Conclusie
.Hartlief
supercell. Volgens [eiser] is ASR tot dekking gehouden omdat de schade kan worden gekwalificeerd als stormschade, waarvoor hij dekking had. ASR heeft daarentegen het standpunt ingenomen dat het geen stormschade maar hagelschade betreft waarvoor [eiser] geen dekking had. Omdat ASR weigerde de schade te vergoeden, heeft [eiser] ASR in rechte betrokken en gevorderd dat ASR haar verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomst nakomt door dekking te verlenen voor de schade. De rechtbank heeft de vordering van [eiser] afgewezen.
In hoger beroep had [eiser] aanvankelijk meer succes. In een tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat de hagelschade aan de gevels van genoemde bedrijfsgebouwen moet worden gezien als ‘stormschade’ in de zin van de polis, zodat ASR gehouden was om deze te vergoeden. Vervolgens is de procedure voortgezet omdat het hof nog geen zicht had op de exacte omvang van de schade. Voordat het hof eindarrest heeft kunnen wijzen, kwam het
Supercell-II-arrest [1] van Uw Raad waarin net als in deze zaak een
named perils-verzekering aan de orde was en ook de vraag centraal stond of er dekking was voor hagelschade onder een clausule die dekking bood voor stormschade. Mede naar aanleiding van dit arrest heeft ASR het hof verzocht terug te komen van zijn (bindende eind)beslissing uit het tussenarrest ten aanzien van de dekking. In zijn eindarrest is het hof inderdaad teruggekomen van zijn eerdere beslissing en tot het eindoordeel gekomen dat [eiser] aan zijn verzekering geen dekking kon ontlenen voor zijn hagelschade.
1.Feiten
named perils”-polis genoemd). Het betreft hier een schadeverzekeringspolis met daarbij behorende:
Algemene Begripsomschrijvingen” met omschrijving van begrippen die in de verschillende voorwaarden voorkomen (hierna: ‘de Algemene Begripsomschrijvingen’); [4]
Bijzondere Voorwaarden Brand-Storm Indexverzekering voor Agrarische Gebouwen” met specifieke bepalingen die gelden voor de afgesloten verzekeringen (hierna: ‘de Bijzondere Voorwaarden’). [6]
storm” verstaan: “
Wind met een snelheid van tenminste 14 meter per seconde (windkracht 7 of hoger).”
supercell(hierna: ‘de supercell’). [7] Op de website van het KNMI [8] is deze gebeurtenis als volgt verslagen:
windomschreven als een
gemiddelde windkrachtin een tijdvak van 10 minuten.
periode van 3 seconden.
hard” met snelheden van 13,9-17,1 m/sec. Volgens de windschaal van Beaufort wordt windkracht 9 omschreven als “
storm” met windsnelheden van 20,8-24,4 m/sec.
2.Procesverloop
Eerste aanleg
named perils). Schade die is ontstaan door hagel is hierin niet opgenomen en daarom ook niet verzekerd.
storm en door die storm vallende of bewegende voorwerpen” zoals bedoeld in artikel 4 lid 5 van Pro de Bijzondere Voorwaarden (rov. 2.4.-2.9.).
Korte weergave van de zaak en de beslissing van het hof
Waarover gaat deze zaak in hoger beroep?
“
Wanneer hagelstenen door de wind zijwaarts bewogen worden en horizontaal inslaan, kan dat mogelijk wel als stormschade beschouwd worden. (...) Omdat dit voor de beslissing doorslaggevend kan zijn, (... ) zal de rechtbank [eiser] de kans geven om te onderbouwen dat (een deel van) de schade het beeld van stormschade vertoont, bijvoorbeeld doordat de hagel die de schade heeft toegebracht zodanig door de wind werd bewogen dat daardoor schade is ontstaan die niet zou zijn ontstaan wanneer de hagel min of meer verticaal gevallen was.” In de memorie van antwoord onder 2.4.2 schrijft ASR dat zij zich in dit hoger beroep hiertegen niet (meer) wenst te verzetten; hieruit begrijpt het hof dat ASR haar oorspronkelijke standpunt (conclusie van antwoord onder 26 en 33) dat hagelstenen niet te kenmerken zijn als door storm vallende of bewegende voorwerpen, heeft prijsgegeven.”
