Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
Buy Now, Pay Later-diensten (hierna ook: BNPL-diensten), valt onder het bereik van Richtlijn 2008/48/EG inzake kredietovereenkomsten voor consumenten (hierna ook: de Richtlijn consumentenkrediet of de Richtlijn) en de Nederlandse omzettingswetgeving daarvan. BNPL−dienstverlening is de laatste jaren sterk in opkomst. Zij komt er kort gezegd op neer dat een webwinkel aan de consument de mogelijkheid biedt om niet meteen te betalen, maar op termijn van enige weken via de BNPL−dienstverlener. Indien de consument voor deze betalingsoptie kiest, beslist de software van de BNPL-dienstverlener zeer snel of de consument wordt geaccepteerd zodat het bestelproces niet noemenswaardig wordt vertraagd. [1]
payment feevan € 1 bovenop de totale koopprijs. De
payment feeis onderdeel van de overgedragen vordering, maar Arvato vordert deze ene euro na eisvermindering niet meer. Arvato brengt daarnaast geen rente of kosten in rekening bij de consument, mits op tijd wordt betaald. Bij te late betaling vordert Arvato de hoofdsom vermeerderd met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW Pro) en de genormeerde wettelijke incassokosten van minimaal € 40 (artikel 6:96 leden Pro 2 onder c en 5-7 BW en het daarop gebaseerde Besluit vergoeding wettelijke incassokosten). [3]
Afdeling 7.2A.2 BW bevat enige aanvullende bepalingen van nationale origine, [5] waaronder regels over de toegestane vorm en hoogte van de door de kredietgever te bedingen kredietvergoeding (artikel 7:74 onder Pro h BW in verbinding met artikel 7:76 BW Pro en het Besluit kredietvergoeding). [6] De maximale kredietvergoeding – thans de wettelijke rente van 2% [7] plus een opslag van 8% [8] , dus 10% − geldt zowel bij nakoming als tekortschieten in de nakoming door de consument. De maximale kredietvergoeding verhindert dat de kredietgever in plaats van of bovenop deze vergoeding aanspraak kan maken op de wettelijke rente van artikel 6:119 BW Pro en de genormeerde incassokosten van artikel 6:96 BW Pro in verbinding met het Besluit vergoeding wettelijke incassokosten. [9] Voorts voorziet de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) in een vergunningplicht voor aanbieders van krediet (artikel 2:60 lid 1 Wft Pro) en – onder meer – in een kredietwaardigheidstoets (artikel 4:34 Wft Pro in verbinding met artikel 113-115 Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (hierna: Bgfo)). De Wft is echter niet van toepassing op kortlopende kredieten waarbij slechts onbetekenende kosten in rekening worden gebracht (artikel 1:20 lid 1 onder Pro e Wft), terwijl er een vrijstelling geldt voor het aanbieden van bepaalde kosteloze kredieten (artikelen 3c en 43 Vrijstellingsregeling Wft).
.
vraag I) en (onder 6) het kostenbegrip in de Richtlijn (
vragen II-XII), die in deze zaak het toepassingsgebied van de Richtlijn bepalen. Vervolgens komen (onder 7) de vervolgvragen aan de orde. Deze betreffen de grondslag van de vordering (
vragen XVII-XX), het begrip ‘geruime tijd’ in artikel 7:60 BW Pro (
vraag XIII) en de taak van de rechter ten aanzien van de vraag of de kredietgever de voorgeschreven kredietwaardigheidstoets heeft verricht (
vragen XIV-XVI). Ik besluit met een conclusie (onder 8).
vragen I-XIIdient te worden onderzocht of sprake is van een consumentenkrediet waarop afdeling 1 van titel 7.2A BW van toepassing is.
payment feemoet betalen − en de kredietgever met deze vergoeding bekend is. Dit vergt een feitelijke beoordeling in het licht van de omstandigheden van het geval. (6.17)
vragen XIII-XXspelen slechts indien sprake is van een consumentenkrediet waarop afdeling 1 van titel 7.2A BW van toepassing is.
vragen XVII-XXgeen beantwoording. (7.11) Gezien het antwoord op
vraag XV, behoeft ook
vraag XVIgeen beantwoording. (7.43)
2.Feiten en procesverloop
payment feevan € 1.
payment fee, en een uiterste betaaldatum van 13 maart 2019. Het overzicht vermeldt voorts:
payment fee. De herinnering vermeldt onder meer:
payment feeen een bedrag van € 9,50 aan ‘administratiekosten 1e herinnering’. Deze herinneringen vermelden 12 april 2019 als uiterste betaaldatum. In de herinnering van 8 april 2019 staat verder onder meer:
payment fee, € 9,50 aan ‘administratiekosten 1e herinnering’ en € 12,50 aan ‘administratiekosten 2e herinnering’. Als uiterste betaaldatum is 24 april 2019 vermeld.
payment fee. In de brief staat onder meer:
payment feevan € 1 vordert.
3.De door de kantonrechter gestelde vragen
vragen I-XIIgaan over het toepassingsbereik van de regeling voor consumentenkrediet in afdeling 7.2A.1 BW. In de eerste plaats is de vraag wanneer uitstel van betaling valt onder de definitie van het begrip ‘kredietovereenkomst’ in artikel 7:57 lid 1 onder Pro c BW (
vraag I). Vervolgens is aan de orde hoe de uitzonderingen van artikel 7:58 lid 2 onder Pro e BW voor kredietovereenkomsten zonder rente en kosten dan wel voor kortlopende kredieten met onbetekenende kosten moeten worden toegepast (
vragen II-XII). Hoewel na de eisvermindering de
payment feevan € 1 niet langer door Arvato wordt gevorderd, heeft de kantonrechter de vragen die daarop zien gehandhaafd omdat de problematiek in meer zaken speelt (rov. 2.3 TV II). Bovendien speelt dit punt bij
vraag IX.
Voor het geval uitstel van betaling moet worden gekwalificeerd als een kredietovereenkomst in de zin van artikel 7:57 lid 1 onder Pro c BW en de uitzonderingen van artikel 7:58 lid 2 onder Pro e BW niet van toepassing zijn, stellen de
vragen XIII-XVIIverschillende kwesties aan de orde over de toepassing van regels die volgen uit de Richtlijn.
Ervan uitgaande dat de kredietovereenkomst de grondslag van de vordering vormt, betreffen de
vragen XVIII-XXde gevolgen voor de koopovereenkomst tussen de webwinkel en de consument.
4.De Richtlijn consumentenkrediet en de omzettingswetgeving
uitstel van betaling, een
leningof
een andere soortgelijk betalingsfaciliteit. De Richtlijn is niet van toepassing op overeenkomsten voor doorlopende dienstverlening en doorlopende levering van dezelfde goederen, waarbij de consument, zolang de diensten dan wel goederen worden geleverd, de kosten daarvan in termijnen betaalt. Die situatie doet zich hier niet voor.
f) kredietovereenkomsten zonder rente en andere kosten, en kredietovereenkomsten waarbij het krediet binnen een termijn van drie maanden moet worden terugbetaald en slechts onbetekenende kosten worden aangerekend; (…)
j) kredietovereenkomsten die voorzien in kosteloos uitstel van betaling van een bestaande schuld;”
deferred debit cards. Dat zijn door de kredietgever verstrekte betaalkaarten die de houder ervan verplichten het met de kaart betaalde bedrag na een bepaalde termijn volledig af te betalen. [17] De tekst van de uitzondering is echter ruimer. [18]
Per 1 januari 2017 zijn de overgebleven privaatrechtelijke regels uit de Wck, met uitzondering van de regels over schuldbemiddeling, overgeheveld naar titel 7.2A BW of geschrapt. [19] Daartoe is titel 7.2A gesplitst in twee afdelingen. In afdeling 7.2A.1 BW (artikel 7:57 tot Pro en met artikel 7:73 BW Pro) zijn thans de bepalingen ter implementatie van de Richtlijn consumentenkrediet opgenomen. In afdeling 7.2A.2 BW (artikel 7:74 tot Pro en met artikel 7:83 BW Pro) zijn de uit de Wck overgehevelde bepalingen opgenomen.
