Conclusie
Inleiding
Bewezenverklaringen, bewijsvoering en strafmotivering
ter terechtzitting in hoger beroepvan 10 januari 2022
afgelegde verklaring van verdachte [verdachte] .
proces-verbaal van bevindingenvan 21 januari 2018, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar T-l 55 (doorgenummerde pag. 10002, 10003, 10014, 10015, en 10017).
proces-verbaal van verhoor verdachte [1] van 27 mei 2015, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren G-120 en T-626 (doorgenummerde pag. 150005-150008).
verklaring van [betrokkene 1], zakelijk weergegeven:
proces-verbaal van verhoor getuigevan 13 mei 2015, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , inclusief bijlagen (doorgenummerde pag. 30014-30021).
verklaring van [slachtoffer 4]:
proces-verbaal van bevindingenvan 25 januari 2018, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar T-385 (doorgenummerde pag. 50134-50135).
proces-verbaal van verhoor getuigevan 15 mei 2015, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren T-515 en T-385, inclusief bijlagen (doorgenummerde pag. 30047-30052).
proces-verbaal van verhoor getuigevan 13 augustus 2015, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren T-328 en T-083 (doorgenummerde pag. 30099-30105).
proces-verbaal van verhoor getuigevan 16 mei 2015, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren T-328 en T-661 (doorgenummerde pag. 3Q151-30153).
verklaring van [betrokkene 4]:
proces-verbaal van verhoor getuigevan 15 mei 2015, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren T-661 en T-328 (doorgenummerde pag. 3 0154 en 0155).
verklaring van [betrokkene 5]:
proces-verbaal van bevindingenbetreffende camerabeelden Connection Systems van 20 mei 2015, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar T-402 (doorgenummerde pag. 50054-50061).
proces-verbaal van bevindingenvan 13 mei 2015, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , (doorgenummerde pag. 30001-0003).
proces-verbaal van bevindingenbetreffende een sporenonderzoek van 20 mei 2015, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (inclusief bijlagen pag. 80004-80074).
proces-verbaal van bevindingenbetreffende een sporenonderzoek van 14 mei 2015, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , inclusief bijlagen (doorgenummerde pag. 80091-80111).
geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, inhoudende een onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek van 3 augustus 2015, opgemaakt door drs. B.J. Blankers, NFl-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA (doorgenummerde pag. 80171-80174).
geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, inhoudende een onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek van 9 juni 2017, opgemaakt door ing. J.L.W. Dieltjes, NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA (doorgenummerde pag. 80214-80218).
proces-verbaal van bevindingenbetreffende een sporenonderzoek van 21 september 2015, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 7] en [verbalisant 4] (pag. 80126- 80127).
geschrift, zijnde een niet-ondertekend rapport betreffende aanvullend vergelijkend verfonderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut van 12 november 2015, opgemaakt door ir. M.L. Hordijk (doorgenummerde pag. 80180-80188).
proces-verbaal van bevindingenbetreffende DNA-onderzoeken van 30 januari 2018, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar T-l 55 (doorgenummerde pag. 50118- 50119).
proces-verbaal van bevindingenvan 19 januari 2018, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 8] en [verbalisant 4] (inclusief bijlagen doorgenummerde pag. 80219- 80238).
proces-verbaal van bevindingenbetreffende camerabeelden van [B] van 14 mei 2015, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar T-402 (doorgenummerde pag. 50050-50053).
geschrift, zijnde een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 28 mei 2015, opgemaakt door arts en patholoog dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, NFl-deskundige forensische pathologie (doorgenummerde pag. 80156-80170).
proces-verbaal van bevindingenbetreffende sporenonderzoek van 14 mei 2015, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 5] , inclusief bijlagen (doorgenummerde pag. 80129-80138).
proces-verbaal van aangiftevan 20 mei 2015, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar T-559 (doorgenummerde pag. 20001-20002).
verklaring van [slachtoffer 2]:
proces-verbaal van aangiftevan 22 mei 2015, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar T-083 (doorgenummerde pag. 20003-20006).
verklaring van [slachtoffer 3]:
proces-verbaal van verhoor getuigevan 17 mei 2015, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren T-5 15 en T-385, inclusief bijlagen (doorgenummerde pag. 30091-30098).
verklaring van [slachtoffer 5]:
proces-verbaal van verhoor getuigevan 27 oktober 2015, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren T-385 en T-515, inclusief bijlagen (doorgenummerde pag. 30022- 30046).
