Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
Het aantreffen van [slachtoffer] onderaan de flat
[getuige 1]heeft bij de politie het volgende verklaard.
[getuige 2], wonende op het adres [de flat 2] in Hoogeveen, op de tweede etage, heeft bij de politie het volgende verklaard.
forensisch onderzoekter plaatse door de politie op 8 juni 2015 is gebleken dat [slachtoffer] ongeveer twee meter vanaf de gevel van de flat op straat lag.
rapport Pathologie onderzoeknaar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood d.d. 6 juli 2015 heeft dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog, werkzaam bij het NFI, geconcludeerd dat bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] het intreden van de dood wordt verklaard op grond van uitgebreide weefselschade aan de hersenen en longen en samengevallen longen, met functieverlies van deze vitale organen.
slaapwandelenoverweegt het hof aanvullend het volgende.
zelfdodingoverweegt het hof aanvullend het volgende.
betrokkenheid van een anderdan de verdachte overweegt het hof het volgende.
Het vijfde middel
eerstedeelklacht houdt in dat niet uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid dat de verdachte haar dochter van de flat heeft ‘laten vallen’ of ‘doen vallen’, althans dat de motivering van de bewezenverklaring in zoverre ontoereikend is. De
derdedeelklacht behelst dat niet uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid dat de verdachte haar dochter ‘opzettelijk’ van de flat heeft laten vallen of doen vallen, althans dat de motivering van de bewezenverklaring in zoverre ontoereikend is. Deze deelklachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
preciesheeft afgespeeld rondom [slachtoffer] haar val van de flat, maakt de bewijsredenering van het hof niet onbegrijpelijk. Zekerheid over alle omstandigheden van het geval is voor een toereikend gemotiveerde bewezenverklaring van het tenlastegelegde immers niet vereist. [6] In zijn bewijsvoering heeft het hof, deels in reactie op door de verdediging gevoerde verweren, zijn met feitelijke waarderingen verweven vaststellingen en oordelen voldoende inzichtelijk gemaakt en ook begrijpelijk gemotiveerd waarom het naar het oordeel van het hof niet anders kan zijn dan – en dus buiten redelijke twijfel is – dat de verdachte [slachtoffer] opzettelijk van de flat heeft laten vallen of doen vallen. [7] Daarbij wijs ik vooral op de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden met betrekking tot de toestand waarin de verdachte verkeerde voorafgaande aan de val van haar dochter, het gedrag van de verdachte direct na de val van [slachtoffer] , de door het hof als niet overeenkomstig de waarheid terzijde gestelde verklaring van de verdachte dat zij sliep toen haar dochter van de flat viel en niet bij haar dood betrokken is geweest, en de klaarblijkelijk als kennelijk leugenachtige verklaring van de verdachte aangemerkte verklaring van de verdachte over het afscheidsbriefje van [slachtoffer] .
tweededeelklacht van het middel houdt in dat “het Hof onvoldoende heeft beraadslaagd op de grondslag van de tenlastelegging, nu het de bestanddelen ‘laten vallen’ en ‘doen vallen’ ten onrechte naast elkaar bewezen verklaard heeft alsof de keuze tussen die verschillende tenlastegelegde varianten niet van strafrechtelijke betekenis is, althans doordat het in de bewezenverklaring besloten liggen oordeel dat die keuze niet van strafrechtelijke betekenis is, onbegrijpelijk is”.
eerste deelklachthoudt in dat het oordeel van het hof tekortschiet “nu ‘s Hofs oordeel mede steunt op de vaststelling dat “
dat het strafdossier geen enkele concrete aanwijzing biedt voor een scenario waarin de dood van [slachtoffer] (...) aannemelijk kan worden geacht vanuit slaapwandelen (…)” hetgeen onbegrijpelijk is, aangezien het Hof in zijn arrest tevens heeft vastgesteld dat onder anderen de getuige [getuige 3] en requirante hebben verklaard over (een vorm van) slaapwandelen door [slachtoffer] ”.
