Conclusie
Het cassatieberoep
Feiten en omstandigheden
Bespreking van de middelen
eerste middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de politie gegevens kon opvragen op basis van het convenant en dat dit geen strijd oplevert met het bepaalde in art. 126nd Sv, zodat geen sprake is van een vormverzuim.
Het debat over bewijsuitsluiting in hoger beroep
Relevante regelgeving en achtergronden
NJ2012/660 kwam de verhouding tussen het vorderen van gegevens op basis van art. 126nd Sv en het vorderen van gegevens op basis van in andere wetgeving opgenomen bevoegdheden aan de orde. De politie had bij de gemeente Amsterdam een zogeheten “kopie aanvraag reisdocument” opgevraagd met het kennelijke doel een pasfoto van de verdachte te verkrijgen. In cassatie werd geklaagd over het oordeel van het hof dat voor het opvragen van een pasfoto van de verdachte geen vordering als bedoeld in art. 126nf Sv was vereist. De Hoge Raad oordeelde dat het opsporingsambtenaren in het licht van art. 59 Paspoortwet Pro, in verbinding met de artikelen 72 en 73 Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001, vrijstaat zich de bedoelde gegevens te doen verstrekken voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor de opsporing van strafbare feiten in het kader van het onderzoek waarmee zij zijn belast. Het gestelde in art. 126nf Sv ten aanzien van de zogenoemde gevoelige gegevens doet volgens de Hoge Raad niet af aan de toelaatbaarheid van de verstrekking van die gegevens door de daartoe bevoegde autoriteiten op grond van deze krachtens de Paspoortwet in het leven geroepen regeling. In hetzelfde arrest oordeelde de Hoge Raad dat moet worden geoordeeld dat de politie met voorbijgaan aan het bepaalde in art. 126nd Sv het CJIB kon bevragen. Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking dat het Centraal Justitieel Incassobureau als dienstonderdeel van het Ministerie van Veiligheid en Justitie tevens is belast met de ondersteuning van het openbaar ministerie bij de inning van administratieve sancties. De Hoge Raad overwoog in dat verband dat het de wetgever weliswaar kennelijk in de eerste plaats voor ogen stond om door middel van art. 126nd Sv met waarborgen te omkleden wanneer burgers worden verplicht gegevens over andere burgers te verstrekken, maar dat dit niet afdoet aan de mogelijkheid om - indien nodig - krachtens art. 126nd Sv bij overheidsorganen opgeslagen of vastgelegde gegevens te vorderen.
NJ1998/481 ging het om de uitoefening van controlebevoegdheden overeenkomstig de Wet inzake de douane bij een redelijk vermoeden dat art. 2, eerste lid, onder A van de Opiumwet was overtreden. In
NJ1989/390 betrof het de uitoefening van controlebevoegdheden op grond van art. 49, eerste lid, AWR in geval van verdenking van het onjuist of onvolledig doen van belastingaangifte.
NJ2018/296 m.nt. Kooijmans was sprake van een door opsporingsambtenaren zonder toestemming van de bestuurder uitgevoerd onderzoek van de auto waarin zich ook de verdachte bevond. Bij dit onderzoek werd een tas met een schroevendraaier aangetroffen, waarna de verdachte werd aangehouden. De Hoge Raad leidt uit de vaststellingen van het hof af dat dit onderzoek had plaatsgevonden in verband met eerdere woninginbraken en kan worden aangemerkt als opsporing als bedoeld in art. 132a Sv, te weten onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen. In cassatie werd geklaagd over de verwerping door het hof van het verweer dat sprake was van een vormverzuim dat zou dienen te leiden tot bewijsuitsluiting. De Hoge Raad stelde vast dat het hof kennelijk had geoordeeld dat de opsporingsambtenaren als toezichthouder op de voet van art. 5:11, in verbinding met art. 5:15 en Pro/of 5:19 Awb (in samenhang met art. 2:44, eerste lid, APV Zwijndrecht) bevoegd waren het voertuig (en de lading) te onderzoeken en dat dit oordeel getuigde van een onjuiste rechtsopvatting. Daarbij wees de Hoge Raad erop dat uit art. 1:6, aanhef en onder a, Awb blijkt dat de hoofdstukken 2 tot en met 8 en 10 van die wet niet van toepassing zijn op de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Eén en ander bracht met zich – aldus de Hoge Raad – dat de artikelen 5:15 en 5:19 Awb geen grondslag bieden voor het toepassen van de in die bepalingen neergelegde bevoegdheden van een toezichthouder tot - kort gezegd - het betreden van plaatsen en het onderzoeken van voertuigen en hun lading indien die bevoegdheidsuitoefening in de concrete omstandigheden van het geval uitsluitend kan worden aangemerkt als opsporing in de zin van art. 132a Sv.
Beoordeling
tweede middelbevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.