Dekking onder stormschade?
De partijdeskundigenrapporten
Echter in de meeste gevallen zal in dit gebied de interactie tussen beide, als gevolg van de toenemende kinetische energie van de hagelstenen, de schade opleveren.” Bij de vezelcement golfplaten op de daken is de interactie van wind en vallende hagelstenen van nog groter belang geweest, omdat juist de meest steile delen van de golfvorm de laagste weerstand tegen hagelschade bezitten. Wat betreft de schade aan de vezelcement golfplaten (gaten) is de wind minimaal van grote invloed geweest op de omvang van de schade en mogelijk zelfs bepalend geweest (gezien de gegolfde vorm en dakhelling), aldus nog steeds Kettlitz.
Ook al komen grotere hagelstenen minder frequent voor, de kans op schade per vallende hagelsteen is wel veel groter, en daarmee kan de bijdrage van de groep grotere stenen aan de opgetreden schade toch substantieel zijn. Bovendien heeft de wind op deze bijdrage een kleinere invloed dan op de bijdrage door de beschouwde stenen van 5 cm.” Volgens zijn berekeningen zou een grotere hagelsteen van zes centimeter een tweemaal zo grote impactenergie hebben als een hagelsteen van vijf centimeter. Hagenaars heeft in zijn rapport ook verslag gedaan van een overleg met twee meteorologen van InfoPlaza. Volgens de ervaring van deze meteorologen vallen zeer grote hagelstenen altijd bijna loodrecht omlaag, met hooguit een kleine hoek (ten opzichte van de verticaal). “
De snelheid en massa van dergelijke hagelstenen is dermate groot dat de baan weinig wordt beïnvloed door de wind, gelet ook op de grilligheid van richting en grootte van de windsnelheden gedurende de val.’’ Hagenaars heeft verder een model ontwikkeld, waarbij het principe hiervan is onderschreven door de meteorologen, op grond waarvan hij eigen berekeningen heeft uitgevoerd (mede op basis van het tussenvonnis) over “de zone waarin men leeft”. Hagenaars heeft het model ook gebruikt om inzicht te krijgen in de werkelijk opgetreden situatie. De hagelweerstand van de dakplaten en gevelplaten speelt een belangrijke rol. Bouwmateriaal met een HIR klasse van 4 is bestand tegen de impact van een vier centimeter grote hagelsteen, maar niet tegen de grotere impact van een vijf centimeter grote hagelsteen (anders was het wel in HIR klasse 5 ingedeeld). Ook als de gekozen (en berekende) zone (tussen de 20 en 40 meter boven maaiveld) buiten beschouwing wordt gelaten volgt uit de ervaring van de geraadpleegde meteorologen dat hoge windsnelheden maar een beperkte invloed hebben op de valhoek van zeer grote hagelstenen.”
De schade aan de gevels
De schade aan de daken
Uitlatingen door tussenpersoon bij afsluiten van de verzekering
Uitkeringen door ASR bij andere verzekerden of door andere verzekeraars
inmiddels vele arresten en commentaren” zijn verschenen over hagelschade als gevolg van de supercell en in het bijzonder over de causaliteitsvraag die zich in dit verband voordoet. Daaruit zou volgen dat, in het geval van een
named perils-verzekering de
causa proxima-leer als causaliteitsmaatstaf dient te gelden. Toegepast op de onderhavige zaak zou dat betekenen dat, anders dan het hof in zijn eerste tussenarrest had geoordeeld, de hagel als relevante oorzaak moet worden gezien voor de schade aan de gevels. Hagel is echter niet als verzekerde oorzaak overeengekomen, terwijl [eiser] die mogelijkheid wel had. [31] Dit verzoek heeft ASR tijdens de mondelinge behandeling van 1 april 2022 gehandhaafd. [32] Daarbij heeft zij ook verwezen naar het inmiddels door Uw Raad gewezen
Supercell-II-arrest [33] en naar een arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 25 januari 2022. [34] Tijdens deze mondelinge behandeling heeft het hof het verzoek van ASR met partijen besproken, waarna partijen zich hierover nog per akte hebben uitgelaten. [35]
Supercell-II-arrest berustte deze beslissing uit het eerste tussenarrest op een onjuiste juridische grondslag. Na een nieuwe beoordeling is het hof uiteindelijk tot het oordeel gekomen dat het hoger beroep van [eiser] faalt en heeft het hof het eindvonnis van de rechtbank van 14 november 2018 bekrachtigd.
