Conclusie
Nummer20/02896 PC
Het cassatieberoep
De zaak
NJ2018/481 verworpen.
De middelen
eerste middelkomt met verschillende deelklachten op tegen het oordeel van het Gemeenschappelijk Hof dat de betrokkene door middel van of uit de baten van de in de strafzaak onder 1 bewezen verklaarde (passieve) ambtelijke omkoping wederrechtelijk voordeel heeft genoten tot het bedrag van de aangenomen giften.
1. Een belangrijk uitgangspunt bij de beoordeling van een ontnemingsvordering is dat de rechter in beginsel is gebonden aan het oordeel van de rechter in de strafzaak. Dat is slechts anders ingeval het betrekking heeft op de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat (HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6199, NJ 2006/370, HR 30 januari 2001, NJ 2001/219 en HR 8 juni 1999, NJ 1999/589). Dit betekent dat het Gerecht is gebonden aan hetgeen het Hof in de strafzaak heeft vastgesteld, behoudens voor zover het de vraag betreft of, en zo ja in hoeverre, sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel.
“Uit de bewijsmiddelen volgt dat een bedrijf van [betrokkene 1] (het Gerecht: [B] Ltd.) op 14 mei 2010 USD 140.000,00 en op 14 juni 2010 nog USD 73.422,00 heeft betaald op een bankrekening van de medeverdachte [betrokkene 2] . [betrokkene 1] wilde niet dat dit bekend werd.
Op 29 juni 2010 heeft [betrokkene 1] per e-mail twee documenten naar de verdachte gemaild. Het ene is een contract volgens welke hij zeggenschap zou krijgen in alle beslissingen betreffende de MFK, op straffe van het aanspraak kunnen maken op een betaling van USD 700.000,- op basis van een promissory note. Het andere is die promissory note zelf.
Op 12 september 2010 heeft [betrokkene 1] een e-mailbericht gestuurd, waarin hij vermeldt dat hij [betrokkene 3] geen goede kandidaat-minister vindt, en dat “wij” een nieuwe partij hebben.
Op 22 maart 2011 heeft de verdachte [betrokkene 1] bericht dat het voorstel voor de benoeming van [betrokkene 4] , die voor [betrokkene 1] werkte en de Hotelschool als hoogste genoten opleiding had, als voorzitter van de Raad van Commissarissen van de Centrale Bank van Curaçao zal worden aangenomen door de Raad van Ministers.
In de eerste helft van 2011 heeft de verdachte een brief aan een Italiaanse minister gestuurd, waarin hij vermeldt dat [betrokkene 1] binnenkort een prestigieuze en belangrijke functie zal krijgen en dat hij daarvoor absoluut geschikt wordt geacht.
De verdachte heeft een kritische brief over [betrokkene 1] ontvangen, die hij (via de secretaris-generaal) aan [betrokkene 1] heeft doorgezonden, en vervolgens heeft de verdachte een vertrouwelijke e-mail van [betrokkene 1] ontvangen met de inhoud van een andere brief die de verdachte volgens die mail zou krijgen.
Op 23 februari 2012 heeft [betrokkene 1] aan de verdachte een conceptbrief toegezonden met de bedoeling dat de verdachte een brief zou laten opstellen en tekenen om [betrokkene 1] te helpen een visum voor de Verenigde Staten te verkrijgen.
Voorts heeft [betrokkene 1] het Italiaanse bedrijf [C] in contact gebracht met de overheid in Curaçao ten tijde van het kabinet-Schotte.
Uit deze bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, leidt het Hof af dat de verdachte de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen heeft aangenomen, wetende dat deze giften hem werden gedaan om hem ertoe te bewegen te handelen overeenkomstig hetgeen in de bewezenverklaring is gespecificeerd. Ook leidt het Hof eruit af dat de verdachte ten tijde van het aannemen van de geldbedragen wist dat dit handelen, zoals in de bewezenverklaring gespecificeerd, in strijd met zijn plicht als ambtenaar zou zijn. Dit is ook zo als de giften (deels) zijn aangewend ter bestrijding van de kosten van de activiteiten van de MFK. Indien de gelden met dat doel zijn verstrekt, staat dat niet in de weg aan het oordeel dat die verstrekking dient te worden aangemerkt als een gift.”