verklaring van [slachtoffer 4]:
Het eerste cassatiemiddel(zaak A onderzoek Geep)
NJ2022/22 en HR 29 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1654,
NJ2023/80, m.nt. Jörg – aangevoerd dat in de zogenoemde post ‘Keskin-rechtspraak’ als centraal thema naar voren komt dat het recht van een verdachte om een getuige te horen verstevigd wordt en daarbij zwaar weegt of het horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang kan zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben, waarvoor onder meer van belang zijn de inhoud van de beschuldiging, de andere resultaten van het onderzoek en de procesopstelling van de verdachte. De inhoud van de beschuldiging in de onderhavige zaak, aldus de steller van het middel, brengt mee dat het belang van de verdediging een getuige over een vitaal onderdeel daarvan te horen moet worden voorondersteld en, mede gelet op de resultaten van het onderzoek zoals in de overwegingen van het hof naar voren zijn gekomen en de ontkennende procesopstelling van de verdachte, niet gezegd kan worden dat de verdachte geen enkel belang kan hebben bij het horen van de getuige [betrokkene 1] of dat diens verklaring geen toegevoegde waarde zal hebben. Volgens de steller van het middel is “‘s-Hofs oordeel dat er geen noodzaak is deze als getuige à décharge aangemerkte getuige te horen in het licht van het voorgaande mitsdien onbegrijpelijk, althans niet zonder meer begrijpelijk”.
NJ2021/173, m.nt. Reijntjes zijn eerdere rechtspraak [4] over het oproepen en horen van bepaalde getuigen op onderdelen bijgesteld. De Hoge Raad attendeert er in dit arrest vooreerst op dat het Nederlandse Wetboek van Strafvordering in de voorschriften die zien op het oproepen en horen van getuigen geen onderscheid maakt tussen prosecution witnesses en defence witnesses (rov. 2.4 en 2.7.1) en sluit daarom aan bij de
strekkingvan de verklaring van de getuige. In lijn daarmee is de overweging van de Hoge Raad in dit arrest (rov. 2.9.2) dat het belang bij het oproepen en horen moet worden verondersteld bij getuigen ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking; de strekking van de verklaring is belastend als die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt. Dat betekent evenwel niet, zo vervolgt de Hoge Raad (rov. 2.9.3), dat elk verzoek tot het oproepen en horen van een getuige die al een belastende verklaring heeft afgelegd, door de rechter zonder meer moet worden toegewezen. Zo verzet art. 6 EVRM Pro zich er niet tegen dat de rechter het verzoek afwijst als het oproepen en horen van een getuige onmiskenbaar irrelevant of overbodig (“manifestly irrelevant or redundant”) is, omdat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Dat kan zich volgens de Hoge Raad voordoen indien de al door de getuige afgelegde verklaring betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist of als die feiten en omstandigheden door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. [5]
NJ2021/370, m.nt. Jörg gaat de zaak over de diefstal van konijnen uit een dierenfokkerij door een dierenactivist. De verdediging wilde de aangeefster in die zaak ondervragen. Ondanks dat het hof haar verklaring voor het bewijs had gebruikt, ging het volgens de Hoge Raad gelet op de strekking van het verweer niet om een verzoek dat betrekking had op het uitoefenen van het ondervragingsrecht in verband met een door de getuige afgelegde belastende verklaring die voor het bewijs kon worden gebruikt of al was gebruikt. Weliswaar had het hof als bewijsmiddel 1 een door de aangeefster afgelegde verklaring over het wegnemen van een nest konijnen door de verdachte tot het bewijs gebezigd, maar uit het verzoek van de raadsman bleek dat die verklaring niet werd betwist, terwijl blijkens de als bewijsmiddel 2 gebruikte verklaring van de verdachte door de verdachte niet werd weersproken dat hij een moederkonijn met haar jongen uit de fokkerij van de aangeefster had weggenomen. Het verzoek was namelijk gedaan met het oog op het onderbouwen van het beroep op noodtoestand en (psychische) overmacht.
