Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 2.3.1wordt geklaagd dat in rov. 5.3 van de bestreden beschikking is onderkend dat de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in hoger beroep niet ter discussie staat [7] . Het hof heeft ten onrechte dan wel zonder nadere motivering onbegrijpelijk de noodzaak tot uithuisplaatsing dan wel de mogelijkheid van thuisplaatsing van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] (mede) gebaseerd op de aanvankelijke houding van de vader ten aanzien van de problematiek van [minderjarige 1] terwijl de aanvankelijke houding van de vader ten aanzien van de problematiek van [minderjarige 1] - voor het hof kenbaar - ten goede is gewijzigd.
subonderdeel 2.4wordt geklaagd dat het hof in rov. 5.8 van de bestreden beschikking, door het oordeel van de kinderrechter over te nemen en tot het zijne te maken, een onvoldoende dan wel onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven omtrent de diverse, per kind verschillende, omstandigheden thuis en in hun pleeggezinnen. In het bijzonder is het hof niet, althans onvoldoende ingegaan op de actuele situatie voor wat betreft het opvoedklimaat bij de ouders voor [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] en de opvoedcapaciteiten van de ouders [10] . Ook bij de beoordeling van het verweer van de GI [11] heeft het hof niet duidelijk gemaakt waarom de uithuisplaatsingen nog steeds noodzakelijk zijn dan wel waarom thuisplaatsing niet mogelijk zou zijn. Dit klemt te meer omdat namens de ouders ter zitting is aangevoerd dat - zowel in het algemeen als in casu - de bevindingen van de Raad en de GI al gauw door de rechter worden overgenomen en de weerleggingen daarvan door de ouders in hun nadeel worden uit gelegd [12] . In zoverre heeft het hof ook niet dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd geoordeeld omtrent hetgeen in de grieven II, III, IV en V is aangevoerd ten aanzien van de noodzaak tot uithuisplaatsing voor [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] alsmede omtrent hetgeen in grief VI en VIII is aangevoerd ten aanzien van de
huidigeopvoedingscapaciteiten van de ouders [13] .
subonderdeel 2.1geklaagd wordt dat onbegrijpelijk niet (kenbaar) is beoordeeld hetgeen in de grieven I (bovengemiddeld opvoedklimaat), V (feiten zaak- zorgen kinderen te zwaar ingezet), VI (opvoedcapaciteiten ouders) en VIII en IX (onvoldoende problematiek uithuisplaatsing en terugplaatsing mogelijk) is gesteld, missen de klachten feitelijke grondslag. Het hof is in rov. 5.6–5.9 ingegaan op de opvoedcapaciteiten, het opvoedklimaat en de zorgen rondom en problematiek bij de minderjarigen (rov. 5.6-5.7), de problematiek thuis (rov. 5.7), de stelling dat thuisplaatsing mogelijk is (rov. 5.8). Voor het overige geldt volgens vaste jurisprudentie dat de rechter niet op
alledoor de procespartijen ter ondersteuning van hun standpunt aangevoerde stellingen en argumenten behoeft in te gaan. [24]
subonderdelen 2.2, 2.3.1, 2.3.2specifieke onderdelen uit de motivering van het hof uit te lichten en klaagt dat die onderdelen op zichzelf of in samenhang – bijvoorbeeld de ots en uhp in 2019, dat ouders de eerste maanden niet hebben meegewerkt aan hulpverlening of de reactie op de aangifte van [minderjarige 1] [25] - niet voldoende zijn om de beslissing te motiveren of de beslissing onbegrijpelijk maken. Het middel miskent daarmee dat de motivering van het hof in zijn geheel moet worden gelezen en het enkel eruit lichten van specifieke onderdelen niet voldoende is om de motivering als ontoereikend of onbegrijpelijk te kwalificeren. Immers, het enkele feit dat inzichten die het hof aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd, ook tot een ander oordeel hadden kunnen leiden, maakt dat oordeel nog niet onbegrijpelijk. [26]
subonderdeel 2.4ook de actuele situatie van de kinderen en de opvoedcapaciteiten van de ouders beoordeeld (zie ook de behandeling van subonderdeel 2.7 hierna). Uit nr. 2.10 en 2.11 hiervoor blijkt ook dat het hof de overwegingen van de rechtbank over een ieder van de minderjarigen afzonderlijk kon overnemen nu de motivering van het hof daarover na een eigen afweging kennelijk gelijkluidend was.