Supercell-II-arrest dat Uw Raad heeft gewezen na het tweede tussenarrest van het hof. Een van de overwegingen van Uw Raad in
Supercell-IIhad, aldus het hof, betrekking op de vraag wat partijen bij het aangaan van de verzekering zijn overeengekomen. Dat is medebepalend voor de vraag of sprake is van een gedekte schade. Mede op grond van dit arrest heeft ASR het hof verzocht om terug te komen van zijn eerste tussenarrest:
Supercell-IIhad overwogen, het karakter van de polis onderzocht en in beeld gebracht welke dekkingsvormen [eiser] kon kiezen toen hij in 2006 de verzekering afsloot:
all risk-polis maar, ook volgens [eiser] , een zogenaamde
named perils-polis, waarbij de verzekerde de mogelijkheid heeft per object en per evenement voor een bepaalde dekking te kiezen. De offerte van ASR van 14 november 2006 bevatte onder meer een brandverzekering [39] en deze brandverzekering bood voor het woonhuis een dekkingsmogelijkheid “
Uitgebreid extra inclusief glas", voor de drie bedrijfsgebouwen de keuze tussen dekking A [40] “
brand/storm/sneeuwdruk" en dekking B [41] “
uitgebreid” met aan het slot de toevoeging: “
Eigen risico: Storm/Sneeuwdruk 2.00 pro mille van de verzekerde som met een minimum van € 250,- en een maximum van € 1.250,- per risicoadres” en verder nog dekking voor de huishoudelijke inboedel, opruimingskosten, diverse inventaris/goederen, inductieschade en bedrijfsschade.
5. storm en door die storm vallende of bewegende voorwerpen.”
5. storm en door die storm vallende of bewegende voorwerpen” en verder onder:
20. water en neerslag:
A-G]
ter plaatse is ontstaan;
dekking voor bedrijfsgebouwen moet zijn Brand/Storm/Sneeuwdruk”, een keuze dus voor beperkte dekking A. Terwijl voor de woning wel de uitgebreide dekking, inclusief tegen hagelschade, was voorzien. Vanwege de dekkingsmogelijkheden A en B en de bijstand door een assurantieadviseur moet er redelijkerwijs van worden uitgegaan dat [eiser] zich bewust is geweest van de keuzemogelijkheid van de uitgebreide dekking B maar daarvoor niet heeft gekozen, hetgeen in beginsel voor zijn risico komt.”
Supercell-II-arrest, geoordeeld dat dekking A beperkt moet worden uitgelegd, in die zin dat schade die door storm wordt toegebracht wel is gedekt, maar schade die ontstaat door neerslag van hagel niet:
named perils-polis, de bewoordingen en inhoud van dekking A, en de omstandigheid dat dekking B de mogelijkheid bood om naast stormschade ook hagelschade te verzekeren, moet – bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel – dekking A beperkt worden uitgelegd in die zin dat schade die door storm wordt toegebracht wel gedekt is, maar schade die ontstaat door neerslag van hagel niet. Dit is in overeenstemming met hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn bovengenoemde arrest van 15 oktober 2021 onder 3.3 en afwijkend van wat het hof eerder heeft overwogen in het tussenarrest van 15 september 2020. [42] [eiser] beroept zich nog wel op de slotzin uit dekking B “
Als de(hagel-, hof)
inslag plaatsvindt tijdens storm is het eigen risico voor storm van toepassing.” Maar dit is de slotzin uit de tekst van de hageldekkingsclausule sub B en daaruit mocht [eiser] , bijgestaan door zijn assurantieadviseur, in redelijkheid niet afleiden dat ook, buiten dekking B, hagelinslag tijdens storm onder dekking A was gedekt. Integendeel: deze bepaling is bezwaarlijk anders te lezen dan dat hagelschade, ontstaan tijdens een storm, gedekt is, maar met toepassing van een eigen risico, zoals ook bij de andere stormschades[.]