concreteaanwijzing heeft aangemerkt voor een scenario waarin de dood van [slachtoffer] kan worden
verklaardof
aannemelijk kan worden geachtdoor slaapwandelen, acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat i) de overwegingen van het hof over de zich in het strafdossier bevindende getuigenverklaringen en de verklaringen van de vader en de grootouders van [slachtoffer] steun bieden voor het oordeel van het hof, ii) het hof heeft overwogen dat uit de verklaring van de getuige [getuige 3] niet kan worden opgemaakt of bij [slachtoffer] daadwerkelijk sprake is geweest van slaapwandelen, en iii) het hof heeft vastgesteld dat de verdachte aanvankelijk niets heeft verklaard over slaapwandelen door haar dochter en later slechts heeft verklaard dat er bij [slachtoffer]
eenmaalsprake is geweest van slaapwandelen. De hiervoor als i) tot iii) aangeduide overwegingen van het hof – die in cassatie slechts op één punt, en in zoverre ook vruchteloos, worden bestreden [10] – bieden voldoende grond voor het oordeel dat een concrete aanwijzing ontbreekt voor het scenario waarin de dood van [slachtoffer] kan worden verklaard of aannemelijk kan worden geacht door slaapwandelen. Verweven als het oordeel is met waarderingen van feitelijke aard, leent het zich niet voor een verdere toetsing in cassatie.
tweede deelklachthoudt in dat de redenen die het hof heeft gegeven voor de beslissing om het rapport van de deskundige Schreuder terzijde te stellen, mede in het licht van wat door de verdediging is aangevoerd, deze beslissing niet kunnen dragen, mede omdat het hof niet heeft toegelicht welke ‘kritische kanttekeningen’ het bij deze beslissing op het oog had. Het hof zou mede hierdoor in ontoereikende mate hebben gerespondeerd op het door de verdediging naar voren gebrachte slaapwandelscenario. De
derde deelklachthoudt in dat het hof “onvoldoende de redenen heeft gegeven die hebben geleid tot afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwde verdedigingsstandpunt dat slaapwandelen als oorzaak van de val aannemelijk is, aangezien het Hof de juistheid in het midden heeft gelaten van een aantal door de verdediging ingenomen stellingen over gegevens ontleend aan het rapport van drs. Schreuder”. Aangezien beide deelklachten klagen over een ontoereikend gemotiveerde afwijking van door de verdediging op basis van het rapport van de deskundige Schreuder onderbouwde standpunten, lenen zij zich voor een gezamenlijke bespreking.
XII. Slaapwandelen
Scenario 2: een ongeval, mogelijk ten gevolge van slaapwandelen
waarschijnlijker”. Elders in het rapport lezen we dat dit betekent dat het 10 tot 100 keer waarschijnlijker is dat de bevindingen passen bij hypothese I dan bij hypothese II. Als uw hof deze conclusie onverkort over zou nemen zou uw uitspraak wel eens heel kort kunnen zijn: de kans dat sprake zou zijn van een misdrijf is verwaarloosbaar klein en vrijspraak is dan de enig mogelijke uitkomst.
Dus indien de voordeur naar de galerij niet open stond of niet open kon, en er aangetoond kan worden dat het niet aannemelijk is dat een kind of volwassene door het raam kan klimmen, dan zou hypothese II niet uit te sluiten zijn. Uit de gegevens die mij ter beschikking zijn gesteld blijkt hiervoor geen aanwijzing.”
buiten mijn vraagstelling”. Waarop hij dit baseert is ons onduidelijk. Maar belangrijker: wij zijn het met Schreuder eens dat zijn deskundigheid zich niet uitstrekt tot de vraag naar de waarschijnlijkheid van een misdrijf, maar dat geldt naar ons oordeel net zo sterk voor de kans dat sprake is geweest van suïcide. Het enige waarover hij een op zijn deskundigheid gebaseerde uitspraak kan doen heeft betrekking op de vraag of een nachtelijke paniekstoornis een rol kan hebben gespeeld. Hij begeeft zich op glad ijs als hij stelt dat:
reëleen meest voor de hand liggende andere mogelijkheid die tot de dood van [slachtoffer] kan hebben geleid is de conclusie dat hypothese I waarschijnlijker is dan hypothese II van
nul en generlei waarde. Dan resulteert slechts de eindconclusie dat “het niet valt uit te sluiten dat [slachtoffer] slaapwandelend de flat heeft verlaten en over de balustrade is geklommen”, een conclusie die deels is getrokken op te snelle en te makkelijk gedane aannames en deels op een in onze visie onjuiste interpretatie van het dossier, we komen daar nog uitgebreid op terug.
dodelijkongeval tijdens slaapwandelen ontbreekt en deze desgevraagd ook niet ter zitting van uw hof werd gegeven, gaat het hier in onze ogen om een louter theoretische mogelijkheid, waar dus tegenover moet worden gesteld dat doodslag van ouders op hun kinderen zich - helaas - wel met een zekere regelmaat voordoet.
