ECLI:NL:PHR:2022:1148
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Betwisting voortzetting geding en schorsing faillissement ex art. 29 Faillissementswet
In deze zaak staat centraal de voortzetting van een procedure na het faillissement van een van de gedaagden, waarbij een schuldeiser het geding voortzet op grond van art. 29 Faillissementswet Pro (Fw). De procedure was geschorst na het faillissement van [eiser 2], waarna een schuldeiser het geding voortzette tegen [verweerder]. De echtgenote van [eiser 2], [eiseres 1], was partij in een afzonderlijke procedure die ambtshalve van de rol werd gehaald.
De Hoge Raad oordeelt dat [eiseres 1] ontvankelijk is in haar cassatieberoep omdat het hof haar niet in de gelegenheid heeft gesteld grieven te uiten en de procedure tegen haar onterecht is behandeld terwijl deze geschorst had moeten blijven. [Eiser 2] is niet ontvankelijk in zijn cassatieberoep als eiser omdat hij door de voortzetting van de procedure door de schuldeiser buiten het geding is geplaatst, maar hij is ontvankelijk in zoverre hij klaagt over zijn onterechte uitsluiting. Een verzoek tot voeging van [eiser 2] in cassatie wordt afgewezen wegens gebrek aan belang en onjuiste motivering.
De Hoge Raad bevestigt dat de regeling van art. 29 Fw Pro een proportionele beperking vormt van het recht op toegang tot de rechter, passend binnen het faillissementsrecht en het recht op eigendom onder art. 1 EP Pro EVRM. De voortzetting van het geding door de schuldeiser vervangt de erkenning van de vordering in het faillissement en bindt de gefailleerde slechts indien deze niet tijdig betwist is. De procedure tussen [eiseres 1] en [verweerder] is geschorst en het hof had geen einduitspraak mogen doen. Het arrest van het hof wordt vernietigd voor zover het het hoger beroep van [eiseres 1] verwerpt.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor zover het het hoger beroep van de echtgenote verwerpt; het cassatieberoep van de gefailleerde wordt grotendeels niet-ontvankelijk verklaard.