“één-op-één”zou aansluiten bij de Interpolisdekking, waar [eiser] dekking had voor hagelinslag tijdens storm en
Onder schade door storm verstaan wij niet de schade die tijdens de storm door de inslag van hagel is ontstaan.” Daaruit concludeert [eiser] , onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 13 januari 2009 [45] dat het tot januari 2015 onder de Verzekeringsvoorwaarden Bedrijven Compact Polis Agrarisch versie 5.3 gebruikelijk was om inslag van hagelstenen tijdens storm te vergoeden onder de stormdekking. Ook dit heeft ASR gemotiveerd bestreden. Het aangehaalde arrest wijst er ook niet op. Daarin heeft het hof slechts geoordeeld: “
Het gaat in dit geval om het effect dat de opgetreden storm heeft gehad op de watermassa die zich op het dak had verzameld en daardoor op het dak zelf. Een dergelijk effect valt binnen het bereik van de polisvoorwaarden.” Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat dit eveneens zou gelden voor hagelinslag tijdens storm. Bovendien wijst de verdere rechtspraak hier op het tegendeel [46] . Het betreft aldus geen gevaar uitsluiting maar een verduidelijking van de primaire dekkingsomschrijving, zoals dit hof al heeft beslist in een supercel zaak tegen Interpolis. [47]
Supercell-II-arrest van Uw Raad, te berusten op een onjuiste juridische grondslag en het zou op grond van alle betrokken belangen en omstandigheden onaanvaardbaar zijn om aan de gegeven beslissing vast te houden:
Het terugkomen van een eerder genomen bindende eindbeslissing en hetSupercell-II-arrest
Supercell-II-arrest van zijn eindbeslissing uit het eerste tussenarrest ten aanzien van de dekking die [eiser] aan de verzekering kon ontlenen. Voordat ik aan de bespreking van de klachten toekom, wijd ik aan (de ruimte voor) het terugkomen van eerdere eindbeslissingen daarom enkele algemene beschouwingen. Ik ga daarbij eerst in op de vraag onder welke voorwaarden de rechter mag terugkomen van een, eerder in een tussenuitspraak, genomen eindbeslissing (randnummers 3.2-3.7). Daarna maak ik nog een enkele opmerking over het
Supercell-II-arrest (randnummers 3.9-3.16).
