Conclusie
primair dat de partneralimentatieverplichting van de man jegens de vrouw met ingang van heden op nihil wordt gesteld, althans een lager bedrag dan € 6.978,- bruto per maand en met ingang van een andere datum; en
NJ2016/125) geformuleerde maatstaf niet heeft aangelegd voor de bepaling van de behoefte van de dochter en de zoon. De vrouw heeft gesteld dat zij de (hogere) behoefte van de kinderen in de echtscheidingsprocedure voldoende heeft onderbouwd en aangetoond. [8]
2.Bespreking van het principale cassatiemiddel
Het onderdeel klaagt in de eerste plaats [19] dat de vaststelling van het hof in rov 5.5 dat de vrouw het verzoek namens de dochter heeft ingediend, zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is in het licht van de stukken. Volgens het hof is de uitleg van de gedingstukken weliswaar voorbehouden aan het hof als feitenrechter, maar dient het hof tenminste ambtshalve vast te stellen wie de (materiële en formele) procespartijen zijn, wie er in het geding zijn verschenen en wanneer, en wat de gevolgen daarvan zijn voor de rechtsstrijd in hoger beroep. Het hof heeft dat niet (kenbaar) gedaan en dat maakt volgens het onderdeel dat de beschikking onvoldoende inzicht geeft aan de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang om deze zowel voor partijen als derden controleerbaar en aanvaardbaar te maken.
In verband met deze klacht betoogt het onderdeel, samengevat, het volgende. De onderhavige procedure bestaat uit twee procedures tussen drie procespartijen: een met als materiële en formele procespartijen de vrouw en de man en die ziet op de grieven van de vrouw in principaal appel en de grieven van de man in incidenteel appel voor zover deze betrekking hebben op de partneralimentatie en de kinderalimentatie gedurende de minderjarigheid van de dochter (en de zoon), en een tussen de vader en de dochter die ziet op de grieven van de man in incidenteel appel voor zover deze betrekking hebben op de bijdrage jong-meerderjarige voor de dochter (en de zoon). De rechtbank heeft de bijdrage voor de dochter gewijzigd voor de periode waarin zij reeds meerderjarig was. De dochter was in eerste aanleg de materiële procespartij en haar moeder – op basis van een machtiging die de dochter aan haar had verstrekt – formele procespartij. De machtiging had een beperkte strekking en zag uitsluitend op de procedure in eerste aanleg. De vrouw heeft uitsluitend namens zichzelf (als materiële en formele procespartij) hoger beroep ingesteld. De man heeft verweer gevoerd en incidenteel appel ingesteld. Daarna is er een machtiging overgelegd waaruit blijkt dat de dochter haar moeder heeft gemachtigd om namens haar in hoger beroep verweer te voeren. Vervolgens wordt er niet kenbaar van deze machtiging gebruik gemaakt. Uit het verweerschrift in incidenteel appel van de vrouw blijkt op geen enkele wijze dat zij mede optreedt als gevolmachtigde van de meerderjarige dochter, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet het geval was. Dit mag immers niet lichtvaardig worden aangenomen. Het hof heeft de procespositie van de vrouw kennelijk ook niet als zodanig opgevat blijkens de kop van de beschikking, waar geen melding wordt gemaakt van de dochter als materiële procespartij die zou worden vertegenwoordigd door haar moeder. Dat de vrouw geen gebruik heeft gemaakt van de machtiging blijkt voorts uit de brief van 15 maart 2019, waarin onder het kopje aanvullend verzoek wordt vermeld dat “de dochter” (en niet de vrouw namens de dochter) om een aanvullende bijdrage verzoekt, aldus het onderdeel.
periode vanaf datum indiening verzoekschrift tot echtscheiding, en op dat moment waren [de dochter] en [de zoon] dus (nog) minderjarig.
Ondergetekende:
Het hof heeft kennelijk het beroepschrift zo uitgelegd dat de vrouw – anders dan waar het verzoekschrift tot cassatie (onder 2.6) van uitgaat – mede namens de dochter hoger beroep heeft ingesteld.