vele malengroter dan dat dit gebeurt als gevolg van een ongeluk tijdens het slaapwandelen. Mocht uw hof overwegen om de eindconclusie van Schreuder tot de uwe te maken, dan vinden wij het noodzakelijk een Bayesiaans deskundige statisticus te benoemen die - in tegenstelling tot Schreuder - in zijn berekeningen
wélde mogelijkheid van een misdrijf betrekt. Dat verzoek doen wij dan ook in voorwaardelijke vorm.
geenaanwijzingen zijn voor het in de familie van één van beide ouders voorkomen van slaapwandelen - mede omdat niet bekend is wie de natuurlijke vader was - omkeert: “geen aanwijzingen” wordt in het rapport “niet uit te sluiten”.
voorbereidendefactoren, zoals slecht slapen en stress, is de onderbouwing wederom flinterdun. De stress zou voortkomen uit de ruzie tussen moeder en dochter die avond over de barbecue. Een niet te volgen redenering nu dit volgens verdachte allemaal niet zo veel voorstelde en ze haar die avond gewoon naar bed heeft gebracht.
misschienin haar slaap het bed uit is gegaan”.
uitlokkendefactoren voor slaapwandelen, wordt door de deskundige onder meer gebaseerd op het gegeven dat getuige [getuige 5] spreekt over een harde klap; als dat geluid is “veroorzaakt door een raam of een deur die door een windvlaag open gaat, zou dit een uitlokkende factor kunnen zijn geweest”, aldus de deskundige. Ook deze door hem geopperde mogelijke oorzaak van de gehoorde harde klap overstijgt niet het niveau van suggestie.
niet valt uit te sluitendat [slachtoffer] slaapwandelend de flat heeft verlaten en over de balustrade is geklommen” kunnen wij niet bestrijden, simpelweg omdat
nietsvalt uit te sluiten. Maar daar gaat het niet om: de vraag is of het scenario dat sprake is geweest van een ongeval als gevolg van slaapwandelen
aannemelijkis geworden. Die conclusie kan naar onze overtuiging onmogelijk getrokken worden op basis van het rapport van de deskundige Schreuder.”
vierde deelklachthoudt in dat het oordeel van het hof dat het alternatieve scenario van slaapwandelen niet aannemelijk is geworden, onbegrijpelijk, dan wel ontoereikend gemotiveerd, is “nu het Hof – in weerwil van het betoog van de verdediging – het scenario van slaapwandelen niet heeft beoordeeld in de volledige context van het dossier, in die zin dat niet de contra-indicaties voor een misdrijf (gepleegd door requirante) in die beoordeling zijn betrokken”.
nietnoodzakelijk is. De noodzaak voor dergelijk onderzoek zal doorgaans ter terechtzitting in hoger beroep immers niet (meer) aanwezig zijn en als uitgangspunt geldt dat uitzonderingsgevallen motivering behoeven, maar waarom geen sprake is van een uitzonderlijke situatie behoeft de rechter doorgaans niet uit te leggen.
XI. De verklaring van [getuige 5]
Zij heeft de gesprekken dusdanig bewerkt dat alleen gedeeltes te zien zijn, die van toepassing zijn op de zaak. (cursief raadsman)
Ik denkdat ik thuis op internet heb opgezocht wat er dan gebeurd was in Hoogeveen.
Ik denkwel dat dat het eerste moment was waarop ik vernam dat er een meisje van mijn flat af op de grond was gekomen. Ik heb mij erover verbaasd dat ik ‘s nachts niets mee heb gekregen van wat op straat gebeurde.”
Pas toen de politie bij mij kwam en mij vertelde dat het meisje onder mij naar beneden was gevallen dacht ik dat de “vuilniszak” die ik had horen vallen, het meisje geweest moet zijn. Dat verband is door mij pas later gelegd, zoals u zegt. Het volle besef daarvan is denk ik pas tijdens het verhoor dit jaar gekomen.
kortnadat het gebeurd was dat het meisje onder mij was gevallen en of ik iets had gehoord. Je gaat dan bij jezelf te rade wat heb je gehoord die nacht. Dat was die bons en naar wat ik meende die vuilniszak over de reling.”
