij verdient opmerking dat immateriële schade zich naar zijn aard moeilijk laat kwantificeren en motiveren. De motivering van de omvang van immateriële schadevergoeding is in cassatie bovendien slechts beperkt toetsbaar (zie hiervoor onder 3.22).
Ernstig verwijtbaar handelen of nalaten in de Wwzhet volgende is opgemerkt over de hoogte van de billijke vergoedingen die in de feitenrechtspraak worden toegekend (in ontbindingsituaties): [49]
De toegekende billijke vergoedingen variëren in hoogte tussen € 1.000 en € 125.000. De gemiddelde hoogte van de 74 toegewezen billijke vergoedingen bedraagt € 29.317. Daar waar het maandsalaris uit de uitspraak volgt, is berekend hoe de billijke vergoeding zich verhoudt tot dat maandsalaris: gemiddeld komt een billijke vergoeding met 8,4 maandsalarissen. In de gevallen waarin uit de uitspraak blijkt hoe hoog de transitievergoeding is, is uitgerekend hoe die zich verhoudt tot de toegekende billijke vergoeding: gemiddeld 2,3 keer de transitievergoeding.”
terugwerkende kracht. De terugbetalingsverplichting van [verzoekster] is ontstaan doordat het hof gelet op de omstandigheden van het geval –
ex nuncbeoordeeld – tot een ander oordeel is gekomen over de hoogte van de eenmalig door de werkgever verschuldigde billijke vergoeding. Vanaf de datum van de beschikking van de kantonrechter had [verzoekster] rekening moeten houden met de mogelijkheid dat Zinzia appel zou instellen en dat het hof de billijke vergoeding lager zou begroten (of zelfs in het geheel niet zou toekennen). [52] Dit geldt temeer nu Zinzia [verzoekster] kort na de beschikking van de kantonrechter heeft bericht dat zij slechts “onder protest” de toegewezen vergoedingen zou betalen, dat zij zich beraadde op appel en dat zij bij een voor haar gunstiger uitspraak in hoger beroep het teveel betaalde zou terugvorderen. [53] In de laatste plaats is in het verweerschrift in cassatie punt 19 terecht opgemerkt dat het in zaken als de onderhavige veeleer voor de hand ligt om een parallel te trekken met de rechtspraak over de schadevergoeding bij kennelijk onredelijk ontslag op grond van het tot 1 juli 2015 geldende art. 7:681 BW Pro (oud). Ook in zaken betreffende kennelijk onredelijk ontslag bestond de mogelijkheid dat de appelrechter tot het oordeel kwam dat een aanzienlijk lagere vergoeding moest worden toegekend. Dat een dergelijk oordeel, vanwege de voor werknemer ontstane terugbetalingsverplichting, gepaard ging met een verzwaarde motiveringsplicht, is door de Hoge Raad echter nimmer aangenomen.
onderdeel 1.
Onderdeel 2, dat uitsluitend voortbouwklachten bevat, behoeft geen bespreking.