Conclusie
Nummer19/05181
Het cassatieberoep
De zaak
De rol van de verdachte
De middelen
eerste middelhoudt in dat het hof ten onrechte heeft toegestaan dat personen het spreekrecht hebben uitgeoefend, terwijl zij niet kunnen worden aangemerkt als slachtoffers in de zin van art. 51e Sv.
raadsmanvraagt het woord en verklaart:
advocaat-generaalmr. Schepers verklaart:
raadsmanreageert:
NJ2016/335 overwogen dat de opvatting dat aan het vereiste dat een betrokken benadeelde rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit als bedoeld in art. 51f, eerste lid, Sv, uitsluitend is voldaan in die gevallen waarin deze benadeelde is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling rechtstreeks wordt beschermd, in haar algemeenheid onjuist is. Voor de beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen het bewezen verklaarde handelen van de verdachte en de door de benadeelde geleden schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden, zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend. De strekking van de strafbepaling waarop de bewezenverklaring is geënt, is dus niet maatgevend. [5] Aangenomen kan worden dat deze uitleg ook geldt voor de beoordeling of een persoon als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden als bedoeld in art. 51a, eerste lid, Sv. Daarbij komt het volgende. Art. 162 Sr Pro strekt tot bescherming van de veiligheid van lucht-, water-, en wegverkeer. Daarin ligt besloten dat de bepaling ook strekt tot bescherming van de individuele verkeersdeelnemers, in dit geval de inzittenden van de bussen. [6] Ook op die grond kan de klacht niet slagen.
tweede middelkomt op tegen de bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde en bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat van het medeplegen van het opzettelijk versperren van de openbare landweg A7, “gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten” was, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de inhoud en de reikwijdte van de strafbaarstelling van art. 162 Sr Pro en/of onbegrijpelijk is.
- het motorrijtuig welke verdachte bestuurde en/of in welke verdachte was gezeten, op de rijbaan en/of de vluchtstrook van die Rijksweg A7 doen en/of laten stilstaan en/of
- het motorrijtuig welke verdachte bestuurde en/of in welke verdachte was gezeten op die Rijksweg A7 verlaten en/of vervolgens
- zich als voetganger op die Rijksweg A7 begeven en
- als voetganger zich op die Rijksweg A7 voor en/of bij die autobussen en een of meer zich achter of bij die autobus(sen) bevindende en stilstaande motorrijtuigen gegroepeerd/verzameld en/of aldaar rondgelopen
- en zodoende die bestuurders en inzittenden van die autobussen en die een of meer zich achter en/of bij die autobussen bevindende motorrijtuigen gedwongen te stoppen en de vrije doorgang belet en/of belemmerd en/of verhinderd hun reis te vervolgen, waardoor die Rijksweg A7 voor het bestemde gebruik niet meer toegankelijk was en een file is ontstaan en zodoende die Rijksweg A7 voor enige, tijd versperd,
- terwijl daarvan gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten was.”
verjagen. Het hof neemt van de raadsman aan dat de oorspronkelijke Friese tekst inhoudende het woord ‘ferjeien’ vertaald had moeten worden met ‘verjagen’. Dit maakt het oordeel van het hof echter niet anders. Ook als wordt uitgegaan van de oorspronkelijke Friese tekst, houdt de oproep hoe dan ook een aanmoediging in om met het gebruik van voertuigen te voorkomen dat de demonstranten in Dokkum aankomen. Dát is de kern van de oproep.
NJ1980/300, m.nt. Van Veen dienovereenkomstig uit de tekst, rubricering en geschiedenis van die bepaling afgeleid dat in de zin van die bepaling aanmerkelijk gevaar voor de gezondheid te duchten was indien ten tijde van het ‘ongewoon voorval’ in redelijkheid moet worden geoordeeld dat een aanzienlijke kans bestaat dat het ‘ongewoon voorval’ tot aanmerkelijk gevaar als bedoeld in die bepaling zal leiden. In HR 8 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1368,
NJ2020/342 overwoog de Hoge Raad ten aanzien van art. 173b, onder 1°, Sr dat gevaar ook te duchten kan zijn geweest “in gevallen waarin niet of nog niet kon worden vastgesteld dat het gevaar zich ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt, maar waarin wel een reële kans bestond op die verwezenlijking.”