Tijdens de proef is de kans op waarneembaarheid vergroot door in het geluidpad via de galerij de ramen van de beide slaapkamers naar de galerij niet te sluiten.Daarnaast was er een geluidpad via de geopende deuren naar de hal in het appartement van de getuige naar de keuken, die grenst aan de slaapkamer van het naastgelegen appartement waar de luidspreker was geplaatst.
maar dit kan niet geheel worden uitgesloten. Daarnaast is het in principe mogelijk dat de getuige een gesprek heeft waargenomen dat niet in een appartement is gevoerd, maar bijvoorbeeld buiten op een galerij.
eerste deelklachtwordt aangevoerd dat het hof ontoereikend gemotiveerd is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de verklaringen van de getuige [getuige 5] niet betrouwbaar zijn. Daartoe wordt erop gewezen dat het hof geen uitdrukkelijke aandacht heeft besteed aan de betrouwbaarheid van diverse ambtsedige verklaringen van politiefunctionarissen die met de inhoud van de verklaringen van [getuige 5] onbestaanbaar zijn, terwijl het standpunt van de verdediging mede op deze ambtsedige verklaringen steunt.
nietafgeweken van wat de verdediging onder verwijzing naar de verklaringen van politiefunctionarissen [verbalisant 6] , [verbalisant 8] en [verbalisant 7] heeft aangevoerd. Het hof stelt immers vast dat, ook ondanks de afgelegde ambtsedige verklaringen waarop de verdediging doelt, er onduidelijkheid blijft bestaan over de kwestie of de getuige [getuige 5] al in 2015 tegenover de politie heeft verklaard overeenkomstig de verklaringen die in 2017 zijn afgelegd. Het bestaan van deze onduidelijkheid, is voor het hof geen reden geweest om de in 2017 afgelegde verklaringen van de getuige [getuige 5] onbetrouwbaar te achten. Dat feitelijke oordeel van het hof acht ik, in het licht van wat door de verdediging is aangevoerd, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat, anders dan waar de steller van het middel van lijkt uit te gaan, in de overwegingen van het hof
nietbesloten ligt dat het geen geloof hecht aan de ambtsedige verklaringen van de diverse politiefunctionarissen. In zijn overwegingen ligt enkel als kennelijk oordeel van het hof besloten dat deze ambtsedige verklaringen onvoldoende grond vormen voor de gevolgtrekking dat de getuige [getuige 5] in 2015 niet heeft, of kan hebben, verklaard overeenkomstig de door hem in 2017 afgelegde verklaringen. Dit – sterk met waarderingen van feitelijke aard verweven – oordeel doorstaat de cassatietoets. Tot een nadere motivering was het hof – mede gelet op het als inleiding op de bespreking van de middelen weergegeven juridisch kader – ook niet gehouden, zodat de eerste deelklacht faalt.
tweede deelklachthoudt in dat het oordeel van het hof over de betrouwbaarheid en bruikbaarheid voor het bewijs van de verklaringen van de getuige [getuige 5] “ook overigens” niet begrijpelijk is, althans – in het licht van wat namens de verdediging is aangevoerd – ontoereikend is gemotiveerd. Daartoe wordt in de toelichting op deze deelklacht aangevoerd dat het oordeel dat de getuige [getuige 5] al in 2015 heeft verklaard over “(kort gezegd) het gesprek tussen moeder en dochter, de bons, en de tikken tegen de reling” niet zonder meer begrijpelijk is gelet op de ter staving van dat oordeel door het hof opgevoerde “steunbewijsmiddelen”.
directen
volledigsteun bieden voor de gevolgtrekking dat [getuige 5] al in 2015 tegenover de politie over het gesprek tussen de verdachte en haar dochter heeft verklaard zoals hij dat in 2017 heeft gedaan. Het hof heeft niettemin vastgesteld dat de getuige [getuige 5] “kort na het incident op 8 juni 2015, al vóór 11 juni 2015, gesproken heeft met de politie over zijn waarnemingen zodat een vergissing met betrekking tot de datum niet aannemelijk is”. Die vaststelling berust mede erop dat uit de verklaringen en de aantekeningen van de maatschappelijk werkers [betrokkene 2] en [betrokkene 3] blijkt dat de getuige [getuige 5] i) op 11 juni 2015 heeft verklaard dat hij bezoek heeft gehad van de politie over het incident in [de flat] (de val van [slachtoffer] ) en ii) hij op 11 april 2016 heeft verklaard dat hij moeder en dochter heeft horen praten en dat hij dit heeft besproken met de rechercheurs. Deze uit de verklaringen en aantekeningen van de maatschappelijk werkers volgende feiten en omstandigheden heeft het hof als
additionelefactoren kunnen betrekken bij zijn vaststelling dat de verdachte kort na het incident met de politie heeft gesproken
over zijn waarnemingen(over het gesprek tussen moeder en dochter). De in de tweede deelklacht bestreden vaststelling berust immers niet
alleenop de verklaringen en aantekeningen van de maatschappelijk werkers. De juistheid van deze vaststelling heeft het hof namelijk ook gegrond op de verklaringen van de getuige [getuige 5] die mede inhouden dat hij in 2017 tegenover de politie heeft verklaard overeenkomstig hetgeen hij al in 2015 kort na de val van [slachtoffer] tegenover de politie had verklaard. Bij zijn oordeel dat de verklaringen van [getuige 5] betrouwbaar zijn, heeft het hof onder meer in aanmerking genomen dat i) de getuige in grote lijnen consistent is in zijn verklaringen over hetgeen hij in de nacht van 7 op 8 juni 2015, tussen middernacht en 01.30 uur, heeft gehoord, ii) uit auditief onderzoek blijkt dat hetgeen [getuige 5] zegt te hebben gehoord door hem ook daadwerkelijk kan zijn gehoord, en ii) de deskundige Wolters in zijn onderzoek naar de betrouwbaarheid van de door [getuige 5] afgelegde verklaringen heeft geconcludeerd dat deze verklaringen in aanzienlijke mate betrouwbaar zijn.