De Nederlandse wetgever heeft gebruikgemaakt van de mogelijkheid om een aantal uitzonderingen op de toepasselijkheid van de Richtlijn niet over te nemen. Dit geldt voor afdeling 7.2A.1 BW met name voor kredietovereenkomsten waarbij krediet wordt verleend voor een totaalbedrag kleiner dan € 200 of groter dan € 75.000. Omdat ook kredieten kleiner dan € 200 kunnen bijdragen aan overkreditering, achtte de wetgever het voor deze overeenkomsten wenselijk als de consument de in de Richtlijn voorziene bescherming wordt geboden. [20]
e. kredietovereenkomsten zonder rente en andere kosten, en kredietovereenkomsten waarbij het krediet binnen een termijn van drie maanden moet worden terugbetaald en slechts onbetekenende kosten worden aangerekend; (…)
h. kredietovereenkomsten die voorzien in kosteloos uitstel van betaling van een bestaande schuld; (…).”
Het is overigens niet zo dat alle bepalingen van afdeling 2 van toepassing zijn op elk krediet dat onder afdeling 1 valt. Artikel 7:75 BW Pro bevat in de leden 1-3 enige nadere beperkingen van de toepasselijkheid van de bepalingen van afdeling 2 van titel 7.2A BW.
De Wck met de daarin opgenomen maximale kredietvergoeding (in destijds artikelen 34-36 Wck), zag aanvankelijk niet op kredieten met een looptijd van minder dan drie maanden. De ratio hiervan was de wens om niet onnodig uitstel van betaling door de detailhandel of zelfstandige beroepsbeoefenaars te bemoeilijken. [24] Bij de omzetting van de Richtlijn consumentenkrediet in (aanvankelijk) titel 7.2A BW werd deze beperking in artikel 1 onder Pro a Wck geschrapt. Daarmee werden onder meer zogenaamde flitskredieten onder het bereik van de regeling in de Wck gebracht, zij het dat daarop in artikel 2 lid Pro 2 (oud) Wck alleen de Wck-regels over de maximale kredietvergoeding van toepassing werden verklaard. [25] Deze beperking is sinds de overheveling van de meeste Wck-bepalingen naar afdeling 7.2A.2 BW vanaf 1 januari 2017 opgenomen in artikel 7:75 lid 2 BW Pro. [26]
Afdeling 7.2B.1 BW (artikelen 7:84-7:100 BW) kan buiten beschouwing blijven omdat deze blijkens artikel 7:84 lid 1 BW Pro van toepassing is indien (i) de kredietgever degene is die ook het genot van de zaak verschaft en (ii) de termijn waarbinnen het krediet moet worden terugbetaald langer is dan drie maanden. Aan deze vereisten voor toepassing van afdeling 7.2B.1 is in deze zaak niet voldaan; Arvato is een derde en de terugbetalingstermijn is korter dan drie maanden. De artikelen 7:96 en 7:99 BW betreffende (een samenstel van) overeenkomsten die samen een commerciële eenheid vormen, komen hierna (in 7.10) nog ter sprake.
Afdeling 7.2B.3 BW vormt de implementatie van Richtlijn 2014/17/EG inzake hypothecair krediet (hierna: de Richtlijn hypothecair krediet). [27] Deze richtlijn komt hierna (in 6.28.1 e.v.) nog ter sprake.
Voor het overige kunnen de titels 7.2B-7.2D BW buiten beschouwing blijven.
b. het aan een consument verlenen van een dienst of verschaffen van het genot van een roerende zaak (…), ter zake waarvan de consument gehouden is een of meer betalingen te verrichten, met uitzondering van (…);”
e. financiële diensten met betrekking tot krediet, niet zijnde hypothecair krediet, dat binnen drie maanden dient te worden afgelost en terzake waarvan slechts onbetekenende kosten aan de consument in rekening worden gebracht; (…).”
Het verlenen van betalingsuitstel bij een betalingsachterstand ten aanzien van een krediet dat zelf op grond van artikel 1:20 Wft Pro niet valt onder de Wft is overigens in 2018 vrijgesteld van de vergunningplicht van artikel 2:60 Wft Pro en van het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen van de Wft, waaronder artikel 4:34 lid 1 Wft Pro (artikelen 3c en 43 lid 4 Vrijstellingsregeling Wft). [32]
Daarom wordt in het voorstel het toepassingsbereik van de Richtlijn consumentenkrediet verruimd doordat een aantal uitzonderingen wordt geschrapt. Dit betreft onder meer de uitzonderingsbepalingen voor kredietovereenkomsten zonder rente en andere kosten en voor kredietovereenkomsten waarbij het krediet binnen een termijn van drie maanden moet worden terugbetaald en alleen onbetekenende kosten worden aangerekend. Voorts wordt voorgesteld om kredieten van minder dan € 200 onder het toepassingsbereik van de Richtlijn te laten vallen. Het doel van deze herziening is mede om de sterk groeiende markt voor BNPL-dienstverleners onder de regeling voor consumentenkrediet te laten vallen. [34]
Buy now, pay laterdienstverleners onder het toepassingsbereik van de richtlijn te laten vallen. Deze dienstverlening kan risico’s en hoge kosten voor kwetsbare, slecht geïnformeerde consumenten met zich meebrengen. Het kabinet is er tegelijk attent op dat het voorstel geen onnodige belemmeringen met zich meebrengt voor het bestaande recht van consumenten om producten bij (web)winkels niet volledig vooruit te hoeven betalen of voor de mogelijkheden om uitgesteld te betalen met een korte termijn, voor zover de risico’s hiervan voor consumenten beperkt zijn. (…) Tot slot steunt het kabinet het voorstel om kredieten van minder dan € 200 onder het toepassingsbereik van de richtlijn te plaatsen. In Nederland is dit al reeds het geval, en dit voorstel draagt dus bij aan [een] gelijk Europees speelveld.”
Het is thans niet bekend in hoeverre en op welke wijze het voorstel van de Europese Commissie naar aanleiding van de opmerkingen van de Raad van de Europese Unie en het Europees Parlement wordt aangepast.
5.Vraag I: (wanneer) is uitstel van betaling krediet?
vraag Ierop neer wanneer uitstel van betaling moet worden aangemerkt als een kredietovereenkomst in de zin van titel 7.2A BW. Het antwoord kan worden toegespitst op afdeling 7.2A.1 BW en in het bijzonder op artikel 7:57 lid 1 onder Pro c BW.
Weliswaar is de vraag ruim genoeg geformuleerd om ook de uitzondering van artikel 7:58 lid 2 onder Pro e BW te omvatten, maar de
vragen II-XIIgaan al over de betekenis van die uitzondering. Het antwoord op
vraag Ikan daarom wel mede verwijzen naar artikel 7:58 BW Pro, maar de bijzonderheden van de in artikel 7:58 lid 2 onder Pro e BW bedoelde uitzondering blijven thans nog onbesproken.
vraag I, omdat hij bij bevestigende beantwoording van deze vraag een probleem voorziet.
vraag Idaarom met het oog op het eventueel te maken onderscheid tussen enerzijds Arvato als kredietverlener en anderzijds de leverancier die de consument een korte betalingstermijn gunt (rov. 4.3 TV I). De kantonrechter vraagt zich af of dit onderscheid kan worden gevonden op het niveau van het begrip ‘kredietovereenkomst’ en meer in het bijzonder in het daarin voorkomende begrip ‘uitstel van betaling’. Met het oog daarop stelt
vraag Iaan de orde of het verlenen van uitstel behoort tot de corebusiness van de partij die uitstel van betaling verleent en of het uitmaakt of de consument al dan niet een keuze had voor uitstel van betaling.
kredietgeveraan een
consumentkrediet verleent of toezegt in de vorm van
uitstel van betalingeen lening of een andere, soortgelijke betalingsfaciliteit.