onaanvaardbaarzouden maken dat hij aan de desbetreffende eindbeslissing zou zijn gebonden. Dit kon met name het geval zijn indien sprake was van een
evidentefeitelijke of juridische misslag van de rechter of indien de desbetreffende eindbeslissing bleek te berusten op een, niet aan de belanghebbende partij toe te rekenen, onjuiste feitelijke grondslag. [51]
[…]/Gemeente Voorst [52] een soepeler criterium geformuleerd voor de vraag wanneer de rechter mag terugkomen van een bindende eindbeslissing. [53] Het uitgangspunt is nog altijd dat de rechter voor het verdere verloop van de procedure gebonden is aan een bindende eindbeslissing. De eisen van de goede procesorde kunnen nu echter (ook) met zich brengen dat de rechter van zo’n eindbeslissing terugkomt. [54] In de jurisprudentie van Uw Raad zijn in dat verband verschillende redenen aanvaard. Een van deze redenen heeft Uw Raad in
[…]/Gemeente Voorstgenoemd: de rechter is bevoegd een eindbeslissing te heroverwegen als hem is gebleken dat die eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag en handhaving van deze (onjuiste) lezing zou leiden tot een einduitspraak waarvan hij overtuigd is dat deze ondeugdelijk is. In het arrest
Annie/Jan Lange Beheerheeft Uw Raad, in het kader van het terugkomen van de beslissing tot het verlenen van akte niet-dienen, nog een andere reden genoemd. De rechter kan van een dergelijke eindbeslissing terugkomen als hij tot de conclusie komt dat het, op grond van een afweging van de aard van de fout die tot het niet-nemen van het betrokken gedingstuk leidde en van alle betrokken belangen en omstandigheden, onaanvaardbaar is om aan de gegeven beslissing vast te houden en geen gelegenheid te geven tot het herstel van de fout. [55] Het betreft hier twee voorbeelden die in de jurisprudentie van Uw Raad zijn aanvaard als gevallen waarin de eisen van de goede procesorde meebrengen dat de rechter moet kunnen terugkomen van een bindende eindbeslissing. Dat de eisen van de goede procesorde meebrengen dat de rechter ook in andere gevallen zou moeten kunnen terugkomen van een bindende eindbeslissing is niet uitgesloten. [56] Uit het voorgaande blijkt ook dat met het nieuwe criterium afscheid is genomen van de instructie aan de rechter om ‘grote terughoudendheid’ in acht te nemen bij het terugkomen van een eindbeslissing. Ook de beperking tot een ‘evidente feitelijke of juridische misslag’ die het vasthouden aan de eindbeslissing ‘onaanvaardbaar’ zou maken, is niet langer aan de orde. [57]
[…]/Gemeente Voorstheeft genoemd (‘onjuiste juridische of feitelijke grondslag’), merk ik nog het volgende op. In die zaak had het hof in een tussenarrest geoordeeld dat een, door […] aangevochten, besluit van de gemeente onrechtmatig was jegens […]. In zijn eindarrest is het hof teruggekomen van dit oordeel. Het hof gaf hiervoor als reden dat het, pas na het tussenarrest gewezen, arrest
/Gemeente Valkenswaardhet hof aanleiding had gegeven om de rechtmatigheidsvraag opnieuw te beoordelen. [58] In cassatie betoogde […], onder meer, dat het enkele vernieuwende karakter van dit arrest, voor zover het al vernieuwend was, niet meebracht dat het onaanvaardbaar was dat de rechter aan zijn eerdere eindbeslissing gebonden bleef. Dit betoog werd door Uw Raad verworpen. Daarbij heeft Uw Raad
nietbeoordeeld of het arrest
[…]/Gemeente Valkenswaardhet hof daadwerkelijk aanleiding kon geven om van de bindende eindbeslissing uit het tussenarrest terug te komen. Uw Raad oordeelde slechts dat het hof “
kennelijk op grond van de genoemde uitspraak van de Hoge Raad tot de conclusie gekomen[was]
dat het in zijn eerste tussenarrest met toepassing van een onjuiste maatstaf verkeerd had beslist”. Alleen al om die reden (“
daarom”) was het hof bevoegd om zijn beslissing te heroverwegen. [59] Ik leid hieruit af dat Uw Raad in cassatie niet toetst of de juridische grondslag van de heroverwogen eindbeslissing
daadwerkelijk onjuistwas en of de door de rechter als redengevend genoemd arrest daadwerkelijk tot een vernieuwend juridisch inzicht leidt op basis waarvan hij tot een heroverweging kon komen. Met andere woorden: of sprake is van een onjuiste juridische grondslag op basis waarvan de rechter meent dat hij moet terugkomen van zijn eindbeslissing omdat handhaving van deze beslissing zou leiden tot een einduitspraak die volgens hem ondeugdelijk is, laat Uw Raad aan de (feiten)rechter. [60]
dathij omwille van die reden moet terugkomen van die beslissing. [62]
Amba/Buitenhuis [63] afgeleid dat Uw Raad soepel omgaat met deze motiveringseis. [64] Uit het eindarrest dat in die zaak aan Uw Raad in cassatie werd voorgelegd, bleek niet duidelijk wat het hof had bewogen om van zijn in een tussenarrest gegeven eindbeslissing terug te komen. Het hof had in zijn eindarrest ook geen bijzondere nauwkeurig omschreven, omstandigheden genoemd die het
onaanvaardbaarzouden maken dat het hof aan de eindbeslissing uit zijn tussenarrest zou zijn gebonden. Om deze reden concludeerde A-G Strikwerda tot vernietiging, [65] maar Uw Raad liet het arrest in stand. Volgens Uw Raad had het hof in zijn eindarrest tot uitdrukking gebracht dat een nieuw gegeven, dat was opgekomen tijdens de getuigenverhoren die na het tussenarrest waren gehouden, het onaanvaardbaar maakte dat het hof zou zijn gebonden aan zijn eerdere eindbeslissing, aangezien het dan zou worden gedwongen tot het doen van een einduitspraak waarvan het wist dat deze ondeugdelijk was. Dit oordeel gaf geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kon voor het overige als verweven met waarderingen van feitelijke aard in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Nadere motivering was, aldus Uw Raad, ook niet vereist. [66]
Supercell-II-arrest.