3. Hoewel dat in feite ook rechtstreeks uit het voorgaande volgt, stelt het Gerecht ter bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel het volgende vast.
Dit zijn donaties van [betrokkene 1] aan de veroordeelde. [betrokkene 1] wilde niet dat bekend werd dat hij die donaties heeft gedaan. Overeengekomen is dat het geld op de bankrekening van medeveroordeelde [betrokkene 2] zou worden gestort.
4. De verdediging heeft aangevoerd dat deze ontvangen geldbedragen zijn gedoneerd in het kader van de voorfinanciering van de later door de veroordeelde opgerichte politieke partij, genaamd Movementu Futuro Korsou (MFK). De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat feitelijk sprake was van sponsoring van die politieke partij door [betrokkene 1] . Dat standpunt mist echter feitelijke grondslag, nu het indruist tegen de vaststelling van het Hof dat het giften waren die aan de veroordeelde zelf zijn gedaan met de bedoeling hem om te kopen. Zowel de verdediging, als de door de verdediging ingeschakelde deskundige, [betrokkene 5] , gaat volstrekt aan die vaststelling voorbij. Dat betekent met andere woorden dat de veroordeelde met die giften persoonlijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Het Gerecht wil wel geloven dat de veroordeelde een deel van dat voordeel via sociale projecten ten goede heeft laten komen aan de Curaçaose samenleving, maar dat kan hem in deze zaak niet baten. Datzelfde geldt voor het deel dat hij ten goede heeft laten komen aan medeveroordeelde [betrokkene 2] , die eerder dat soort sociale projecten financieel heeft voorgefinancierd. Het is de keuze geweest van de veroordeelde op welke manier hij het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel heeft willen aanwenden. De wijze waarop dat is gebeurd, doet echter voor de te nemen ontnemingsbeslissing niet ter zake (vgl. HR. 9 januari 1996, NJ 1996/305, HR 26 augustus 2003, ECLI:NF:HR:2003:AF9695, NJ 2003/696, m.nt. Mevis), HR 30 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3721, NJ 2005/133, en HR 14 februari 2006, ECFI:NL:HR:2006:AU9127, NJ 2006/163).
Het voordeel wordt daarom gesteld op een totaalbedrag van NAf 379.891,16 (een bedrag van $ 140.000,-- + een bedrag van $ 73.422,-- x de wisselkoers van NAf 1,78). Daarop komen alleen kosten in mindering die in een directe relatie staan tot de bewezen verklaarde omkoping. Gesteld noch aannemelijk is geworden dat die kosten zijn gemaakt.”
9. Met betrekking tot deze twee bedragen heeft de eerste rechter ten onrechte geoordeeld dat deze twee bedragen giften waren die aan cliënt zijn gedaan om hem om te kopen en dat cliënt met die giften persoonlijk wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen. Het standpunt van cliënt is dat deze ontvangen bedragen waren gedoneerd in het kader van de voorfinanciering van de later op te richten partij MFK en dat er feitelijk sprake was van sponsering van die politieke partij door [betrokkene 1] zou volgens de eerste rechter feitelijke grondslag missen en indruisen tegen de vaststelling van het Hof.
10. Niets is echter minder waar. In het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie in de strafzaak heeft Uw Hof immers helemaal niet geoordeeld dat de argumenten, van dat er sprake was van sponsering van de politieke partij van cliënt feitelijke grondslag missen. Het Hof heeft op pagina 31 van het vonnis en pagina 123 van het ontnemingsdossier alleen geoordeeld dat cliënt zich ook schuldig zou hebben gemaakt aan ambtelijke omkoping indien de giften (deels) zouden zijn aangewend ter bestrijding van de kosten van de MFK. Het Hof oordeelt hier zelf over dat: "Indien de gelden met dat doel zijn verstrekt, staat dat niet in de weg aan het oordeel dat die verstrekking dient te worden aangemerkt als een gift." Het Hof heeft dus eigenlijk aannemelijk geacht dat de giften inderdaad zijn gedaan in het kader van sponsering van politieke campagne van cliënt dan wel de MFK.