NJ2022/22 betreft een zedenzaak waarin de verdachte en het slachtoffer onder meer Whatsapp-berichten naar elkaar hadden gestuurd. Het slachtoffer legde een belastende verklaring af. Het verzoek van de verdediging om haar als getuige te horen, werd echter afgewezen. Volgens het hof viel niet in te zien waarom het horen van het slachtoffer van belang kon zijn voor enige in deze strafzaak te beantwoorden vraag. De Hoge Raad vond dat oordeel onder de omstandigheden van dat geval niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigen en evenmin onbegrijpelijk. Hij paste daarvoor het uitgewerkte toetsingskader toe door in rov. 2.4.1 te refereren aan het voormelde arrest van 20 april 2021 en te herhalen dat de rechter het verzoek om een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al in het vooronderzoek of anderszins een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking op te roepen en te horen, niettemin kan afwijzen, onder meer als hij tot het oordeel komt dat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Daarnaast expliceerde de Hoge Raad in dit arrest van 21 december 2021 (rov. 2.4.2) dat voor het oordeel dat zich een dergelijke situatie voordoet onder meer van belang zijn “de inhoud van de in de tenlastelegging tot uitdrukking gebrachte beschuldiging, de andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek die zich in het procesdossier bevinden, zoals verklaringen van andere getuigen, en de procesopstelling van de verdachte, een en ander in het licht van het verhandelde ter terechtzitting waaronder wat daar mogelijkerwijs nog door de verdediging naar voren is gebracht over het doel van de beoogde ondervraging”. [6]
NJ2017/440, m.nt. Kooijmans neergelegde regel dat het verzoek tot het oproepen en het horen van getuigen door de verdediging moet worden gemotiveerd. De Hoge Raad merkte nadrukkelijk op dat het arrest van 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576,
NJ2021/173, m.nt. Reijntjes daarin geen verandering heeft gebracht. Voorts had het hof naar het oordeel van de Hoge Raad het verzoek terecht getoetst aan het noodzaak-criterium en zijn beslissing naar behoren gemotiveerd.
NJ2023/80, m.nt. Jörg had het hof het verzoek van de verdediging om de aangeefster te horen afgewezen, omdat de verklaring in haar aangifte werd ondersteund door andere bewijsmiddelen, waaronder de (grotendeels bekennende) verklaring van de verdachte. Voor de Hoge Raad was dat niet voldoende voor de afwijzing van het getuigenverzoek, omdat het hof de bewezenverklaring uitsluitend had doen steunen op de verklaringen van de aangeefster en de verdachte, terwijl de verklaringen van de aangeefster tevens betrekking hadden op feiten en omstandigheden die door de verdachte werden betwist. Daaruit volgde naar het oordeel van de Hoge Raad niet dat het horen van de aangeefster als getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zou zijn of geen toegevoegde waarde zou hebben.
NJ2023/81, m.nt. Jörg was de verdachte in een hennepkwekerij in een woning aangetroffen en voor het telen van een grote hoeveelheid hennep in die woning veroordeeld. De verdediging wenste A als getuige te horen omtrent de betrokkenheid van een ander bij de kwekerij. Maar omdat de door die getuige afgelegde verklaringen betrekking hadden op feiten en omstandigheden die weliswaar door het hof voor het bewijs waren gebruikt, doch door de verdachte niet waren betwist, deed zich volgens de Hoge Raad niet de situatie voor waarin het hof, vanwege het gebruik van de verklaringen van A voor het bewijs, het belang bij het oproepen en horen van deze getuige had moeten vooronderstellen en het van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang had mogen verlangen. Het cassatieberoep werd verworpen.
NJ2022/22 preciseert de Hoge Raad dat voor beantwoording van de vraag of het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben (onder meer) van belang zijn “de inhoud van de in de tenlastelegging tot uitdrukking gebrachte beschuldiging, de andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek die zich in het procesdossier bevinden, zoals verklaringen van andere getuigen, en de procesopstelling van de verdachte, een en ander in het licht van het verhandelde ter terechtzitting waaronder wat daar mogelijkerwijs nog door de verdediging naar voren is gebracht over het doel van de beoogde ondervraging”. Volledige duidelijkheid heeft de Hoge Raad met deze precisering mijns inziens evenwel nog niet gegeven. Zo kan bij de eerste beoordelingsfactor – de inhoud van de in de tenlastelegging tot uitdrukking gebrachte beschuldiging – in meer algemene zin worden gedacht aan de aard en ernst van de beschuldiging, maar deze factor zou ook zo kunnen worden begrepen dat het moet gaan om een verklaring die betrekking heeft op in de tenlastelegging voorkomende gedraging(en). Bij de tweede factor – de andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek die zich in het procesdossier bevinden, zoals verklaringen van andere getuigen – gaat het denk ik vooral om materiaal dat tot bewijs van het tenlastegelegde kan dienen of al heeft gediend. De derde beoordelingsfactor – de procesopstelling van de verdachte – kan evenals de eerste beoordelingsfactor op verschillende manieren worden uitgelegd, namelijk als zijn opstelling in bewijstechnische zin (bekennend of ontkennend), of meer specifiek als zijn houding tegenover de verklaring van de getuige in die zin of hij de inhoud daarvan wel of niet betwist. Dat dit laatste hier hoe dan ook een belangrijke rol speelt, blijkt uit rechtspraak waaruit volgt dat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering (in de regel) van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben indien de al door de getuige afgelegde verklaring betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist of als die feiten en omstandigheden door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Het schijnt mij toe dat in dat geval het uitgewerkte toetsingskader niet in volle omvang hoeft te worden toegepast. Ter adstructie wijs ik op HR 29 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1728,