derde deelklachtwordt aangevoerd, zo begrijp ik, dat het hof ontoereikend gemotiveerd is afgeweken van het door de verdediging onder verwijzing naar het rapport van Otten ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat hetgeen de getuige [getuige 5] zegt te hebben gehoord over het tikken tegen de reling geen betrekking kan hebben op de val van [slachtoffer] aangezien deze deskundige het zeer onwaarschijnlijk acht dat [slachtoffer] tijdens de val meer dan één keer tegen de balustrade is gekomen.
niettot het bewijs gebruikt. Dat brengt mee dat het middel ten onrechte is gebaseerd op de opvatting dat het hof de door de verdachte afgelegde verklaring over de toedracht van de val van [slachtoffer] als kennelijk leugenachtige verklaring heeft aangemerkt. Het middel mist dus feitelijke grondslag en kan niet tot cassatie leiden.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
NJ2019/379, m.nt. Vellinga. Dat arrest houdt onder meer het volgende in:
enkeleen onverhoedse confrontatie een ‘directe confrontatie’ oplevert die tot vergoeding van shockschade aanleiding kan geven. Dat een onverhoedse confrontatie immer is vereist, kan volgens mij ook niet worden afgeleid uit de afdoening met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering van de klachten van de benadeelde partijen over de door het hof afgewezen vorderingen tot vergoeding van shockschade in HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:536 (het arrest waaraan de hiervoor besproken conclusie van A-G Aben voorafging). Ook uit de feitenrechtspraak kan niet eenduidig worden afgeleid welke eisen moeten worden gesteld aan de ‘mate van directheid’ van de confrontatie met de ernstige gevolgen van een strafbaar feit ingeval een benadeelde op een later moment wordt geconfronteerd met de ernstige gevolgen die een (overleden) naaste heeft overgehouden aan een strafbaar feit. Dat de recente feitenrechtspraak op dit punt verdeeld is, blijkt uit de conclusie van advocaten-generaal Spronken en Lindenbergh van 22 februari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:166. [20] Hoewel in sommige uitspraken valt te lezen dat een onverhoedse of onverwachte confrontatie is vereist voordat een vordering tot vergoeding van shockschade kan worden toegewezen op de grond dat sprake was van een ‘directe confrontatie’ met de bij een overleden naaste aanwezige ernstige gevolgen van een strafbaar feit, is ook een andere lijn zichtbaar. In verschillende uitspraken van feitenrechters wordt de gevorderde shockschade ook toewijsbaar geacht in geval een benadeelde, na of ten tijde van het intreden van de dood van een naaste die door een strafbaar feit is veroorzaakt, het lichaam van de naaste, of delen daarvan, (ter identificatie) heeft waargenomen in bijvoorbeeld het ziekenhuis, een uitvaartcentrum of een mortuarium. [21] Tegen de achtergrond van de door Spronken en Lindenbergh gesignaleerde uiteenlopende oordelen van feitenrechters over de invulling van het begrip ‘directe confrontatie’ in gevallen waarin de gebeurtenis – bijvoorbeeld het tegen een naaste begaan strafbaar feit – door de benadeelde niet is waargenomen en deze ook niet kort daarna op de plaats van de gebeurtenis met de gevolgen ervan is geconfronteerd, geven deze advocaten-generaal de Hoge Raad in overweging om – mede naar aanleiding van de door hen aangereikte gezichtspunten – onder meer het vereiste van een ‘directe confrontatie’ te verduidelijken. [22]