14. Op grond van hetgeen naar voren gebracht kan alleen vastgesteld worden dat cliënt persoonlijk op geen enkele manier wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten van de 2 meer bedoelde bedragen. Nu bij de bepaling van het voordeel dient te worden uitgegaan van het voordeel dat de veroordeelde in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft verkregen en wij thans hebben vastgesteld dat cliënt persoonlijk daadwerkelijk geen enkel voordeel heeft genoten dient de ontnemingsvordering voor wat betreft dit onderdeel te worden afgewezen.”
tweede middelbehelst de klacht dat het oordeel van het Gemeenschappelijk Hof dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene uit een soortgelijk feit als de in de strafzaak onder 1 bewezen verklaarde (passieve) ambtelijke omkoping wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot een bedrag van NAf 1.464.299,20 ($ 822.640,-), mede in het licht van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van de verdediging, onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.
In dat verband is van belang dat, anders dan het openbaar ministerie en de verdediging meenden, toepassing moet worden gegeven aan artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen (oud). Dat brengt met zich dat moet worden beoordeeld of de veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van "soortgelijk feiten" of "feiten, waardoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belang kan worden verkregen", waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan.
Onder soortgelijke feiten wordt verstaan feiten die, gelet op het belang dat de wetgever heeft willen beschermen, tot dezelfde categorie behoren als waartoe het strafbare feit waarvoor de betrokkene is veroordeeld (HR 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2004:AR1830, NJ 2006/410). Het gaat met andere woorden om feiten die hetzelfde rechtsbelang beschermen als het bewezen verklaarde gronddelict.
7. In het kader van de beoordeling van de vraag of de veroordeelde een of meer van zulke andere feiten heeft gepleegd, verdient opmerking dat het strafvorderlijke bewijsrecht daarop niet van toepassing is (HR 13 april 1999, NJ 1999/483, HR 26 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7805, NJ 2002/545 m.nt. Reijntjes). Er kan worden volstaan met aanwijzingen. De term voldoende aanwijzingen betekent dat de rechter slechts aannemelijk hoeft te achten dat de betrokkene de andere feiten heeft begaan. Anders dan bij de schatting van het ontnemingsbedrag het geval is, schrijft geen wetsbepaling voor dat de rechter het bestaan van die aanwijzingen moet ontlenen aan dan wel dient te berusten op de inhoud van wettige bewijsmiddelen. In de jurisprudentie is verder uitgemaakt dat een redelijke en billijke verdeling van de bewijslast met zich brengt dat van de veroordeelde mag worden verlangd dat hij aannemelijk maakt dat vermogensbestanddelen op een legale wijze zijn verkregen (HR 28 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1182, NJ 2003/96 m.nt. Mevis)
8. Aan de ontnemingsvorderingen ligt een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag. Voorafgaand aan de feitelijke behandeling ter terechtzitting hebben er regiezittingen plaatsgevonden en is er door het Gerecht een schriftelijke voorbereidingsronde gelast. Dit heeft ertoe geleid dat de verdediging uitgebreid heeft gereageerd op het ontnemingsrapport en dat het openbaar ministerie op zijn beurt daarop heeft geantwoord door middel van een schriftelijk standpunt.
9. Het openbaar ministerie heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan andere strafbare feiten en dat hij zodoende wederrechtelijk een bedrag van $ 822.640,-- heeft verkregen. De verdediging meent daarentegen te hebben aangetoond dat aannemelijk is dat dit bedrag op een legale wijze is verkregen.
10. De rechtsstrijd ziet op een overboeking aan een bedrijf gelieerd aan de veroordeelde, genaamd [A] Ltd. Voor beslechting van deze rechtsstrijd acht het Gerecht de volgende feiten en omstandigheden van belang.