Tot slot klaagt het onderdeel dat, indien zou moeten worden aangenomen dat voor de dochter wel de mogelijkheid open stond om een aanvullend verzoek in te dienen, het hof heeft miskend dat uit de tweeconclusieregel volgt dat de aan de oorspronkelijk eiser toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van eis in hoger beroep beperkt is in die zin dat hij in beginsel zijn eis slechts kan veranderen of vermeerderen niet later dan in het appelschrift of het verweerschrift. Op deze in beginsel strakke regel kunnen onder specifieke omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard. Uit de beschikking kan niet worden afgeleid dat het hof deze tweeconclusieregel heeft onderkend en toegepast, aldus het onderdeel, en voor zover de beslissing van het hof aldus begrepen zou moeten worden dat het hof van oordeel is geweest dat een van de uitzonderingen van toepassing was, geeft de beschikking onvoldoende inzicht in de gedachtegang van het hof.
Voor zover de klachten van het tweede gedeelte van onderdeel 1 niet reeds afstuiten op het rechtsmiddelenverbod van art. 130 lid 2 Rv Pro [49] , falen deze dan ook.
behoeftigop de enkele grond dat het (met goedvinden van de ouders) studeert. [59]
Wortmann [77] nog niet volkomen zeker dat een meerderjarige, wiens vader hem toen hij nog minderjarig was een studie liet beginnen die in redelijkheid nog niet voltooid kon zijn op het ogenblik dat de student 21 jaar wordt, geen enkele aanspraak tegen de vader kan laten gelden, wanneer deze zonder meer ophoudt te betalen. Volgens haar is de hiervoor onder 2.36 genoemde uitspraak van het hof Amsterdam van 18 januari 1996 een verstrekkende uitspraak. In het Handboek Scheiding [78] wordt opgemerkt dat de omstandigheden van het geval tot de conclusie kunnen voeren dat tussen het (stief)kind en de ouder of stiefouder een zodanige rechtsbetrekking bestaat, dat de bijdrageplicht na het bereiken van de leeftijd van 21 blijft voortbestaan, dat een ouder die een 18-jarig kind stimuleert een vierjarige studie aan te vangen, de betalingen wellicht niet zal kunnen stopzetten nadat het kind drie jaren nijvere studie achter de rug heeft, dat men hier een overeenkomst kan ontwaren waarvan nakoming kan worden gevorderd en dat veelal sowieso sprake is van een natuurlijke verbintenis om de financiering van het studieleven voort te zetten.
productie 54(…))
maar zij studeert nog tot en met december 2019. (...)”.
Mijns inziens is het uitlegoordeel van het hof, dat de man van mening is dat hij de dochter evenals zijn zonen ook na haar 20e jaar een onderhoudsbijdrage verschuldigd is, maar, kort gezegd, deze in de praktijk niet betaalt vanwege zijn beroep op compensatie, gelet op het voorgaande niet onbegrijpelijk.
Draagkracht vrouw voor kinderalimentatie (grief 3 in incidenteel appel)
(…)
Dit levert een netto besteedbaar inkomen op in de periode van 1 juli 2018 tot 1 januari 2019 van € 1.881,- per maand en met ingang van 1 januari 2019 van € 2.803,- per maand, zoals blijkt uit de aan deze beschikking gehechte en daarvan deel uitmakende berekeningen.
Verder klaagt het subonderdeel dat de beslissing evenmin voldoende inzicht geeft in de gedachtegang waar het gaat om het interen op vermogen. Het hof oordeelt, aldus het subonderdeel, dat dit redelijkerwijs niet van de vrouw mag worden verwacht nu zijn geen pensioen heeft en klaagt dat dit onbegrijpelijk is in het licht van het partijdebat, waar van de zijde van de man is aangegeven dat de vrouw recht heeft op een deel van zijn pensioen. [111] Tot slot klaagt het subonderdeel dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet begrijpelijk is dat het hof “kennelijk van oordeel is dat het hof waarde toekent aan sparen”, nu vaststaat dat de vrouw over een vermogen van een miljoen beschikt.