Supercell-I, betrof een geschil tussen de exploitanten van een varkensbedrijf en hun verzekeraar Interpolis. Inzet van die procedure was, evenals in onderhavige zaak, de vraag of de hagelschade aan de bedrijfsgebouwen van het varkensbedrijf kon worden aangemerkt als ‘stormschade’ en daarmee onder de dekking van de afgesloten verzekering viel. Het hof had met toepassing van de
dominant cause-leer [68] geoordeeld dat de hagel, en niet de storm, de rechtens relevante oorzaak van de schade was, zodat er geen recht op dekking bestond. Het daartegen gerichte cassatieberoep werd door Uw Raad verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro. [69]
Supercell-II [70] ging het om exploitanten van een agrarische onderneming (hierna: ‘Loeff c.s.’) die forse hagelschade aan, onder meer, de daken van hun bedrijfsgebouwen hebben geleden als gevolg van de supercell. Aan de orde was een
named perils-verzekering [71] waarbij de verzekerde de mogelijkheid had om per object en per evenement voor een bepaalde dekking te kiezen. Bij het aangaan van de verzekering hadden Loeff c.s. gekozen voor dekking van stormschade (clausule 592), [72] maar niet voor dekking van hagelschade (clausule 593). Allianz, de verzekeraar van Loeff c.s., weigerde de schade aan de daken te dekken omdat haar expert had vastgesteld dat de schade was veroorzaakt door hagel en daarvoor gaf de polis geen dekking.
dominant cause-leer dat de storm de rechtens relevante oorzaak van de schade was zodat deze werd gedekt onder de verzekering van Loeff c.s. (rov. 4.4.-4.11.).
dominant cause-leer hadden bestreden en toepassing van een andere causaliteitsmaatstaf hadden bepleit, [75] was het hof het met de rechtbank eens dat, in het geval de polisvoorwaarden geen causaliteitsmaatstaf bevatten, de
dominant cause-leer moest worden toegepast om te bepalen of de schade van Loeff c.s. onder hun verzekering gedekt was (rov. 4.4.). De toepassing van de
dominant cause-leer heeft het hof echter tot een conclusie gebracht die tegenovergesteld is aan die van de rechtbank. Volgens het hof moesten de (inslaande) hagelstenen worden aangemerkt als de rechtens relevante oorzaak – en dus niet de storm – zodat de door Loeff c.s. geleden schade niet onder het bereik van clausule 592 viel (rov. 4.5.).
dominant causete onderzoeken (rov. 3.1.2). [76] Door te oordelen dat het gehouden was om de
dominant cause-leer toe te passen omdat de polisvoorwaarden geen causaliteitsmaatstaf bevatten, is het hof, gezien het voorgaande, uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, ofwel heeft het zijn oordeel, in het licht van de stellingen van Loeff c.s. dat een andere causaliteitsmaatstaf passender zou zijn bij de bepalingen van de polis en de omstandigheden van het geval (zie randnummer 3.12 hiervoor), onvoldoende gemotiveerd (rov. 3.1.3).