10.1 De overboeking
“Accountholder: [A] LTD.
Legal domicile: Marshall Islands
Business sector and activities: Investments and Real Estate Trading
Accountholder: SCHOTTE, Gerrit Fransisco
Function Director”
De veroordeelde is met betrekking tot deze bankrekening de enige die tekeningsbevoegd is en die tekeningsbevoegdheid is niet beperkt.
10.3 Activiteiten op de bankrekening van [A] Ltd.
De veroordeelde heeft de UBS-Bank bij faxbericht van 5 oktober 2011 verzocht om de bankrekening van [A] Ltd. te sluiten. Dit bericht houdt onder meer het volgende in:
“Ref: A/C No [001] [A] LTD I would like to ask you please to close
my(onderstreping door het Gerecht) above mentioned account with your institution and transfer the balance to the following address:
Beneficiary Bank: Snoras Bankas, Vilnius, Lithuania
Name Beneficiary: [J] Limited.”
Kort voorafgaand aan het sluiten van de bankrekening worden nog de volgende overboekingen gedaan:
For services provided according to invoice C31609-2011 from 16/9/2011
De omschrijving bij het bedrag van $ 822.640,-- dat op 9 augustus 2010 is binnengekomen bij [A] Ltd. verwijst expliciet naar een aankoop in het gebied tussen de Grote Knip en de Kleine Knip in Curaçao: “Acquisition [F] Prop Curaçao”
Uit onderzoek is gebleken dat verschillende personen en rechtspersonen sinds 4 mei 2007 actief zijn met de verkrijging van het erfpachtrecht in het gebied tussen de Grote en de Kleine Knip in Curaçao. In chronologische volgorde heeft het volgende plaatsgevonden:
De Stichting Particulier Fonds [A] (hierna: SPF [A] ) is op 3 mei 2007 opgericht. Uit het uittreksel van het register van de Kamer van Koophandel en Nijverheid blijkt dat het bestuur bestaat uit [I] Trust (Curaçao) N.V. Dit trustbedrijf wordt op zijn beurt bestuurd door [betrokkene 8] . De veroordeelde was tot 19 november 2008 de UBO van SPF [A] .
Vanaf de bankrekening van [O] N.V. (een onderneming die behoort tot de [H] Group waarvan [betrokkene 1] de UBO is) zijn onder meer de volgende overboekingen gedaan:
Toen zijn we (het Gerecht: later bleek dat de veroordeelde vaak in de we-vorm spreekt, waar hij het alleen over zichzelf heeft) ingeschakeld en op dat moment is in kaart gekomen dat een groep, een consortium van zakenmannen waaronder [betrokkene 1] , eventueel interesse had.
Een SPF – een Stichting Particulier Fonds – was een vehicle, dat op dat moment bestond. De bedoeling daarvan was om met zo'n vehicle investeerders binnen te trekken. Het was heel moeilijk om investeerders binnen te trekken wanneer de optie op naam was. Daarom hebben deze twee personen een SPF opgericht. Vervolgens is SPF [A] opgericht. Ik was ook de UBO daarvan. De groep heeft besloten een budget te plaatsen. Binnen dat bedrag moest worden getracht om iedereen zo ver te krijgen de bevoegdheden naar één plek toe te schuiven. Als alle oprichtersbevoegdheden op één plek waren, konden we zaken doen. Dat is uiteindelijk met de tijd ook bereikt. Op 5 maart 2008 heeft [L] de oprichtingsbevoegdheden van [F] en op 10 maart 2008 heeft [M] de oprichtingsbevoegdheden van [K] gekregen. U vraagt mij wat voor werk ik precies heb gedaan. Ik heb met mensen moeten onderhandelen, zodat de oprichtingsbevoegdheden op één plek waren. Mijn rol was dat we eerst negatief hebben geadviseerd. We konden geen enkele investeerder voor [betrokkene 7] en [betrokkene 6] krijgen, als zij een optie op naam hadden. Dat was het eerste struikelblok voor hen. Dat telde voor iedereen. In de haalbaarheidsstudie na de tweede optie had ik geen rol, want ze hebben de opdracht voor de haalbaarheidsstudie aan andere bedrijven gegeven,
Het Hof heeft zich aan de hand van de feiten en omstandigheden allereerst de vraag gesteld of aanwijzingen bestaan dat de veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan een soortgelijk feit als het feit dat in de (inmiddels onherroepelijke) strafzaak tegen de veroordeelde onder 1 is bewezen verklaard, te weten (passieve) ambtelijke omkoping. Daarbij staat de overboeking van een bedrag van $ 822.640,-, op 9 augustus 2010 van de bankrekening van een aan [betrokkene 1] gelieerd bedrijf op een Zwitserse bankrekening van [A] , een bedrijf waarvan de veroordeelde de UBO was, centraal.