mendit op het ogenblik van de delictsgedraging ook kon voorzien. [23] Hij verzette zich evenwel tegen het voorstel van de Commissie van Rapporteurs om ook te verlangen dat het gevaar voor de verdachte voorzienbaar moet zijn geweest. Tijdens de behandeling van een door de Commissie van Rapporteurs voorgesteld amendement van die strekking, merkte de minister op:
ex post facto,als men alle omstandigheden kent, kunne zeggen: daar was van den aanvang af gevaar. Neen, er wordt geëischt dat er op het oogenblik van de daad, met de kennis welke men
toenhad, reeds gevaar te duchten was. Wanneer nu dat gevaar in het algemeen, door “men” te duchten was, laat het zich dan denken dat toch de dader dat gevaar niet had
moetenvoorzien?” [24]
NJ1966/395, m.nt. Pompe overwogen dat het uit de delictshandeling “voortvloeiend gevaar in het algemeen voorzienbaar moet zijn in verband met die handeling, doch niet ook in het bijzonder voor de dader voorzienbaar behoeft te zijn.” Volgens de huidige vaste rechtspraak van de Hoge Raad inzake – onder meer [25] – art. 157 Sr Pro moet om in rechte het te duchten gevaar als vaststaand te kunnen aannemen uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen volgen dat zodanig gevaar inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het gevaar ten tijde van de delictsgedraging naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. [26] De omstandigheid dat de verdachte het gevaar
zelfwellicht niet heeft voorzien, is in dat verband niet van belang. [27]
concretegevaarzettingsdelicten moeten worden gekarakteriseerd. [35] Voor een op art. 162, aanhef en onder 1°, Sr toegesneden bewezenverklaring en kwalificatie is aldus vereist dat ten tijde van de delictsgedraging van die gedraging daadwerkelijk gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten was, hetgeen betekent dat het gevaar op dat moment naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was. De beantwoording van de vraag of dat het geval is, vindt plaats in het licht van de omstandigheden van het geval.
derde middelis gericht tegen de bewezenverklaring van het onder 2 primair ten laste gelegde medeplegen van het door geweld of bedreiging met geweld verhinderen van een geoorloofde betoging in de zin van art. 143 Sr Pro oplevert. Dat oordeel zou in het bijzonder wat de delictsbestanddelen “door (…) bedreiging met geweld” betreft, getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk zijn.
- nadat de Burgemeester van de gemeente Dongeradeel zakelijk weergegeven de stichting '[...]' had toegestaan, gedurende het evenement van de landelijke intocht van Sinterklaas in Dokkum, een (anti-zwarte Piet) betoging, te weten een dynamische demonstratie (demonstratiemars) en/of een statische demonstratie, te houden, en
- al dan niet na berichtgeving op Facebook betreffende een zogenoemd 'event', onder meer (zakelijk weergegeven) aangaande een oproep om massaal de wegen op te gaan om ze (de (anti-zwarte Piet) demonstranten) te vertragen/verhinderen, zodat de kinderen ongestoord een mooi Sinterklaasfeest in Dokkum konden vieren, en
- nadat de (anti-zwarte Piet) demonstranten van de stichting '[...]' zich in een of meer autobussen over de Rijksweg A7 nabij Oudehaske in de richting van Dokkum had(den) begeven op weg naar die geoorloofde betoging,
- als bestuurders en/of inzittenden van een groep motorrijtuigen zich op de Rijksweg A7 gegroepeerd/verzameld voor en/of achter en/of bij een of meerdere op die weg rijdende autobussen met (anti-zwarte Piet) demonstranten en vervolgens
- op die Rijksweg A7 nabij Oudehaske, geremd, en vervolgens dat motorrijtuig tot stilstand gebracht of
- als inzittende van een motorrijtuig zich doen en/of laten vervoeren naar de plaats op die Rijksweg A7 nabij Oudehaske alwaar werd geremd en vervolgens die groep motorrijtuigen tot stilstand kwam,
- ten gevolge waarvan bestuurders van die autobussen en een of meer andere op die Rijksweg A7 aanwezige bestuurder(s) van motorrijtuigen ter voorkoming van een aanrijding en/of botsing genoodzaakt werden (met) de door hen bestuurde motorrijtuig(en) te remmen en/of deze tot stilstand te brengen, en/of vervolgens nabij Oudehaske
- het motorrijtuig op de rijbaan en/of de vluchtstrook van die Rijksweg A7 doen of laten parkeren/staan en/of vervolgens
- het motorrijtuig op de Rijksweg A7 verlaten en
- zich als voetganger op die Rijksweg A7 begeven en