named perils-verzekering, (ii) de bewoordingen en inhoud van clausule 592 en (iii) de omstandigheid dat Loeff c.s. hagelschade apart konden verzekeren, moest – bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel – clausule 592 volgens Uw Raad beperkt worden uitgelegd. Allianz was daarom niet gehouden om de schade van Loeff c.s. te vergoeden:
named perils-polis, de bewoordingen en inhoud van clausule 592, en de omstandigheid dat clausule 593 de mogelijkheid bood om naast stormschade ook hagelschade te verzekeren, moet – bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel – clausule 592 beperkt worden uitgelegd in die zin dat schade die door storm wordt toegebracht wel gedekt is, maar schade die ontstaat door neerslag van hagel niet. Bij die uitleg past het niet om schade die ontstaat door neerslag van hagel, ook indien hevige storm van invloed is geweest op de grootte en zwaarte van de hagelstenen, door toepassing van een ruime causaliteitsmaatstaf (alsnog) onder de dekking van clausule 592 te brengen door de hagelschade aan te merken als een gevolg van storm in de zin van de polis.
Supercell-II-arrest worden geduid? In dit arrest heeft Uw Raad bevestigd [77] dat het bij de vraag of het in de verzekeringsovereenkomst verlangde causaal verband aanwezig is, in de eerste plaats aankomt op wat partijen daarover hebben afgesproken. Indien de overeenkomst geen causaliteitsmaatstaf bevat, is de rechter
nietgehouden om de
dominant cause-leer toe te passen. [78] Hoewel Uw Raad niet expliciet heeft geoordeeld hoe de rechter de betreffende causale problematiek dan wel moet oplossen, wordt in de literatuur uit de hiervoor geciteerde rov. 3.3 afgeleid dat de nadruk ligt op uitleg van de verzekeringsovereenkomst, waarbij dan (uiteraard) aandacht uitgaat naar de specifieke omstandigheden van het geval. [79]
supercell-zaken voordoet (en die sterk in het teken staat van de vraag of schade door (neerslag van) hagel als (gedekte) stormschade kan worden gezien). Tegelijkertijd kan wel worden vastgesteld dat omstandigheden als dat het gaat om een
named perils-verzekering die schade door (neerslag van) hagel niet specifiek dekt én dat betrokkene tegen extra premie specifieke hagelschadedekking kon krijgen maar daarvoor niet heeft gekozen, de vluchtroute van de stormschade toch wel moeilijk begaanbaar maken. Een
named perils-verzekering beoogt de verzekerde slechts dekking te bieden voor specifieke in de verzekering genoemde risico’s. Het is aan de verzekerde om te kiezen voor welke risico’s hij dekking wenst, waarna hij een premie betaalt die correspondeert met de gekozen risico’s. Als de verzekerde dan de keuze heeft gehad om schade door hagel apart te verzekeren tegen betaling van extra premie, maar hier (bewust) niet voor heeft gekozen, valt moeilijk in te zien dat het gerechtvaardigd is dat hij deze schade toch vergoed kan krijgen onder de noemer van een ander risico waarvoor hij wel dekking heeft, zoals stormschade. [80]
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
juridischegrondslag kan terugkomen van een bindende eindbeslissing. Het subonderdeel valt in feite uiteen in twee sub-subonderdelen. Het hof heeft volgens [eiser] ten eerste miskend dat voor een dergelijk oordeel is vereist dat de eindbeslissing berust op een onjuiste uitleg of toepassing van een
rechtsregel. Hiervoor is niet voldoende, zoals het hof volgens het subonderdeel in onderhavige zaak heeft gedaan, dat het hof terugkomt van een eindbeslissing omdat die berust op een bij nader inzien volgens de rechter toch verkeerde – grotendeels feitelijke – uitleg, waardering en/of afweging van feiten en omstandigheden of gezichtspunten aan de hand waarvan de inhoud van een (verzekerings)overeenkomst moet worden vastgesteld. Mocht het hof dit niet hebben miskend, dan heeft het hof volgens het tweede sub-subonderdeel ten onrechte gemeend dat Uw Raad in het
Supercell-II-arrest een rechtsregel heeft gegeven voor de uitleg van (
named perils-)verzekeringspolissen. Uw Raad heeft daarin slechts, als feitenrechter, een uitlegoordeel gegeven dat berustte op een afweging van de relevante feiten en omstandigheden in die zaak. Dit grotendeels feitelijke oordeel bracht niet mee dat de eerdere eindbeslissing van het hof berustte op een onjuiste juridische grondslag. [81]
Supercell-II-arrest.