NJ2023/81, m.nt. Jörg. Daarin deed zich de situatie voor dat de door de getuige afgelegde verklaringen betrekking hadden op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet waren betwist. Reeds daaruit volgde, zo begrijp ik de overweging van de Hoge Raad, dat zich niet de situatie voordeed waarin het hof, vanwege het gebruik van de verklaringen van de getuige voor het bewijs, het belang bij het oproepen en horen van deze getuige had moeten vooronderstellen en het van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang had mogen verlangen. [7] Voor zover het cassatiemiddel uitging van een andere opvatting, was het tevergeefs voorgesteld. Dit alles impliceert tevens dat in het geval het verzoek betrekking heeft op het horen van een getuige die een verklaring heeft afgelegd die voor het bewijs is gebruikt of kan worden gebruikt en bovendien niet eerder door de verdediging is gehoord, maar waarbij het belang van het oproepen en horen van deze getuige niet hoeft te worden verondersteld, een onderbouwing van het verzoek mag worden verlangd. In dat geval komt het noodzaakcriterium in beeld. [8]
inde shishalounge (zie randnummer 9). De raadsman geeft daarvoor als reden op dat de verdachte te kennen heeft gegeven dat er vanuit (ik, A-G, begrijp
in) de shishalounge op hem geschoten is als gevolg waarvan hij een verwonding heeft opgelopen aan buik en rug, en dat de te stellen vragen alle verband houden met de onderbouwing van deze verklaring van de verdachte. De raadsman voegt daaraan nog toe dat deze te stellen vragen relevant zijn voor de vragen van art. 350 Sv Pro, maar licht dit niet toe.
Het tweede cassatiemiddel(zaak A onderzoek Geep)
dodelijkvuurwapengeweld is overwogen. Dat lijkt mij een wat gekunstelde waardering van de feiten, als een van de daders rondloopt met een volautomatisch militair aanvalsgeweer dat ook nog eens van verzwaarde munitie is voorzien. Het hof heeft naar het mij voorkomt dan ook terecht geoordeeld dat het gebruik van dodelijk vuurwapengeweld in het plan was ingecalculeerd.
Het derde en het vierde cassatiemiddel(zaak A onderzoek Geep respectievelijk zaak B onderzoek Baudette)
NJ2019/111-115, m.nt. Mevis heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over de eendaadse samenloop gegeven. De overwegingen uit deze arresten kunnen, voor zover hier van belang, op hoofdlijnen als volgt worden samengevat. [11] De eendaadse samenloop vervult een wezenlijke functie bij het voorkomen van onevenredige aansprakelijkheid en bestraffing in geval van gelijktijdige berechting van sterk samenhangende strafbare feiten. Voor de eendaadse samenloop komt het vooral aan op de vraag of de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Het beoogde doel sluit daarmee in zekere zin aan op dat van art. 68 Sr Pro, welke bepaling ook dubbele bestraffing wil voorkomen. In dat licht kan een parallel worden getrokken met de voor die bepaling relevante vraag of sprake is van ‘hetzelfde feit’ omdat de strekking van de bepalingen niet wezenlijk uiteenloopt. Wat betreft de kwalificatie van het bewezenverklaarde in geval van eendaadse samenloop is het in beginsel aan de feitenrechter om de vraag te beantwoorden of hij in geval van eendaadse samenloop het bewezenverklaarde enkelvoudig kwalificeert (onder de zwaarste strafbepaling) dan wel of hij meervoudig kwalificeert en vervolgens de zwaarste strafbepaling toepast bij de straftoemeting. Denkbaar is dat de feitenrechter, teneinde onevenredige aansprakelijkheid te voorkomen, een enkelvoudige kwalificatie aangewezen acht.
Het vijfde cassatiemiddel(strafoplegging)
lijkt(cursivering van de steller van het middel) te bestaan tussen de bewezenverklaarde feiten en de golf van geweld en liquidaties in de afgelopen jaren, een speculatief element aan de oplegging van de levenslange gevangenisstraf ten grondslag gelegd, waardoor zijns inziens de motivering van deze straf in afwijking van de eis van de advocaat-generaal ter terechtzitting (een gevangenisstraf voor de duur van 27 jaren, met aftrek van het voorarrest) ontoereikend dan wel onbegrijpelijk is. De steller van het middel voert aan dat de verdachte zich niet heeft kunnen verdedigen tegen deze beweerdelijke of speculatief aangenomen samenhang en dat hij mede verantwoordelijk is gehouden voor andere liquidaties en een conflict tussen twee groeperingen in de onderwereld. Dat zou strijdig zijn met een “fair hearing” als bedoeld in art. 6, derde lid sub a, EVRM “inhoudend dat de verdachte tijdig in detail moet worden geïnformeerd over de nature and cause of the accusations aganst him”.
Slotsom