- als voetganger zich op die Rijksweg A7 voor en/of bij die autobussen en een of meer zich achter of bij die autobussen bevindende en stilstaande motorrijtuigen gegroepeerd/verzameld en/of aldaar rondgelopen
- en zodoende die inzittenden van die autobussen, te weten die (anti-zwarte Piet) demonstranten,
- de vrije doorgang heeft belet en/of belemmerd en
- enige tijd heeft verhinderd hun reis naar Dokkum te vervolgen en
- enige tijd heeft verhinderd dat werd gereden in de richting van de plaats hunner bestemming, te weten de geplande (anti-zwarte Piet)betoging te Dokkum, en
- heeft gedwongen te dulden dat zij voor enige tijd in een file terecht kwamen, en heeft bewerkstelligd dat die inzittenden van die autobussen zodanige vertraging ondervonden, zodat werd verhinderd dat zij de geplande en geoorloofde (anti-zwarte Piet) betoging in Dokkum (tijdig) konden bereiken, waardoor het recht om in Dokkum een betoging te houden niet kon worden verwezenlijkt,
- en bestaande die bedreiging met geweld uit het tezamen en in vereniging met anderen
- over de vluchtstrook inhalen van een of meer van die autobus(sen) met (anti-zwarte Piet) demonstranten en/of
- afremmen en/of snelheid minderen voor een of meer van die autobus(sen) met (anti-zwarte Piet) demonstranten en/of
- het tot stilstand brengen van die autobussen met (anti-zwarte Piet) demonstranten op die Rijksweg A7 en/of
- blokkeren van die Rijksweg A7, door meerdere motorrijtuigen op de rijbanen en vluchtstrook van die Rijksweg A7 te parkeren/plaatsen en/of
- zwaaien met de (gebalde) vuisten (richting de autobussen) en/of het omhoog houden van de/een arm(en), en/of
- slaan tegen een of meerdere autobus(sen).”
NJ2005/61 m.nt. Buruma en HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3717,
NJ2011/285. In beide zaken kwam de vraag op of de vrees voor fysieke aanranding redelijkerwijs ook het oplopen van zwaar lichamelijk letsel betrof. In de eerstgenoemde zaak ging het om een verdachte die zwaaiend met gebalde vuisten op een fietser afrende, daarbij schreeuwde dat zij moest opdonderen en zijn woorden kracht bijzette door – toen hij haar dicht genaderd was – slaande bewegingen in de richting van haar hoofd te maken. De Hoge Raad achtte het oordeel van het hof dat de gedragingen voldoende dreigend waren om bij het slachtoffer de redelijke vrees voor zwaar lichamelijk letsel te doen ontstaan niet onbegrijpelijk. In de tweede zaak, waarin de Hoge Raad op 14 juni 2011 uitspraak deed, liep de verdachte op het slachtoffer toe, kwam hij heel dichtbij het slachtoffer staan, hief hij zijn arm, en balde hij zijn vuist, waarbij hij riep: ‘Loslaten’. De Hoge Raad achtte in die zaak het oordeel van het hof dat de gedragingen en uitlating van de verdachte bedreiging met zware mishandeling opleveren niet begrijpelijk.
bedreigingmet het brengen in staat van bewusteloosheid of onmacht. [44] De wetsgeschiedenis biedt weinig houvast om tot een nadere omschrijving van het bestanddeel ‘geweld’ te komen. In de rechtspraak van de Hoge Raad is ‘geweld’ evenmin gedefinieerd. Lindenberg merkt op dat dit begrip in de rechtspraak in de regel wordt uitgelegd als een hardhandige gedraging.” [45] Andere auteurs gaan in hun definities uit van een – in beginsel – fysieke kracht die “van een niet al te geringe intensiteit” [46] is of die “met zo’n hevigheid geschiedt dat zij geëigend schijnt het in de betreffende bepaling beschermde rechtsgoed in gevaar te brengen” [47] .
vierde middelis gericht tegen de bewezenverklaring van feit 3 primair en komt op tegen het oordeel van het hof dat de bewezen verklaarde gedragingen het door bedreiging met geweld dwingen iets te doen, niet te doen en/of te dulden in de zin van art. 284 Sr Pro opleveren.
Oordeel hof
vijfde middelbevat de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen de feiten die zijn vermeld in de bewezenverklaringen van feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 primair heeft begaan, gelet op de in de rechtspraak van de Hoge Raad aan de kwalificatie medeplegen gestelde eisen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of niet begrijpelijk is.
FEIT 1 (primair)
verjagen. Het hof neemt van de raadsman aan dat de oorspronkelijke Friese tekst inhoudende het woord ‘ferjeien’ vertaald had moeten worden met ‘verjagen’. Dit maakt het oordeel van het hof echter niet anders. Ook als wordt uitgegaan van de oorspronkelijke Friese tekst, houdt de oproep hoe dan ook een aanmoediging in om met het gebruik van voertuigen te voorkomen dat de demonstranten in Dokkum aankomen. Dát is de kern van de oproep.