Het Hof is van oordeel dat ten aanzien van (passieve) ambtelijke omkoping, de volgende parallellen zijn te trekken:
Het Hof gaat er bij de beoordeling van uit dat er daadwerkelijk een project Knip heeft bestaan en dat de veroordeelde in het kader daarvan werkzaamheden heeft verricht. Het Hof merkt daarbij op dat er veel vraagtekens bij dit project zijn te plaatsen, niet in de laatste plaats omdat de opties op de erfpachtverkrijging op 16 januari 2008 om niet zijn verleend en die opties in maart 2008 kennelijk in totaal NAf 5 miljoen waard waren (NAf 1 miljoen voor [F] en NAf 4 miljoen voor [K] ). Opmerkelijk is ook de gang van zaken waarover [betrokkene 7] , in hoger beroep bij de rechter-commissaris gehoord als getuige, heeft verklaard: het ging hem om een stukje grond dat fundering heeft bij Playa Knip waar hij een cocktailbar wilde bouwen, maar hij kreeg er bij de aanvraag zo maar (zonder daar voor te betalen) heel veel grond bij van Domeinbeheer. [betrokkene 7] wist niet wat hij met al die grond moest doen omdat hij niet een resort wilde bouwen, maar een cocktailbar. Voor de beoordeling in deze zaak is een en ander evenwel niet van belang.
- Ik ben niet bij alle betalingen betrokken geweest en verder zou ik het moeten nakijken. De betalingen waarbij ik niet betrokken ben geweest, zijn buiten mijn kantoor omgegaan.”
Het Hof komt gelet op het voorgaande tot de slotsom dat het verweer van de veroordeelde niet aannemelijk is geworden. Niet aannemelijk is derhalve geworden dat hij de gelden in kwestie op legale wijze, te weten in verband met werkzaamheden door hem verricht in het kader van het project Knip heeft verkregen. Het Hof houdt het er derhalve voor dat de omschrijving “/RFB/ACQUISITION [F] PROP CU” bij de overboeking van het bedrag van $ 822.640 is opgenomen om de daadwerkelijke grondslag van de betaling te verhullen. Hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd ten aanzien van de invloed die de veroordeelde al dan niet heeft gehad op de beslissing tot het uitgeven in erfpacht van de terreinen dan wel het verlenen van een optie op de terreinen behoeft gelet op vorenstaande geen bespreking. Dat geldt evenzeer voor haar stelling dat vaststaat dat er geen enkel voordeel bestaat nu de gelden in kwestie door het openbaar ministerie niet zijn getraceerd en ook de veroordeelde heeft aangegeven dat er geen geld is. Deze stelling vindt geen steun in het recht. Met de ontvangst van de gelden op de Zwitserse bankrekening is het voordeel door de veroordeelde genoten. Dat kosten op dit (wederrechtelijk) voordeel in mindering zouden moeten worden gebracht is gesteld nog gebleken.
derde middelbevat de klacht dat het Gemeenschappelijk Hof het verzoek de betalingsverplichting op nihil te stellen of te matigen ten onrechte heeft afgewezen, althans dat de beslissing op dat verzoek onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is.