Een consument is een natuurlijk persoon die handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteiten vallen (artikel 3 onder Pro a Richtlijn en artikel 7:57 lid 1 onder Pro a BW).
Een kredietgever is een natuurlijk persoon of rechtspersoon die in het kader van de uitoefening van zijn bedrijfs- of beroepsactiviteiten krediet verleent of toezegt (artikel 3 onder Pro b Richtlijn en artikel 7:57 lid 1 onder Pro b BW).
Onder krediet valt onder meer ‘uitstel van betaling’.
Verein für Konsumenteninformation/INKOoverwogen dat het in de Richtlijn gedefinieerde begrip ‘kredietovereenkomst’ (evenals het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’) bijzonder ruim is, dat dit het mogelijk maakt een uitgebreide bescherming van consumenten te waarborgen, en dat ook elke beperking van de werkingssfeer van de Richtlijn moet worden uitgelegd in het licht van dat doel. [42]
overeenkomstwaarbij een kredietgever aan een consument krediet verleent of toezegt. Een overeenkomst veronderstelt wilsovereenstemming, althans gerechtvaardigd vertrouwen op het bestaan van wilsovereenstemming (artikel 3:33 en Pro 3:35 BW). De vraag is of daarvan steeds gesproken kan worden bij een
eenzijdigdoor de leverancier gegunde betalingstermijn (bijvoorbeeld op een factuur). Een dergelijk uitstel zal in de regel op grond van de wilsvertrouwensleer als stilzwijgend geaccepteerd beding deel uitmaken van de overeenkomst in de zin dat de schuldeiser geen eerdere nakoming meer kan vorderen (in zoverre doet de leverancier afstand van zijn recht op betaling bij aflevering; vgl. artikel 6:160 lid 2 BW Pro). In ieder geval dient een eenzijdig door de leverancier gegunde betalingstermijn in deze context, waar nodig, met een dergelijke afspraak op één lijn te worden gesteld. Daarvoor kan worden aangeknoopt bij de ruim bedoelde omschrijving van het begrip ‘kredietovereenkomst’ in artikel 7:57 lid 1 onder Pro c BW en artikel 3 onder Pro c Richtlijn en de strekkingsbepaling van artikel 7:73 lid 2 BW Pro.
In artikel 2 lid 2 onder Pro j Richtlijn en artikel 7:58 lid 2 onder Pro h BW wordt afzonderlijk verwezen naar kredietovereenkomsten die voorzien in ‘kosteloos uitstel van betaling van een bestaande schuld’. In de Richtlijn wordt hiermee gedoeld op een betalingsregeling naar aanleiding van een door de consument opgelopen betalingsachterstand. [45] Dit laatste duidt erop dat het meer generieke begrip ‘uitstel van betaling’ niet alleen ziet op eventuele betalingsachterstanden, maar ook op het gunnen van een betalingstermijn voordat van een achterstand sprake is.
terugbetaald. [47] Dit woord wijst als zodanig meer op het bestaan van een lening waarbij een hoofdsom ter beschikking wordt gesteld dan op het gunnen van een betalingstermijn door een leverancier, maar uit artikel 3 onder Pro c Richtlijn en artikel 7:57 lid 1 onder Pro c BW blijkt dat een lening slechts één van de mogelijke vormen van krediet in de zin van de Richtlijn is.
Indien de leverancier geen uitstel van betaling verleende en de nieuwe schuldeiser dit wel doet, dan betekent dit slechts dat voor het eerst in de verhouding tussen de nieuwe schuldeiser en de consument de bepalingen over consumentenkrediet in beeld komen.
In de praktijk doet zich in veel gevallen geen samenloop voor, omdat de mogelijke toepasselijkheid van de regels over consumentenkrediet weliswaar in beeld komt op grond van artikel 7:57 lid 1 onder Pro c BW, maar onmiddellijk weer uit beeld verdwijnt door de uitzondering van artikel 7:58 lid 2 onder Pro e BW.
Indien de uitzonderingen van artikel 7:58 BW Pro niet opgaan, is er wel sprake van samenloop. De verhouding tussen de bepalingen van de verschillende toepasselijke regelcomplexen dient dan te worden bepaald aan de hand van de regels over samenloop en met name artikel 6:215 BW Pro. [56]
6.Vragen II-XII: vragen met betrekking tot ‘kosten’
vragen II-XIIbetreffen de uitzondering van artikel 7:58 lid 2 onder Pro e BW voor kredietovereenkomsten ‘zonder rente en kosten’ of waarbij het krediet ‘binnen een termijn van drie maanden moet worden terugbetaald en slechts onbetekenende kosten worden aangerekend’.
Vraag IIstelt aan de orde of voor het begrip ‘kosten’ in artikel 7:58 lid 2 onder Pro e BW moet worden aangesloten bij het begrip ’totale kosten van het krediet voor de consument’ als bedoeld in artikel 7:57 lid 1 onder Pro g BW.
Vervolgens komt aan de orde of een vergoeding voor het gebruik van de achteraf betaalservice zoals de
payment fee(
vragen III-V)respectievelijk de wettelijke rente en de incassokosten (
vragen VI-VIII) behoren tot de in artikel 7:58 lid 2 onder Pro e BW bedoelde ‘kosten’.
De
vragen IX-Xstellen aan de orde of ‘kosten’ worden ‘aangerekend’ indien zij op grond van wet en/of overeenkomst in rekening gebracht kunnen worden, daadwerkelijk in rekening gebracht worden dan wel in rechte gevorderd worden.
Vraag XIgaat over de vraag wanneer kosten ‘onbetekenend’ zijn.
Vraag XIIziet op het geval dat de hoogte van bedongen kosten onduidelijk is.
totale door de consument te betalen bedraguit ‘de som van het totale kredietbedrag en de totale kosten van het krediet voor de consument’ (artikel 3 onder Pro h Richtlijn en artikel 7:57 lid 1 onder Pro h BW). Het
totaal kredietbedragis ‘het plafond of de som van alle bedragen die op grond van een kredietovereenkomst beschikbaar worden gesteld’ (artikel 3 onder Pro l Richtlijn en artikel 7:57 lid 1 onder Pro l BW).
totale kosten van het krediet voor de consument. [58] Dit zijn volgens artikel 3 onder Pro g Richtlijn (respectievelijk artikel 7:57 lid 1 onder Pro g BW en artikel 1 Bgfo Pro):
Verein für Konsumenteninformation/INKOvoor de uitleg van het begrip ‘kosten’ aangeknoopt bij het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ in artikel 3 onder Pro g Richtlijn:
Guidelines on the application of Directive 2008/48/EC in relation to costs and the APRvan de Europese Commissie, [62] A-G Sharpston in haar conclusie onder 41 in de zaak
Verein für Konsumenteninformation/INKO [63] en de literatuur. [64]
vraag IIluidt als volgt. [65] Bij de toepassing van artikel 7:58 lid 2 onder Pro e BW moet voor het begrip ‘kosten’ worden aangesloten bij het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ als bedoeld in artikel 7:57 lid 1 onder Pro g BW.
(i) het zijn
kostenin de zin van artikel 7:57 lid 1 onder Pro g BW, die
(ii) de consument in verband met de kredietovereenkomst
moet betalen(artikel 7:57 lid 1 onder Pro g BW) respectievelijk worden
aangerekend(artikel 7:58 lid 2 onder Pro e BW), en
(iii) de kredietgever
bekendzijn (artikel 7:57 lid 1 onder Pro g BW).
vragen III-Xkan worden uitgegaan van deze drie elementen. [66] Alvorens deze vragen te behandelen, bezie ik nader wat moet worden verstaan onder het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ in artikel 7:57 lid 1 onder Pro g BW. Daarmee wordt de basis gelegd voor de beantwoording van de
vragen III-X.
