Conclusie
1.Feiten en procesverloop
a) dat het gezamenlijke jaarlijkse volume aan CO2-emissies naar de atmosfeer (scope 1, 2 en 3) dat is verbonden aan de bedrijfsactiviteiten en verkochte energiedragende producten van Shell en (kort gezegd) de Shell-groep onrechtmatig is jegens Milieudefensie c.s. en (i) dat Shell dit emissievolume moet reduceren en (ii) dat deze reductieverplichting dient plaats te vinden ten opzichte van het emissieniveau van de Shell-groep van het jaar 2019 en in overeenstemming met de mondiale temperatuurdoelstelling in het Akkoord van Parijs en de daaraan verbonden best beschikbare (VN) klimaatwetenschap; en
2.De bespreking van de incidentele vordering tot voeging
De aard van de cassatieprocedure verzet zich niet tegen voeging, met dien verstande dat de derde die zich heeft mogen voegen gebonden is aan de rechtsstrijd zoals die door de middelen is bepaald. Hij kan niet zelf middelen tegen de bestreden uitspraak aanvoeren ook al mocht de cassatietermijn nog niet zijn verstreken. [10] Hij kan zich slechts aansluiten bij het standpunt van de partij aan wiens zijde hij zich heeft gevoegd en dit ondersteunen. [11] De gevoegde partij zal zich moeten houden aan de beperkingen van het cassatiedebat en dus onder andere geen nieuwe feiten kunnen aanvoeren. [12]
verwerende partijis mogelijk. [16] De belangenorganisatie die zich wil voegen, moet voldoen aan de ontvankelijkheidsvereisten van art. 3:305a BW (zoals deze luiden na inwerkingtreding van de WAMCA [17] op 1 januari 2020). Voor voeging is vereist dat de derde zich beroept op een belang waarvoor hij in rechte kan opkomen. [18] Een belangenorganisatie die niet voldoet aan de ontvankelijkheidsvereisten van art. 3:305a BW kan niet in rechte opkomen voor de belangen van anderen die hij stelt te behartigen. [19]
In dit incident tot voeging in cassatie voeren Milieudefensie c.s. en M&M opnieuw discussie over deze onderwerpen. Bij vergelijking van het arrest van het hof in het incident tot voeging en het debat dat M&M en Milieudefensie c.s. thans voeren, krijgt men de indruk dat (deels) sprake is van een herhaling van zetten.
Zie ik het goed, [20] dan worden thans wel enige nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd die niet in het incident tot voeging in het hoger beroep zijn aangevoerd. [21] M&M heeft in haar incidentele conclusie tot voeging gewezen op de opening van het Noodfonds Energie (nr. 3.2; productie 3 van M&M), de aankondiging van Milieudefensie c.s. dat zij ING in rechte zullen aanspreken (nr. 3.6; productie 4 van M&M) en de publicatie van haar jaarverslag over 2023 (nr. 3.7; het jaarverslag is door Milieudefensie c.s. overgelegd als bijlage bij het verweerschrift in incident tot voeging). Voorts hebben Milieudefensie c.s. gewezen op het aantal volgers van M&M op X op 7 mei 2025 (verweerschrift in incident tot voeging nr. 14).
Hieraan zijn overigens wel bezwaren verbonden. Aan het onder (i) bedoelde element is tot op zekere hoogte inherent dat de beoordeling ervan, die
ex nuncplaatsvindt, kán verschillen afhankelijk van de fase (eerste aanleg, hoger beroep, cassatie) waarin de procedure zich bevindt. Dit geldt niet, of althans minder, voor de beoordeling van het onder (ii) bedoelde element. Die beoordeling staat in wezen los van de fase waarin de procedure zich bevindt en beoordeling ervan in één instantie zou in beginsel kunnen volstaan [24] (uiteraard behoudens de mogelijkheid van het instellen van een rechtsmiddel tegen die beoordeling). De procesefficiëntie zou daarmee gediend zijn.
Ook zou daarmee worden voorkómen dat het gerechtshof en de Hoge Raad, als feitenrechters, verschillend oordelen over de vraag of M&M voldoet aan de ontvankelijkheidseisen van art. 3:305a BW. Dit laatste kan in zoverre worden genuanceerd dat er wel enig verschil lijkt te bestaan tussen het debat in hoger beroep en het debat in cassatie over de vraag of is voldaan aan de ontvankelijkheidseisen van art. 3:305a BW (zie hiervoor bij 2.12).
Ik bespreek hierna, wellicht ten overvloede, ook de vraag of is voldaan aan de ontvankelijkheidseisen van art. 3:305a BW.
Milieudefensie c.s. betogen dat M&M nader had moeten ingaan op (i) de bundelbaarheid van de belangen van haar achterban of op de mogelijkheid om te abstraheren van individuele omstandigheden, (ii) de wijze waarop de belangen van haar achterban geraakt zouden worden door een beperking van de uitstoot van Shell, en (iii) de onderbouwing van de stelling dat de energieprijzen zouden stijgen door klimaatprocedures (verweerschrift in incident tot voeging nrs. 19-21). Hiermee worden naar mijn mening te hoge eisen gesteld aan de stelplicht van M&M in een geval als het onderhavige waarin een ideëel doel aan de orde is. Voorts betwisten Milieudefensie c.s. de door M&M gestelde gelijksoortigheid op de grond dat een fors deel van de inwoners van Nederland voorstander is van het voorkomen en beperken van gevaarlijke klimaatverandering ook als dat hun besteedbaar inkomen zou raken (verweerschrift in incident tot voeging nr. 22). Dit argument doet mijns inziens niet af aan de gelijksoortigheid van de belangen van degene waarvoor M&M stelt op te komen, ook als het daarbij niet zou gaan om een ‘fors deel’ van de inwoners van Nederland.
kwantitatief gezien voor een voldoende groot deel van de groep getroffen gedupeerden opkomt”; dit kan worden getoetst “
op basis van de bij een vereniging aangesloten leden of door middel van het aantal gedupeerden dat zich actief voor de vordering heeft aangemeld.” [32] Aangezien ten tijde van de memorie van toelichting het representativiteitsvereiste van art. 3:305a lid 2 (aanhef) in het wetsvoorstel nog niet van toepassing was verklaard op belangenorganisaties met een ideëel doel, [33] is onduidelijk of deze kwantitatieve benadering ook van toepassing is op algemeenbelangacties en, indien dat het geval is, hoe deze kwantitatieve toetsing bij dergelijke acties dient plaats te vinden.|