subonderdelen 2.1 en 2.2aan dat uit het rapport van Psy Business zou volgen dat niet zonder meer thuisplaatsing onmogelijk zou zijn onder voorwaarden van acceptatie van hulp en het hof zou hebben miskend dat nu wel aan die voorwaarden van hulpverlening kan worden voldaan. Het middel is echter zeer selectief in het aanhalen van de conclusies uit dat rapport. Uit het rapport van Psy Business volgt immers ook:
subonderdelen 2.1, 2.2, 2.3.1, 2.3.2, 2.3.3, 2.4falen op grond van het voorgaande.
subonderdeel 2.5wordt aangegeven dat het hof tevens heeft miskend dat de GI van meet af aan heeft aangestuurd op ‘ouderschap op afstand’ en dus niet op gezinshereniging hetgeen (op grond van art. 8 EVRM Pro) het hoofddoel dient te zijn bij ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zodat door de GI, in strijd met haar wettelijke plicht, na de eerste drie maanden van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing geen adequate hulp aan de ouders is aangeboden en gezinshereniging ten onrechte niet is nagestreefd [31] . Het hof heeft tevens miskend en onbegrijpelijk niet bij de beoordeling over de noodzaak van de uithuisplaatsing betrokken dat inmiddels onderzoek is verricht naar een verzoek ex art. 1:266 (lid 1 sub a) BW tot gezagsbeëindiging en dat in ieder geval bij de GI dus het voornemen bestaat om het ouderlijk gezag te beëindigen nu het opvoedperspectief niet langer bij de ouders ligt [32]
subonderdeel 2.5.
equality of arms. [42]
equality of arms) en dus om de vraag of de ouder voldoende gelegenheid heeft gehad weerwoord te bieden aan hetgeen de raad en zijn deskundigen hebben aangevoerd.
Uit onder andere de EHRM-uitspraak Strand Lobben/Noorwegen blijkt dat de zienswijze van de ouders voldoende in een procedure moet worden betrokken. [44] Het is afhankelijk van de omstandigheden van het geval of de belangen van een ouder voldoende in het besluitvormingsproces zijn betrokken. [45] Daarbij geldt dat het over het algemeen aan de nationale rechter is de feiten en omstandigheden te waarderen en te beslissen over de noodzaak van het al dan niet uitbrengen van een deskundigenrapport. [46]
equality of arms. [47] Ouders hebben voorts niet voldoende gemotiveerd aangegeven waarom het rapport van Psy Business niet zou voldoen en een nieuw onderzoek nodig zou zijn. [48]
subonderdeel 2.6faalt eveneens.
subonderdeel 2.7wordt geklaagd dat het hof heeft miskend dat het onderzoek door Psy Business geldig is verklaard tot 10 september 2022 terwijl de verlenging van (de ondertoezichtstellingen en) de uithuisplaatsingen door de kinderrechter - wiens beschikking dus bekrachtigd is - loopt tot 20 september 2022 zodat de uithuisplaatsingen gedurende een periode van tien dagen op basis van een ongeldig onderzoeksresultaat zijn gebaseerd. Dit zou des te meer klemmen omdat het hof steevast (vooral) de resultaten van het onderzoek door Psy Business aan zijn beoordeling ten grondslag legt. Het is onbegrijpelijk dat het hof hier geen rekening mee heeft gehouden en geen nader onderzoek heeft gelast, dan wel ten minste de verlenging van de uithuisplaatsingen heeft beperkt tot 10 september 2022 dan wel welke andere gevolgtrekking aan deze (procedurele) situatie heeft gegeven welke het geraden zou hebben geacht, aldus het middel.
detentie, deportatie of de dood(ingeval van alle mogelijke oorzaken van overlijden). De Staat is dan verplicht op verzoek informatie te verschaffen over het wel en wee van de betrokken ouder of kind, tenzij dit schadelijk zou zijn voor het welbevinden van het kind. [66] Dit is in de onderhavige zaak niet aan de orde.
subonderdeel 2.8.