In punt 43 van de considerans wordt opgemerkt dat het mede gelet op het doel om een hoog niveau van consumentenbescherming te bieden noodzakelijk is om het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ in de Richtlijn duidelijk en uitvoerig te definiëren. Het daarin opgenomen element dat kosten ‘de kredietgever bekend zijn’ moet op objectieve wijze en met inachtneming van de vereisten van professionele toewijding worden beoordeeld (considerans onder 20).
Profi Credit Polskaoverwoog het HvJEU:
SIA Soho Group/Ptackan worden afgeleid dat onder het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ ook kosten kunnen vallen die de consument alleen in bepaalde omstandigheden verschuldigd zal worden. [78] Het betrof een kredietovereenkomst die voorzag in de mogelijkheid van verlenging van de leningsduur tegen betaling van verlengingskosten. Het HvJEU overwoog dat tot het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ behoren “
alle kosten die de consument in verband met de kredietovereenkomst moet betalen en die de kredietgever bekend zijn” (punt 30) en concludeert dat verlengingskosten hieronder vallen “
wanneer een dergelijke verlengingsmogelijkheid tussen de partijen is overeengekomen en die kosten bekend zijn bij de kredietgever” (punt 51).
Daartoe moeten “
de concrete en nauwkeurige voorwaarden (…) gepreciseerd zijn in die overeenkomst en moeten deze kosten tevens bekend zijn bij de kredietgever, zodat de consument die kosten kan bepalen op grond van de contractuele bepalingen” (punt 34), dat wil zeggen of deze kosten op grond van de contractuele bepalingen “
bepaald of bepaalbaar zijn” (punt 36). Het element ‘bekend zijn bij de kredietgever’ lijkt hier geen afzonderlijke toets te vergen, omdat bekendheid met de kosten volgt uit de overeenkomst.
vragen III-Vbetreffen vergoedingen voor het gebruik van een achterafbetaalservice, zoals de
payment fee.
vraag IIIover het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ van artikel 7:57 lid 1 onder Pro g BW.
Vraag IVgaat over het kostenbegrip van artikel 7:58 lid 2 onder Pro e BW. Het antwoord op
vraag IVvolgt uit het antwoord op
vraag III, omdat bij de toepassing van artikel 7:58 lid 2 onder Pro e BW voor het begrip ‘kosten’ moet worden aangesloten bij het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ als bedoeld in artikel 7:57 lid 1 onder Pro g BW (zie het antwoord op
vraag IIin 6.6).
Als sprake is van kosten in de zin van artikel 7:57 lid 1 onder Pro g BW, maakt het niet uit of deze door de leverancier dan wel de kredietgever in rekening zijn gebracht (zie hiervoor in 6.11.1), waarmee
vraag Vis beantwoord. Eenzelfde benadering wordt op basis van (alleen) het nationale recht gevolgd in de omschrijving van het begrip ‘kredietvergoeding’ in artikel 7:74 onder Pro h BW. Dat de kosten mogelijk vanuit de optiek van de leverancier kunnen worden beschouwd als kosten voor het gebruik van een betaalmiddel als bedoeld in artikel 6:230k lid 1 BW, doet niet af aan de mogelijkheid dat zij kunnen worden aangemerkt als kredietkosten. De kantonrechter (rov. 4.9 TV I) wijst hier terecht op.
kosten (…) die de consument in verband met de kredietovereenkomst moet betalen’. Daarvan is duidelijk sprake wanneer de consument voor de mogelijkheid om achteraf te betalen − dus: voor het verlenen van het uitstel van betaling − een vergoeding in rekening wordt gebracht.
de kredietgever bekend zijn’.
Mede in het licht van het arrest
SIA Soho Group/Ptackan worden aangenomen dat kosten in ieder geval bij de kredietgever bekend zijn indien de verschuldigdheid ervan is overeengekomen tussen kredietgever en consument.
Indien niet de kredietgever maar de leverancier de kosten in rekening brengt, moet worden onderzocht of de kredietgever daarmee bekend is. Dit moet op objectieve wijze en met inachtneming van de vereisten van professionele toewijding worden beoordeeld (zie hiervoor in 6.9). Het is dus aan de feitenrechter om op basis van de omstandigheden van het geval te beoordelen of de kredietgever kan worden geacht bekend te zijn met de kosten. Een bevestigende beantwoording ligt in deze zaak voor de hand. Arvato heeft weliswaar aangevoerd dat niet zij, maar de webwinkel de kosten in rekening brengt, maar zij heeft tevens de betreffende kosten (de
payment feevan € 1) als (afzonderlijk) onderdeel van de aan haar gecedeerde vordering bij de consument in rekening gebracht.
vragen III-Vluidt als volgt. [79] Een vergoeding die een leverancier of kredietgever aan een consument in rekening brengt voor het gebruik van een achterafbetaalservice behoort tot de ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ in de zin van artikel 7:57 lid 1 onder Pro g BW en tot de in artikel 7:58 lid 2 onder Pro e BW bedoelde ‘kosten’ wanneer de consument deze vergoeding in verband met de kredietovereenkomst moet betalen – zoals wanneer de consument voor de mogelijkheid om achteraf te betalen een vergoeding als de
payment feemoet betalen − en de kredietgever met deze vergoeding bekend is. Dit vergt een feitelijke beoordeling in het licht van de omstandigheden van het geval.
vragen VI en VII, die gezamenlijk behandeld kunnen worden, stellen aan de orde of wettelijke rente en incassokosten als bedoeld in de artikelen 6:119 en 6:96 BW en het Besluit vergoeding wettelijke incassokosten kunnen worden aangemerkt als kosten in de zin van de artikelen 7:57 lid 1 onder g en 7:58 lid 2 onder e BW. [80] Vraag VIIIstelt aan de orde of verschil maakt of deze kosten verschuldigd zijn op grond van de wet dan wel de overeenkomst en, als het gaat om bedongen kosten, het gaat om kosten die gelijk zijn aan dan wel hoger zijn dan de wettelijke tarieven.
vraagI) en aangenomen dat de wettelijke rente en incassokosten niet ‘onbetekenend’ in de zin van artikel 7:58 lid 2 onder Pro e BW zijn, kan het antwoord op de
vragen VI-VIIIgrote gevolgen hebben voor partijen die uitstel van betaling verlenen en bij wanbetaling aanspraak maken op (bedongen) wettelijke rente en incassokosten.
Voor leveranciers en BNPL-dienstverleners die uitstel van betaling verlenen zou een bevestigende beantwoording van deze vragen kunnen meebrengen dat zij zich moeten houden aan de regels over consumentenkrediet. De kantonrechter wijst op een mogelijk grote impact op de afdoening van aanzienlijk aantal dagelijkse kantonzaken (rov. 4.3 TV I).
Ik werk dit hierna uit in de volgende stappen: (i) aan de Richtlijn consumentenkrediet te ontlenen argumenten, (ii) aan de Richtlijn hypothecair krediet te ontlenen argumenten, (iii) opvattingen op nationaal niveau, in het bijzonder van de Nederlandse wet- en regelgever en (iv) de rechtspraak van het CBb en de weergave daarvan door de AFM. Ik kom vervolgens tot (v) een afronding. Daarna volgt een gezamenlijke beantwoording van de
vragen VI-VIII.
Guidelines. [82]
Ten eerste heeft het HvJEU in het (in 6.11.1 genoemde) arrest
Profi Credit Polskaoverwogen dat de definitie van het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ geen enkele beperking bevat ten aanzien van het soort kosten dat in het kader van een dergelijke kredietovereenkomst aan de consument kan worden opgelegd, noch ten aanzien van de rechtvaardiging van die kosten.
Ten tweede blijkt uit het in (in 6.12 genoemde) arrest
SIA Soho Group/Ptacdat ook kosten waarvan onzeker is of zij zullen worden gemaakt onder voorwaarden kunnen vallen onder het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’. Ook niet-nakomingskosten zijn normaliter kosten waarvan onzeker is of zij zullen worden gemaakt. De omstandigheid dat niet vaststaat dat niet-nakomingskosten moeten worden betaald, [84] betekent dus niet dat deze kosten niet onder het kostenbegrip van de Richtlijn kunnen vallen.