De bestreden overweging aan het slot van rov. 5.10.3 vormt hiervan de pendant. Daar heeft het hof immers overwogen dat geen rekening wordt gehouden met rendement uit vermogen dan wel interen op vermogen. Nu bij het vaststellen van de behoefte van de vrouw geen rekening is gehouden met bedragen voor oudedagsvoorziening en sparen omdat de vrouw over een aanzienlijk vermogen kan beschikken, kan naar het oordeel van het hof in redelijkheid niet van de vrouw worden gevergd dat zij dit vermogen aanwendt om in haar behoefte te voorzien.
nettohuurinkomsten van de vrouw. Uit de enkele mededeling ter zitting dat de man “op dit moment € 2.362,- huur aan de vrouw per maand [betaalt]” hoefde het hof niet te begrijpen dat de man dat standpunt heeft gewijzigd in die zin dat volgens hem niet langer met de netto huurinkomsten, maar met het
brutohuurbedrag rekening moest worden gehouden. De hiervoor geciteerde passages in het proces-verbaal zijn m.i. veeleer te begrijpen in het kader van een gestelde huurverhoging. Dat het hof naar aanleiding van de hiervoor geciteerde passages niet het bruto huurbedrag op de aanvullende behoefte van de vrouw in mindering heeft gebracht, is gelet op het voorgaande daarom geenszins onbegrijpelijk te noemen.
Het hof is van oordeel dat, voor zover de bijdrage voor [de dochter] op een lager bedrag vastgesteld zou worden, niet van haar verlangd kan worden dat zij hetgeen zij te veel heeft ontvangen aan de man moet terugbetalen. Nu vast staat dat de man tot het moment waarop [de dochter] 21 is geworden, de opgelegde bijdragen heeft betaald, is het hof van oordeel dat er geen belang meer is bij een herbeoordeling van de behoefte aan de hand van de behoeftelijsten. Het hof sluit daarom aan bij de door de rechtbank vastgestelde behoefte.”
Het onderdeel klaagt verder dat het oordeel om de behoefte niet te berekenen ook tegenstrijdig is met het oordeel in rov. 5.2.2 [121] , waar het hof als volgt heeft overwogen:
nietkan worden aanvaard (en om die reden niet de behoefte van de dochter en daarmee de door de man te betalen onderhoudsbijdrage herbeoordeeld).
in overeenstemming met diens behoefte aan levensonderhoudreeds heeft uitgegeven. Terugvordering van te veel betaalde alimentatie wordt welwillender beschouwd als de besteding daarvan niet past binnen de (bij de nadere vaststelling van de alimentatie in aanmerking genomen) behoefte van de alimentatiegerechtigde. [124]
3.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
In de tweede plaats wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat de behoefte van de vrouw in dit geval niet toeneemt door het opleggen van de gebruiksvergoeding onbegrijpelijk is. De klacht wijst er daarbij op dat het hof de behoefte van de vrouw heeft bepaald op basis van concrete behoeftelijsten, waarbij geen rekening is gehouden met woonlasten in de vorm van huur of hypotheeklasten, omdat de vrouw die niet heeft. Het opleggen van een gebruiksvergoeding over de periode 9 juni 2016 tot 11 augustus 2017 betekent evenwel dat de vrouw in die periode wel extra woonlasten zal hebben, aldus de klacht.
M.i. slagen gelet op het voorgaande de tweede en derde subklacht van klacht 1.
klacht 3(in het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep onder 4.3.2), die ik daarom bij de bespreking van klacht 2 zal betrekken.
Tot slot wordt (in de derde subklacht [139] ) geklaagd dat eens te meer onbegrijpelijk is dat het hof op de behoefte van de vrouw huurinkomsten ad € 8.031,- per jaar in mindering brengt, nu de vrouw gemotiveerd heeft gesteld dat de verdeling nog niet vaststaat, en dus onduidelijk is of het Duitse pand aan haar zal blijven toebehoren [140] : in de verdelingsprocedure is, kort weergegeven, door de rechtbank het pand aan de man toebedeeld en is in hoger beroep onderdeel van de rechtsstrijd of het pand in de Nederlandse huwelijksgoederengemeenschap valt.
Althans is het hof volgens de klacht buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden door bij het vaststellen van de aanvullende behoefte van de vrouw vanaf 1 januari 2017 niet te indexeren. De klacht wijst er daarbij allereerst op dat de rechtbank in rov. 2.3 van haar eindbeschikking als volgt heeft overwogen: