Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het eerste middel
Motivering:deze getuige heeft zich tegenover de politie beroepen op diens verschoningsrecht, onder meer ten aanzien van zijn ‘cultuur’ of iets over mijn familie’ (pag. 665 e.v.). Deze getuige dient onder meer te verklaren over diens familie en cultuur, onder meer over de in het dossier c.q. justitieonderzoek opgeworpen vraag of sprake was van eerwraak.
- [getuige 2] (…)
Motivering:deze getuige dient onder meer te verklaren over diens familie en cultuur, onder meer over de in het dossier c.q. justitieonderzoek opgeworpen vraag of sprake was van eerwraak. Voorts dient deze getuige onder meer te verklaren of hij na de aanhouding van appellant appellants auto heeft afgehaald, en zo ja, van waar.
(…)
- Prof dr. Maarten Martinus VAN BRUINESSEN (…)
Motivering:deze deskundige heeft algemene uitspraken gedaan over de Yezidigemeenschap in Nederland en dient op grond van het dossier en/of de (nadere) verklaringen van appellant dan wel nader onderzoek naar appellant specifiek te verklaren over deze zaak.”
Over de in het dossier gesuggereerde achtergronden
niettegen de afwijzing door het hof van het op de terechtzitting van 22 januari 2020 voorwaardelijk gedane verzoek om Van Bruinessen te horen.
In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het hof de afwijzing van de verzoeken bij tussenarrest van 25 januari 2019 onjuist, onbegrijpelijk en ontoereikend heeft gemotiveerd. Daartoe wordt aangevoerd dat de verdediging aan haar verzoeken ten grondslag heeft gelegd dat duidelijkheid moet worden verkregen over de vraag of sprake is van eerwraak. Die vraag is volgens de steller van het middel van evident belang voor de straftoemeting, hetgeen blijkt uit de strafmotivering van het hof waarin het hof de aanwijzingen dat sprake is van eergerelateerd geweld uitdrukkelijk noemt en in strafverzwarende zin meeweegt dat de slachtoffers nu en in de toekomst in angst en in onveiligheid verkeren vanwege de niet aflatende dreiging. In het licht hiervan en in aanmerking genomen hetgeen door de verdediging aan de verzoeken ten grondslag is gelegd, is de kale overweging van het hof dat 'onvoldoende onderbouwd' is waarom het horen van de getuigen van belang is voor enige door het hof te nemen beslissing onbegrijpelijk. Dat geldt ook voor “de blote stelling” van het hof dat “geen noodzaak tot het horen van voornoemde deskundige” bestaat.
onderhavige zaak;
3.Het tweede middel
1.2. Standpunt verdediging
(…)
(…)
- De ten laste gelegde voorbedachte raad kan niet worden bewezen. Tot het tijdstip 14:35:08 heeft cliënt [benadeelde 1] vast en met haar hoofd boven water gehouden, teruglopend naar het trapje. Daaruit blijkt dat cliënts intentie gericht was op het uit het water halen van [benadeelde 1] . In ieder geval is tot dan toe cliënts intentie niet gericht op het verdrinken van [benadeelde 1] . Na dit tijdstip kan niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van een moment van kalm beraad op een door hem genomen besluit om [benadeelde 1] te verdrinken. De gelegenheid tot beraad is hoogstens eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaan.
(…)
Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.
‘Geweldsincident op 23 april 2016
Bedreigingen via bankafschriften
Aanwezigheid van verdachte in de stationshal
[betrokkene 1] heeft in verband met een misdrijf waarvoor [verdachte] is aangehouden op 7 februari 2017 verklaard dat hij die dag bij het station naar de dönerzaak liep. Hij zag [verdachte] staan, ging naar hem toe en schudde zijn hand. [betrokkene 1] zei dat het koud was en nodigde hem mee naar binnen om thee te drinken. [verdachte] zei: “nee, ik ga zo weg”. [betrokkene 1] zag [verdachte] later nog een keer toen hij wegging en zei tegen hem: “Ga naar binnen je wordt ziek”.
In eerste instantie heeft verdachte verklaard dat hij een telefoon ging kopen van een vriend van wie hij de naam niet wil zeggen. Vervolgens heeft hij verklaard dat hij aan het wachten was om iets illegaals te kopen van een persoon van wie hij de naam niet wenst te noemen. Uit de camerabeelden blijkt niet dat verdachte van alles heeft gedaan in de stationshal, zoals door hem verklaard.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder ook gelet op:
4.Het derde middel
Oplegging van straf en/of maatregel
Verdachte heeft die dag urenlang gewacht op het moment dat [benadeelde 1] uit de rechtbank zou komen. Toen hij haar zag is hij vanuit de stationshal in Lelystad met een geladen vuurwapen op [benadeelde 1] en [benadeelde 2] af gerend. In eerste instantie heeft verdachte zich gericht tot [benadeelde 2] en een schot in zijn richting gelost. Vervolgens heeft verdachte zijn vuurwapen op [benadeelde 1] gericht, die in grote paniek over een hoge reling in het veel lager gelegen water is gedoken. Toen het haar gelukt was aan de overzijde van het water naar boven te klauteren, heeft verdachte [benadeelde 1] hoofdwaarts over die reling in het dieper gelegen water gegooid. Verdachte is [benadeelde 1] achterna gesprongen en heeft haar - na een korte worsteling - minutenlang onder water gehouden. Daarbij is verdachte zelfs op [benadeelde 1] gaan staan en heeft hij op en neer bewogen terwijl hij zich vasthield aan de trap. Op het moment dat de politie arriveerde stond verdachte nog in het water met vlak voor zich het drijvende lichaam van [benadeelde 1] . Op het moment dat verdachte zijn handen op bevel van de politie uit het water omhoog deed, kwam haar lichaam boven met haar gezicht voorover in het water.
is voor dood, bewusteloos, zonder voelbare of hoorbare hartslag en ademhaling, uit het water gehaald. Zonder de adequate hulp van de politie en hulpverleners had [benadeelde 1] de aanval van haar broer niet overleefd. De beelden van het gevecht dat [benadeelde 1] in het water tegen haar oudste broer heeft moeten leveren zijn buitengewoon schokkend.
Verdachte heeft door zijn handelen gepoogd het kostbaarste te ontnemen dat [benadeelde 1] en [benadeelde 2] bezitten, namelijk hun leven. Hij heeft hiermee geen enkel respect getoond voor het leven van beide slachtoffers. Daarnaast heeft verdachte door zijn handelen op zeer gewelddadige wijze een grove inbreuk gemaakt op de geestelijke en lichamelijke integriteit van [benadeelde 1] .
Naast de gevolgen voor de slachtoffers, benadrukt het hof dat de rechtsorde door dergelijke misdrijven ernstig wordt geschokt en versterkt dergelijk verwerpelijk gedrag gevoelens van angst en onveiligheid. Dit geldt temeer nu het bewezenverklaarde is begaan op klaarlichte dag op de openbare weg nabij het centraal station Lelystad, waardoor ook omstanders en voorbijgangers getuige zijn geweest van het geweld.
Tot slot wordt verdachte ook verweten dat hij een vuurwapen en drie scherpe patronen voorhanden heeft gehad. Verboden wapenbezit brengt voor de maatschappij onaanvaardbare veiligheidsrisico's met zich mee, welke risico's zich in de onderhavige zaak daadwerkelijk hebben geopenbaard.
Verdachte, die de feiten grotendeels ontkent, heeft ook in hoger beroep geen inzicht gegeven over het motief voor zijn handelen. Het dossier bevat evenwel sterke aanwijzingen dat sprake is geweest van eergerelateerd geweld. [benadeelde 1] en [benadeelde 2] hielden zich voor 7 februari 2017 al maanden schuil uit angst voor de familie van [benadeelde 1] . Doordat de oproep voor het verhoor was verzonden naar het ouderlijk huis van [benadeelde 1] wist de familie haar te traceren. Indien sprake is van eergerelateerd geweld zal [benadeelde 1] voor de rest van haar leven in angst en onveiligheid verkeren, zo volgt uit het dossier.
Ter zitting in hoger beroep hebben [benadeelde 1] en [benadeelde 2] het spreekrecht uitgeoefend. Uit hun verklaringen blijkt dat de gevolgen voor hen diepingrijpend en dagelijks voelbaar zijn. Het handelen van verdachte heeft een ongekende impact op hun leven nu en in de toekomst. Vanwege de niet aflatende dreiging leven de slachtoffers tot op de dag van vandaag in grote angst. Zij worden van overheidswege beschermd. Dit heeft als gevolg dat zij sterk worden beperkt in hun bewegingsvrijheid waardoor zelfs de normaalste zaken in het leven zoals vrienden bezoeken of boodschappen doen moeizaam gaat. [benadeelde 2] beschrijft hun leven als donker en stressvol. Door het handelen van verdachte is [benadeelde 1] veranderd in een kwetsbare jonge vrouw. [benadeelde 1] lijdt aan een ernstige vorm van PTSS, heeft dagelijks last van nachtmerries en paniekaanvallen. Daarnaast heeft [benadeelde 1] nog altijd lichamelijke klachten. Ook [benadeelde 2] ervaart veel angst en heeft nog altijd last van nachtmerries.
Al het voorgaande maakt dat een andere strafmodaliteit dan een langdurige gevangenisstraf niet aan de orde is.
Het hof heeft bij de straftoemeting ook in aanmerking genomen dat verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 20 december 2019 eenmaal eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens een geweldsdelict.
Alles afwegend is het hof – met de rechtbank en de advocaat-generaal – van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 jaren passend en geboden is. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf leidt de beperktere bewezenverklaring ten aanzien van feit 1 niet tot een matiging. Het hof heeft daarbij de brute doelgerichtheid waarop verdachte heeft geprobeerd zijn zusje van het leven te beroven en zijn opzet daarnaast [benadeelde 2] door hem te beschieten om het leven te brengen in aanmerking genomen. Een gevangenisstraf van 18 jaar is passend en geboden voor deze buitengewoon ernstige feiten.”
(…)
De verdachte verklaart:
De verdachte reageert:
5.Het vierde middel
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
Immateriële schade.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreekse immateriële schade heeft geleden.
Hiertoe overweegt het hof het volgende.
Art. 6:106 BW Pro geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten in geval van:
Van de onder b. 3) bedoelde aantasting in de persoon 'op andere wijze' kan ook sprake zijn indien de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde dit met zich meebrengen. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon 'op andere wijze' als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
Door en namens de benadeelde partij is aangevoerd dat door verdachte gericht op [benadeelde 2] is geschoten. Hij heeft voor zijn leven gerend. Het bewezenverklaarde heeft een ongekende impact op het leven van [benadeelde 2] nu en in de toekomst. De dreiging aan het adres van [benadeelde 1] geldt evenzeer voor [benadeelde 2] . Hij is met [benadeelde 1] voor de rest van zijn leven beperkt in zijn bewegingsvrijheid en mogelijkheden vanwege opgelegde restricties van allerlei aard van overheidswege vanuit het toegepaste persoonsbescherming op beiden. Daarnaast geldt dat [benadeelde 2] niet alleen een aanslag op zijn eigen leven heeft doorgemaakt, ook is hij ooggetuige geweest van de kille poging tot moord op zijn geliefde. [benadeelde 2] zegt ook gezien te hebben dat verdachte in het water op het lichaam van [benadeelde 1] heeft gestaan en dat haar lichaam uit het water werd gehaald en dat vervolgens werd gereanimeerd. Als gevolg van het handelen van verdachte kampt [benadeelde 2] met psychische klachten. Uit het rapport van psychiater/psychoanalyticus [betrokkene 3] volgt dat [benadeelde 2] een constante dreiging voelt, hij slecht slaapt en heeft nachtmerries heeft. [benadeelde 2] is geshockeerd door het schietincident en lijdt sterk onder de impact en dreiging van eerwraak, zowel door grote inperking van de bewegingsvrijheid als door zorg om het leven van zichzelf en zijn dierbaren.
Het hof is op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat - mede gelet op de aard en ernst van de normschending en de omstandigheden waaronder die werd gepleegd en de diepingrijpende consequenties die zij tot gevolg hebben - sprake is van een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW Pro onder b. 3). Hierbij heeft het hof in het bijzonder gelet op de wijze waarop verdachte heeft geprobeerd het leven van [benadeelde 2] en meer in het bijzonder het leven van zijn vriendin te beëindigen terwijl zij zich gezamenlijk op straat bevonden toen verdachte hen aanviel. Die aanval van verdachte is zeer gewelddadig geweest. Vastgesteld wordt dat het onrechtmatige handelen van verdachte nadien zeer diep heeft ingegrepen in het leven van [benadeelde 2] . De impact op het dagelijks leven als gevolg van het handelen van verdachte is heel groot.
De hoogte van de immateriële schadevergoeding dient als overwogen naar billijkheid te worden vastgesteld, waarbij rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder de aard en de ernst van de aantasting in de persoon en de gevolgen daarvan voor de benadeelde. Het hof heeft daarbij ook gelet op uitspraken die door andere rechters zijn gedaan. Het hof acht alles afwegende een bedrag van € 10.000,- billijk. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige betasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.”
shockschadetoewijst aan [benadeelde 2] . De steller van het middel merkt daarbij overigens op dat deze shockschade geen verband kan houden met het onder 1 bewezenverklaarde feit, het feit waarvan het hof overweegt dat het tot rechtstreekse immateriële schade bij [benadeelde 2] heeft geleid. Dat aan de vereisten voor toewijzing van shockschade is voldaan, kan volgens de steller van het middel niet worden afgeleid uit het arrest van het hof. Weliswaar kan vergoeding van immateriële schade plaatsvinden als door het waarnemen van het tenlastegelegde of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het tenlastegelegde is gedood of gewond. [16] Maar voor vergoeding is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. [17] Dat aan dat laatste vereiste is voldaan is door het hof niet vastgesteld en kan ook anderszins niet uit de stukken worden afgeleid. De enkele aanwezigheid van 'psychische klachten', bestaande uit een constante dreiging, slecht slapen en nachtmerries is daarvoor onvoldoende. De raadsman heeft daar in zijn pleidooi terecht op gewezen. Gelet hierop berust de (hoogte van de) toegewezen immateriële schadevergoeding volgens de steller van het middel op onjuiste, onbegrijpelijke en ontoereikende gronden.
6.Het vijfde middel
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
“nog altijd[leeft]
in grote angst. Zij leeft samen met haar partner in een beschermingsprogramma, waardoor haar dagelijks leven in zeer ernstige mate wordt belemmerd”,is bovendien niet juist en begrijpelijk gemotiveerd waarom het hof tot toewijzing van een bedrag van € 30.000,- komt. De verdachte is immers gedetineerd en vormt zodoende geen bedreiging (meer) voor [benadeelde 1] , noch rechtvaardigt dit dat zij in een beschermingsprogramma zit en aldus in haar dagelijkse leven wordt belemmerd. Voorts heeft de raadsman diverse rechterlijke uitspraken aangehaald die een (veel) lager bedrag aan toegewezen schadevergoeding inhouden, zodat evenmin begrijpelijk is wat het hof bedoelt met zijn opmerking dat het hof heeft gelet “op uitspraken die door andere rechters zijn gedaan”. In aanmerking genomen hetgeen de verdediging in dit verband heeft aangevoerd is de toewijzing van de vordering in dit opzicht volgens de steller van het middel niet juist en begrijpelijk gemotiveerd.
Rechtstreekse schade’ (art. 51f, eerste lid, Sv; art. 361, tweede lid aanhef en onder b, Sv)
- i) de benadeelde partij door de verdachte was mishandeld en haar schade bestond uit de reparatiekosten van de fiets die zij had laten vallen op het moment dat de verdachte op haar afkwam en haar mishandelde;
- ii) de benadeelde partij een vergoeding vorderde van het geld dat door een onbekend gebleven persoon is opgenomen nadat de verdachte de bankpas van de benadeelde partij had gestolen;
- iii) de benadeelde partij vergoeding vorderde van loon, gederfd door het opnemen van een vrije dag vanwege de door de verdachte in haar woning gepleegde inbraak;
- iv) de benadeelde partij vergoeding vorderde van schade die was ontstaan doordat de politie op zoek was naar (mede)daders van de door de verdachte gepleegde inbraak en daarbij schade toebracht aan een deur in de woning van de benadeelde partij.
- Schade
Beoordeling en beslissing rechter
‘refurbished’iPhones (van tussen de 109 en 279 euro), op grond waarvan is bepleit dat de gestelde waarde van 250 euro voor de iPhone 5 te hoog is ingeschat. Verzocht werd het bedrag te matigen naar 100 euro.
7.Het middel van de benadeelde partij
Als uitgangspunt heeft te gelden dat de proceskosten van de benadeelde partij worden vastgesteld overeenkomstig het toepasselijke liquidatietarief. Het hof ziet in deze zaak geen aanleiding om daarvan af te wijken. Dat de juridische begeleiding van de benadeelde partij vanwege de bijzondere aard van de zaak moeizamer is verlopen maakt dit niet anders.