Ten derde heeft het HvJEU in de zaak
Verein für Konsumenteninformation/INKOgeoordeeld dat niet sprake is van ‘kosteloos uitstel van betaling’ in de zin van artikel 2 lid 2 onder Pro j van de Richtlijn (artikel 7:58 lid 2 onder Pro h BW) als de schuldenaar zich in het kader van een met een incassobureau getroffen betalingsregeling verbond tot betaling van de hoofdschuld en van de rente en kosten ter zake van zijn betalingsverzuim. Niet was aangetoond dat de bedragen aan interesten en kosten die INKO in rekening bracht, hoger zijn dan de bedragen waarop de schuldeisers krachtens de Oostenrijkse wetgeving recht hebben. [85] Hieruit kan worden afgeleid dat de enkele omstandigheid dat bepaalde niet-nakomingskosten op grond van de wet verschuldigd zijn er niet aan in de weg hoeft te staan dat sprake kan zijn van kosten in de zin van de Richtlijn indien over de betaling ervan afspraken worden gemaakt tussen (de vertegenwoordiger van) de kredietgever en de consument.
Ten vierde heeft het HvJEU in laatstgenoemd arrest overwogen dat elke beperking van de werkingssfeer van de Richtlijn moet worden uitgelegd in het licht van het doel om uitgebreide consumentenbescherming te bieden. [86] Dit kan worden uitgelegd als een aansporing tot een teleologische uitleg van de begrippen en bepalingen die het toepassingsbereik van de Richtlijn afbakenen.
Verein für Konsumenteninformation/INKOen voorts uit de nog te bespreken rechtspraak van het CBb.
Het eerste argument is dat de uitzondering voor ‘kredietovereenkomsten zonder rente en kosten’ zinloos wordt indien de wettelijke rente en incassokosten behoren tot de in deze uitzondering bedoelde kosten.
Het tweede argument is dat de uitzondering voor kortdurend krediet met ‘onbetekenende kosten’ niet meer zou opgaan voor leveranciers die louter een korte betalingstermijn gunnen.
kosten’ maar ook op de elementen ‘
moet betalen’ en ‘
bekend zijn’ (zie hiervoor in 6.7). Als het element ‘
kosten’ ruim genoeg is om (onder omstandigheden) wettelijke rente en incassokosten te omvatten, zoals hiervoor is betoogd, hangt het af van de andere elementen of de uitzonderingen van artikel 2 lid 2 onder Pro f Richtlijn en artikel 7:58 lid 2 onder Pro e BW opgaan.
Zo is in België bij de omzetting van de Richtlijn consumentenkrediet in (thans) het Wetboek van Economisch Recht met zoveel woorden bepaald dat de totale kosten van het krediet voor de consument niet omvatten kosten en vergoedingen die de consument moet betalen wegens niet naleving van een in de kredietovereenkomst opgenomen verbintenis (artikel I.9 onder 41° WER).
In Duitsland is daarentegen in de toelichting op de uitzondering voor kredieten “
bei denen der Darlehensnehmer das Darlehen binnen drei Monaten zurückzuzahlen hat und nur geringe Kosten vereinbart sind” (§ 491, tweede lid, tweede zin en onder 3 BGB) opgemerkt: [90]
:
.Indien er wel extra kosten in rekening worden gebracht zijn de beschermingsbepalingen van de Wft natuurlijk wel van toepassing.” [92]
.De consument bevindt zich dan in een vergelijkbare situatie als wanneer hij bij een kredietaanbieder een lening zou afsluiten.” [93]
Als deze kosten worden gemaakt, zijn deze de kredietgever uiteraard vooraf niet bekend”’ [95] en (ii) “
Aangezien de totale kosten van het krediet moeten worden bepaald voorafgaand aan het afsluiten van het krediet ligt het voor de hand om er dan nog niet vanuit te gaan dat niet-nakoming aan de orde zal zijn”. [96] Deze opmerkingen kunnen worden opgevat als verwijzingen naar de elementen ‘
moet betalen’ en
‘bekend zijn’ van het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’.
Buy Now Pay Later. Verkenning van een nieuwe trend’ van november 2022 van de AFM bespreekt (op p. 21) niet-nakomingskosten aan de hand van twee voorbeelden: [103]
kosten, die (ii) de consument in verband met de kredietovereenkomst
moet betalenen (iii) de kredietgever
bekend zijn.
kostenkom ik tot de slotsom dat niet-nakomingskosten zoals wettelijke rente en incassokosten onder het kostenbegrip van de Richtlijn consumentenkrediet kunnen vallen. Dit strookt met het brede kostenbegrip van de Richtlijn consumentenkrediet en de beschermingsstrekking daarvan. De aan de Richtlijn consumentenkrediet ontleende tegenargumenten overtuigen mijns inziens niet. Dat de Richtlijn hypothecair krediet de kosten van niet-nakoming uitzondert van het kostenbegrip dwingt bij de huidige stand van het Unierecht naar mijn mening niet tot een andere conclusie. Daarbij dient bedacht te worden dat hypothecair krediet naar zijn aard kan verschillen van consumptief krediet, met name bepaalde vormen van kortlopend consumptief krediet.
Dat de wettelijke rente en incassokosten in de overeenkomst zijn genoemd, wijst op zichzelf niet in een andere richting. Het noemen hiervan staat los van de soort overeenkomst en kan overigens vanuit een oogpunt van informatieverschaffing aan de consument positief worden gewaardeerd.
SIA Soho Group/Ptacover de verlengingskosten). Ik denk dat dit ten grondslag ligt aan de wettelijke terminologie dat de consument bepaalde kosten ‘
moet betalen in verband met de kredietovereenkomst’(respectievelijk dat het gaat om een kredietovereenkomst waarbij deze kosten de consument ‘
worden aangerekend’) en dat deze kosten
‘de kredietgever bekend zijn’. Bij de beoordeling kan rekening worden gehouden met de soort kredietovereenkomst.
vragen VI-VIIIlenen zich voor gezamenlijke beantwoording. [109] Wettelijke rente en incassokosten kunnen behoren tot de ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ wanneer de consument deze kostenposten in verband met de kredietovereenkomst ‘moet betalen’ en deze kostenposten ‘de kredietgever bekend’ zijn als bedoeld in artikel 7:57 lid 1 onder Pro g BW. Waar het om gaat is of de voorwaarden waaronder het krediet wordt verleend reeds zodanig inspelen op de verschuldigdheid van niet-nakomingskosten dat gezegd kan worden dat wordt voldaan aan deze elementen van het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’. Dit vergt een feitelijke beoordeling in het licht van de omstandigheden van het geval.
vraag I) en dat de uitzondering van artikel 7:58 lid 2 onder Pro e BW voor kredieten zonder kosten of tegen onbetekenende kosten moet worden gelezen in het licht van het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ (
vraag II). Hieronder vallen kosten zoals de
payment fee(
vragen III-V). De wettelijke rente en incassokosten vallen hier niet onder, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden (
vragen VI-VIII).
vragen IX-Xstellen nu aan de orde of het gaat om kosten die in rekening gebracht kunnen worden, in rekening zijn gebracht dan wel in rechte zijn gevorderd.
moet betalen’ als onderdeel van het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ dat onderwerp is van verschillende in de Richtlijn consumentenkrediet genoemde verplichtingen in verband met reclame en (pre)contractuele informatieplichten, waaronder die ter zake van het JKP.
Hiermee valt niet te verenigen dat de vraag of kosten onder het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ vallen, ervan afhangt of zij daadwerkelijk in rekening worden gebracht en/of in rechte worden gevorderd. Dit zou er immers toe leiden dat de kredietgever achteraf, door al dan niet daadwerkelijk aanspraak te maken op bepaalde kosten, kan bepalen of een overeenkomst valt onder het toepassingsbereik van de Richtlijn en of is voldaan aan de daaruit voortvloeiende verplichtingen. De kantonrechter wijst hier terecht op (in rov. 4.15-4.16 TV I).
moet betalenduidt erop dat deze kosten verschuldigd zijn, dat wil zeggen dat de consument een verplichting heeft om deze kosten te betalen. [110] Uit het arrest
SIA Soho Group/Ptacvolgt dat zelfs kosten waarvan vooraf niet zeker is of deze daadwerkelijk verschuldigd zullen zijn, zoals verlengingskosten, hieronder kunnen vallen (zie ook hiervoor in 6.23). Niet relevant is of deze kosten daadwerkelijk in rekening worden gebracht (al zal dat normaliter wel het geval zijn) respectievelijk in rechte worden gevorderd.
vragen IX-Xkan aan het antwoord op de
vragen III-Vde volgende zin worden toegevoegd: [111] De consument moet kosten betalen wanneer hij een verplichting heeft om deze kosten te betalen. Daarvoor is niet vereist deze kosten daadwerkelijk in rekening worden gebracht dan wel in rechte worden gevorderd.
vragen XI-XIIgaan over het begrip ‘onbetekenend’.
Guidelinesvan de Europese Commissie kunnen de lidstaten in implementatiewetgeving specificeren wat wordt verstaan onder ‘onbetekenende kosten’ of dit overlaten aan de nationale rechtspraak. Relevante gezichtspunten zijn volgens de
Guidelinesonder meer “
the amount of the charge, either in absolute terms or relative to the amount of credit, the amount of the drawdown or the value and number of the transactions, and the comparison of the costs with the costs of other similar or competing products on the market.” [112]
deferred debit cardseen absolute grens van € 50 per jaar gehanteerd: [114]
Ik merk wel op dat voor de beoordeling of sprake is van een kredietovereenkomst die valt onder de uitzondering van artikel 7:58 lid 2 onder Pro e BW naar mijn mening in beginsel moet worden uitgegaan van de overeenkomst (inclusief algemene voorwaarden) zoals deze tussen partijen is overeengekomen en die vervolgens door de rechter wordt gekwalificeerd als een type overeenkomst waarop bepaalde delen van de wet (dwingend) van toepassing zijn. [116] Na deze kwalificatie kan worden beoordeeld in hoeverre deze overeenkomst voldoet aan de wet en eventueel geheel of gedeeltelijk vernietigbaar is.
Indien andersom wordt geredeneerd [117] − en bijvoorbeeld een kostenbeding vernietigbaar wordt geacht op grond van artikel 6:233 onder Pro a BW en vervolgens wordt geconstateerd dat het restant van de overeenkomst slechts ‘onbetekenende kosten’ bevat zodat geen sprake is van een consumentenkredietovereenkomst in de zin van afdeling 7.2A.1 BW −, zou het toepassingsbereik van de Richtlijn consumentenkrediet worden bepaald door toepassing van de Richtlijn oneerlijke bedingen (of eventueel een nationale grondslag voor vernietigbaarheid van een rechtshandeling). De Richtlijn consumentenkrediet bevat daarvoor naar mijn mening geen aanknopingspunten.
vraag XIluidt als volgt. [118] De vraag of kosten ‘onbetekenend’ zijn in de zin van artikel 7:58 lid 2 onder Pro e BW dient te worden beantwoord met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Relevante omstandigheden zijn onder meer de hoogte van de kosten in absolute zin en in verhouding tot het totale kredietbedrag. De civiele rechter is daarbij niet gehouden het beleid van de AFM tot uitgangspunt te nemen.
Voor het overige leent deze vraag zich niet voor beantwoording bij wege van prejudiciële beslissing.
vraag XIIvolstaat mijns inziens het volgende. [119] Indien een beding de (maximaal) verschuldigde kosten niet specificeert, dient te worden beoordeeld of deze kosten bepaalbaar zijn. [120] Vervolgens kan beoordeeld worden of ‘onbetekenende kosten’ worden aangerekend zoals bedoeld in artikel 7:58 lid 2 onder Pro e BW. Het ligt op de weg van de partij die zich beroept op de toepasselijkheid van de in artikel 7:58 lid 2 onder Pro e BW genoemde uitzondering op het begrip consumentenkredietovereenkomst om gegevens aan te dragen op basis waarvan kan worden beoordeeld of deze uitzondering zich voordoet. Bij gebreke aan dergelijke gegevens kan de rechter tot het oordeel komen dat onvoldoende is komen vast te staan dat deze uitzondering zich voordoet.
Vragen XIII-XX over de toetsing aan regels van consumentenkrediet en over de samenloop met de koopovereenkomst
vragen XIII-XXveronderstellen dat uitstel van betaling moet worden gekwalificeerd als een kredietovereenkomst – wat gezien het antwoord op
vraag Ihet geval is − en dat de uitzonderingen van artikel 7:58 lid 2 onder Pro e BW niet van toepassing zijn. Of deze laatste veronderstelling juist is, hangt af van de verdere beoordeling van het onderhavige geval door de kantonrechter aan de hand van de antwoorden van de Hoge Raad op de
vragen II-XII. Daarom staat thans niet vast dat de beantwoording van de
vragen XIII-XXnodig is om in deze zaak op de vordering van Arvato te kunnen beslissen, zoals wordt vereist in artikel 392 lid 1 Rv Pro. Ik bespreek deze vragen ten overvloede.
Vragen XIV-XVIbetreffen de kredietwaardigheidstoets. Ervan uitgaande dat niet-naleving van de kredietwaardigheidstoets door de kredietgever kan leiden tot een ambtshalve vernietiging van de kredietovereenkomst, stelt
vraag XVIIaan de orde of de rechter de vordering in gevallen als de onderhavige ambtshalve mag beoordelen op grond van artikel 6:203 BW Pro. Daarmee berust
vraag XVIIop de stilzwijgende veronderstelling dat de verschuldigdheid van het door de consument in hoofdsom te betalen bedrag zijn grondslag vindt in de kredietovereenkomst. Dat is echter maar de vraag. De vraag naar de grondslag van de vordering op de consument speelt ook bij de vragen
XVIII-XXover de status van de koopovereenkomst indien de vordering tegen de consument is gebaseerd op de kredietovereenkomst en de kredietovereenkomst ambtshalve is vernietigd. Ik bespreek eerst de kwestie van de grondslag van de vordering.
vraag Ikwam al aan de orde dat het in gevallen als het onderhavige geen verschil maakt of het uitstel van betaling van de vordering tot betaling van de koopprijs wordt verleend door de leverancier dan wel door Arvato (zie in 5.12.1 e.v.). Voorts werd daar geconstateerd (in 5.16) dat bij het verlenen van uitstel van betaling van een vordering tot betaling van de koopprijs sprake is van mogelijke samenloop van de regels over koopovereenkomsten tussen handelaren en consumenten (met name afdeling 6.5.2B en titel 7.1 BW) en de regels over consumentenkrediet (titel 7.2A BW).
4.31. (…). De koopovereenkomst en de kredietovereenkomst vormen een commerciële eenheid als bedoeld in artikel 7:57 lid 5 BW Pro en de kredietovereenkomst kwalificeert als gelieerde kredietovereenkomst als bedoeld in artikel 7:57 lid 1 sub n BW Pro. (…) Gelet op de wijze van totstandkoming en het gegeven dat het krediet is aangegaan met het doel de vordering uit de koopovereenkomst te voldoen, is tevens sprake van samenhangende overeenkomsten. Via een website van de handelaar worden door middel van (…) één druk op de bestelknop van de handelaar (waarbij is aangevinkt dat men (tegen betaling) gebruik wil maken van uitstel van betaling of van betaling in termijnen aan een derde) gelijktijdig twee overeenkomsten gesloten. (…)”
4.29 (…) Hierbij is naar het oordeel van de kantonrechter van belang dat de kredietsom niet is overgemaakt naar de consument maar (naar alle waarschijnlijkheid, want de stellingen van Arvato vermelden daar niets over) direct aan de handelaar is betaald.”
Informatieplichten I). [123]
Omdat de kredietovereenkomst niet de grondslag vormt voor de vordering van Arvato ten aanzien van de hoofdsom (de koopprijs), betekent vernietiging van de kredietovereenkomst in een geval als het onderhavige niet dat een ongedaanmakingsverplichting met betrekking tot (een gedeelte van) de hoofdsom (de koopprijs) ontstaat. [124]
vragen XVII-XXgeen verdere bespreking.
Daarvan is in geen sprake wanneer de cessionaris een vordering tot betaling van de koopprijs tegen de consument instelt. Artikel 3:51 lid 2 BW Pro bepaalt dat een vordering tot vernietiging van een rechtshandeling moet worden ingesteld tegen allen die partij zijn bij die rechtshandeling. Dit was misgegaan in de zaak die werd beoordeeld in HR 5 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:177. [125] Daarin sprake was van een koopovereenkomst met twee kopers en de verkoper had slechts één van de kopers gedagvaard. Daarom moest de andere koper alsnog in het geding worden opgeroepen. In gevallen als het onderhavige zijn er slechts twee partijen bij de koopovereenkomst, de webwinkel en de consument.
Meer in het algemeen geldt mijns inziens dat de omstandigheid dat de kredietovereenkomst met de koopovereenkomst is gelieerd of daarmee samenhangt, als zodanig niet meebrengt dat zij een processueel ondeelbare rechtsverhouding vormen tussen verkoper, kredietgever en consument. Het is tot op zekere hoogte wenselijk dat de lotgevallen van de ene overeenkomst gevolgen (kunnen) hebben voor de andere overeenkomst, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de artikelen 7:67, 7:96 en 7:99 BW. Het is echter niet noodzakelijk in de zin van de rechtspraak over processueel ondeelbare rechtsverhoudingen. Dat zijn rechtsverhoudingen waarbij het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing daarover in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen. [126] De noodzaak ziet er meer specifiek op dat de beslissing jegens alle betrokkenen bij de rechtsverhouding in zelfde zin luidt om te voorkomen dat tussen hen ‘een rechtens in beginsel onhanteerbare situatie’ zou ontstaan. [127]
vraag XIII.
vraag XIIIbetrekking heeft en waarin de consument de keuze wordt geboden tussen onmiddellijke betaling en uitstel van betaling.
vraag XIIIberust – méér dan onbetekenende kosten verschuldigd is. Indien onder die omstandigheden de consument op grond van de aangeboden informatie goed geïnformeerd een besluit kan nemen over het aangaan van de kredietovereenkomst, en daarbij zelf kan bepalen op welk moment hij gebonden is, [138] lijkt de enkele omstandigheid dat de consument zich daarvoor weinig tijd gunt onvoldoende voor de conclusie dat niet aan het voorschrift van artikel 7:60 lid 1 BW Pro is voldaan. [139] De algemene opmerking in de parlementaire geschiedenis dat van de gemiddelde consument in redelijkheid niet kan worden verwacht dat hij binnen tien minuten de verstrekte informatie bestudeert en tot een afgewogen oordeel komt, doet daaraan naar mijn mening niet af (zoals ook Arvato s.o. nr. 4.71 opmerkt), nu niet blijkt dat daarbij mede in beginsel overzichtelijke gevallen van achterafbetaling onder ogen zijn gezien.
vraag XIIIluidt als volgt. [140] De rechter dient in het licht van de omstandigheden van het geval te beoordelen of de in artikel 7:60 lid 1 BW Pro bedoelde precontractuele informatie ‘geruime tijd’ voor het sluiten van de kredietovereenkomst is verstrekt. De in vraag XIII bedoelde omstandigheden – waarin de consument, na een keuze te hebben gemaakt voor een bepaald product, vrijwel onmiddellijk de aankoop zal voltooien en zal doorgaan naar de (digitale) kassa om te betalen, en waarin zelden enige tijd zal zijn gelegen tussen de informatieverstrekking op de voet van artikel 7:60 BW Pro en het sluiten van de overeenkomst – dwingen de rechter niet tot het oordeel dat de in artikel 7:60 lid 1 BW Pro bedoelde precontractuele informatie niet ‘geruime tijd’ voor het sluiten van de kredietovereenkomst is verstrekt.
vraag XIVertoe strekt in het algemeen te vernemen of de rechter ambtshalve dient te toetsen aan de bepalingen van de Wft en het Bgfo, leent zij zich naar mijn mening niet voor beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing.
Ik vat
vraag XIValdus op, dat zij ertoe strekt te vernemen of de civiele rechter ambtshalve dient te toetsen of de kredietgever de kredietwaardigheidstoets als bedoeld in artikel 4:34 lid 1 Wft Pro heeft uitgevoerd.
Hoist Financeblijkt dat artikel 114 Bgfo Pro moet worden gezien als een uitwerking van artikel 4:34 lid 1 Wft Pro en dat artikel 113 Bgfo Pro moet worden gezien als een uitwerking van artikel 4:34 lid 2 Wft Pro: [144]
OPR-Financevan het HvJEU volgt dat de rechter ambtshalve moet toetsen of de kredietgever aan artikel 8 Richtlijn Pro consumentenkrediet heeft voldaan en daaraan ambtshalve de gevolgen moet verbinden die het nationale recht daaraan verbindt: [148]
OPR-Financebetrof een procedure waarin de kredietgever aanspraak maakte op terugbetaling van het krediet door de consument, dus een geding tussen twee ‘particulieren’ in de zin van het Unierecht. Volgens Biemans is onduidelijk, althans volgt niet uit de parlementaire geschiedenis, waarom artikel 8 Richtlijn Pro consumentenkrediet uitsluitend in artikel 4:34 Wft Pro en niet ook in het BW is omgezet. [149] Wat hier verder ook van zij, de keuze voor omzetting van artikel 8 Richtlijn Pro consumentenkrediet in de Wft impliceert naar mijn mening niet dat de civiele rechter niet gehouden is om het in het arrest
OPR-Financebedoelde ambtshalve onderzoek te verrichten in een procedure waarin de kredietgever de consument aanspreekt tot betaling. [150]
vragen XVII-XXis geconcludeerd dat in gevallen als het onderhavige de vordering tot betaling van de hoofdsom (de koopprijs) is gebaseerd op de koopovereenkomst (zie hiervoor in 7.8). De kredietovereenkomst is hier beperkt tot het verlenen van uitstel van betaling van de koopprijs tegen − naar thans wordt verondersteld (zie hiervoor in 7.1) − niet onbetekenende kosten. Vernietiging van deze kredietovereenkomst, laat de koopovereenkomst onverlet. Vernietiging van de kredietovereenkomst leidt dan ook niet tot het ontstaan van een verbintenis tot terugbetaling van (een gedeelte van de hoofdsom (de koopprijs) aan de consument.
vraag XIVluidt als volgt. [152] De rechter is in civiele procedures verplicht om ambtshalve te onderzoeken of de uit artikel 8 Richtlijn Pro consumentenkrediet voortvloeiende precontractuele verplichting voor de kredietgever om de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen, die is omgezet in artikel 4:34 lid 1 Wft Pro, is nagekomen.
vraag XIVbevestigend luidt, luidt
vraag XVof de verplichting van artikel 113 lid 1 Bgfo Pro ook geldt voor kredieten van minder dan € 1.000. Het gaat hier om de verplichting om de kredietwaardigheid te toetsen aan de hand van schriftelijke stukken (zie rov. 4.24, derde alinea, TV I). De vraag strekt ertoe, zo begrijp ik, te vernemen (i) of de rechter ambtshalve aan artikel 113 Bgfo Pro dient te toetsen en (ii) of de rechter in het kader van de ambtshalve toetsing aan artikel 8 Richtlijn Pro ook bij een krediet van € 1.000 of minder moet beoordelen of de kredietgever bij het uitvoeren van de kredietwaardigheidstoets is afgegaan op schriftelijke of op een andere duurzame drager vastgelegde informatie aangaande de financiële positie van de consument (zie rov. 4.24, eerste tot en met vijfde alinea, TV I).
vraag XVIertoe te vernemen of de kredietgever de in artikel 113 Bgfo Pro bedoelde stukken of gegevensdragers in het geding moet brengen, welke sanctie op het niet in het geding brengen van die gegevens staat en of de rechter de beoordeling van de kredietwaardigheidstoets door de kredietgever moet overdoen dan wel kan volstaan met een meer marginale toetsing.
Artikel 28 lid 1 Wck Pro verbood de kredietgever deel te nemen aan een krediettransactie waarvan de kredietsom meer dan fl. 2.000 bedraagt, zonder te beschikken over genoegzame, andere dan mondelinge, inlichtingen aangaande de kredietwaardigheid van degene, voor wie het krediet wordt aangevraagd. Het hanteren van de grens van fl. 2.000 is destijds in de memorie van toelichting als volgt toegelicht: “
Bij kleinere kredieten zou dit een onevenredig zwaar voorschrift inhouden, dat in het algemeen ook niet nodig zou zijn.” [154] Bij de invoering van de Wfd en later de Wft, alsmede bij de omzetting van artikel 8 Richtlijn Pro consumentenkrediet in de Wft – waarmee de Nederlandse praktijk op dit punt niet zou wijzigen [155] − is deze grens gehandhaafd, afgezien van een omrekening, rekening houdend met enige inflatiecorrectie, van het guldenbedrag naar een bedrag van € 1.000. [156] Ook de aan deze grens ten grondslag liggende gedachte is kennelijk gehandhaafd. [157] Artikel 114 Bgfo Pro is − via de tussenstap van artikel 60 Bfd Pro – te herleiden tot artikel 28 lid 2 Wck Pro, dat aanvankelijk ook een grens van fl. 2.000 hanteerde. Bij de invoering van de Wfd is de drempel verlaagd naar € 250. [158] De minister van Financiën heeft aangekondigd de financiële grens in artikel 113 lid 1 Bgfo Pro ook naar € 250 te brengen. [159]
vraag XVligt besloten of de civiele rechter ambtshalve moet toetsen of de kredietgever heeft voldaan aan artikel 113 Bgfo Pro, geldt het volgende.
Hoist Finance).
Schyns/Belfius, waarin het HvJEU heeft overwogen dat de vaststelling van de verplichtingen die aan de kredietgever kunnen worden opgelegd na de controle van de kredietwaardigheid, niet binnen de werkingssfeer van de Richtlijn vallen: [160]
vraag XVIwordt gesteld voor het geval naleving van artikel 113 Bgfo Pro in civiele procedures (ambtshalve) moet worden getoetst, volgt uit het voorgaande dat deze vraag geen beantwoording behoeft.
vraag XVligt besloten of de rechter in het kader van de ambtshalve toetsing aan artikel 8 Richtlijn Pro ook bij een krediet van € 1.000 of minder moet beoordelen of de kredietgever bij het uitvoeren van de kredietwaardigheidstoets is afgegaan op schriftelijke of op een andere duurzame drager vastgelegde informatie aangaande de financiële positie van de consument, geldt het volgende.
CA Consumer Finance/Bakkaus c.s.van het HvJEU. [162]
Lock leidt hieruit af dat de rechter ambtshalve moet onderzoeken of de kredietverstrekker heeft voldaan aan zijn uit die richtlijn voortvloeiende (pre)contractuele informatieverplichtingen heeft voldaan en daartoe zo nodig instructiemaatregelen moeten treffen. Het is volgens Lock aan de kredietverstrekker om te stellen en, zo nodig, te bewijzen dat hij in dit opzicht aan zijn verplichtingen heeft voldaan, ook als de consument zich er niet op beroept dat de kredietverstrekker niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan. [163] Het ambtshalve onderzoek zal in verstekzaken plaats vinden aan de hand van de dagvaarding. [164]
CA Consumer Finance/Bakkaus c.s.volgt dat verklaringen van de consument met bewijsstukken gestaafd moeten worden.
De Richtlijn is voorts niet van toepassing op kredieten van minder dan € 200. Als een lidstaat gebruikmaakt van de mogelijkheid om ook deze kredieten onder de werking van de omzettingswetgeving te brengen, zoals Nederland heeft gedaan, dan kan de nationale wetgeving betrekking hebben op “een aantal of alle bepalingen van de richtlijn” (considerans onder 10).
De Richtlijn consumentenkrediet laat dus ruimte voor de overweging die reeds aan artikel 28 Wck Pro ten grondslag was gelegd, dat rekening kan worden gehouden met de lasten die voor de kredietgever verbonden kunnen zijn aan een bepaalde wijze van uitvoering van de kredietwaardigheidstoets.
CA Consumer Finance/Bakkaus c.s.neemt het rapport Ambtshalve toetsing III van het LOVCK&T (op p. 63) het volgende standpunt in: [166]
CA Consumer Finance/Bakkaus c.s.onverenigbaar is met de financiële grens van € 1000 in artikel 113 lid 1 Bgfo Pro en dat deze bepaling niet richtlijnconform kan worden uitgelegd zodat deze bepaling onverkort dient te worden toegepast. [167]
CA Consumer Finance/Bakkaus c.s.niet dat de Richtlijn consumentenkrediet vereist dat de kredietwaardigheidstoets in alle gevallen wordt uitgevoerd aan de hand van met bewijsstukken gestaafde verklaringen van de consument. Dit arrest is daarom niet onverenigbaar met de financiële grens van artikel 113 Bgfo Pro.
OPR-Financeom ambtshalve te toetsen of de kredietgever zijn verplichting van artikel 8 Richtlijn Pro consumentenkrediet (de kredietwaardigheidstoets) heeft nageleefd.
OPR-Finance.
OPR-Financebedoelde ambtshalve onderzoek te verrichten in een procedure waarin de kredietgever de consument aanspreekt tot betaling (zie hiervoor in 7.25). De civiele rechter dient dan in het gehele nationale recht te zoeken naar aanknopingspunten die hem in staat stellen om door middel van richtlijnconforme interpretatie de volle werking van de Richtlijn te verzekeren.
Het Nederlandse recht houdt volgens de rechtspraak van de Hoge Raad in dat de civielrechtelijke zorgplicht van de kredietaanbieder verder kan reiken dan de gedragsregels die in publiekrechtelijke regelgeving zijn neergelegd. [170] Hierin zou de civiele rechter een aanknopingspunt kunnen vinden voor het oordeel dat zijn nationale recht hem niet verhindert om, ook bij kredieten onder de financiële grens van artikel 113 Bgfo Pro, aan de hand van door de kredietgever over te leggen informatie of stukken te onderzoeken of voldoende is komen vast te staan dat de kredietgever heeft voldaan aan zijn verplichting van artikel 8 Richtlijn Pro.
Informatieplichten I), rov. 3.1.17. Dit betekent dat het aan de feitenrechter is overgelaten om te beoordelen of uit de stellingen van partijen en uit de overgelegde stukken voldoende blijkt dat de kredietgever heeft voldaan aan de op hem rustende plicht om de kredietwaardigheid van de consument te toetsen, en dat het aan het beleid van de rechter is overgelaten of hij de eisende partij, als uit de overgelegde stukken niet blijkt dat daaraan is voldaan, nader in de gelegenheid stelt stukken ter staving daarvan in het geding te brengen.
vraagXV luidt als volgt. [171] De civiele rechter hoeft niet ambtshalve te toetsen of door een kredietaanbieder is voldaan aan artikel 113 lid 1 Bgfo Pro. Het is aan de feitenrechter overgelaten om te beoordelen of uit de stellingen van partijen en uit de overgelegde stukken voldoende blijkt dat de kredietgever heeft voldaan aan de op hem rustende plicht om de kredietwaardigheid van de consument te toetsen.
Vraag XVIbehoeft geen beantwoording. [172]