Supercell-IIbetrekking had op de vraag wat partijen bij het aangaan van de verzekering zijn overeengekomen en dat dit medebepalend is voor de vraag of sprake is van een gedekte schade. Kennelijk was het hof van mening dat het dit in zijn eerste tussenarrest heeft nagelaten te onderzoeken, want het heeft vervolgens in, de eveneens in cassatie onbestreden, rov. 2.6-2.10 onderzocht wat [eiser] en ASR precies bij het aangaan van de verzekering zijn overeengekomen. [eiser] en ASR zijn, samengevat, een
named perils-verzekering overeengekomen waarbij [eiser] werd bijgestaan door een assurantietussenpersoon en de keuze had om hagelschade apart te verzekeren maar dit, aldus het hof, bewust niet heeft gedaan. Hierbij merk ik op, dat het er, gelet op het proces-verbaal van de mondelinge behandeling die heeft plaatsgevonden voordat het hof zijn eindarrest heeft gewezen, op lijkt dat het hof ten tijde van zijn eerste tussenarrest niet goed voor ogen heeft gehad dat [eiser] bij het aangaan van de verzekering ook de mogelijkheid had om, tegen betaling van extra premie, voor de uitgebreide dekking B te kiezen waarmee hij hagelschade specifiek zou meeverzekeren. [82] Op grond van de aard van de verzekering (
named perils-polis), de bewoordingen en inhoud van dekking A en de omstandigheid dat dekking B de mogelijkheid bood om naast stormschade ook hagelschade te verzekeren, is het hof in rov. 2.11 tot de conclusie gekomen dat dekking A beperkt moet worden uitgelegd in die zin dat schade die door storm wordt toegebracht wel gedekt is, maar schade die ontstaat door neerslag van hagel niet. Dat was volgens het hof in overeenstemming met het
Supercell-II-arrest en week af van hetgeen het in zijn eerste tussenarrest had geoordeeld. Vervolgens heeft het hof in rov. 2.12 deze (beperkte) uitleg op het onderhavig geval toegepast en geoordeeld dat het in deze uitleg niet past om de hagelschade, ook als hevige storm van invloed is geweest op de grootte en zwaarte van de hagel, door toepassing van een ruime causaliteitsmaatstaf (alsnog) onder dekking A te brengen. Dat hagelstenen ook ‘voorwerpen’ kunnen zijn in de zin van de onderhavige stormschadeclausule maakt dit niet anders. Het zijn wel “
voorwerpen”, maar het blijft ook hagel, aldus het hof in rov. 2.13. Uiteindelijk is het hof in rov. 2.18 tot de eindconclusie gekomen dat [eiser] voor de hagelschade die is ontstaan door de supercell geen dekking had onder de polis. Op basis van de eisen van de goede procesorde heeft het hof geoordeeld dat het moest terugkomen van zijn eindbeslissing uit het eerste tussenarrest over de dekking [83] omdat deze, gezien het
Supercell-II-arrest, bleek te berusten op een onjuiste juridische grondslag. [84] Hiermee heeft het hof een geldige reden aangedragen om terug te komen van zijn eindbeslissing. [85] Het eerste sub-subonderdeel kan dus niet worden gevolgd in zijn stelling dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de gevallen waarin de feitenrechter vanwege een onjuiste juridische grondslag kan terugkomen van een bindende eindbeslissing.
[…]/Gemeente Voorstdat Uw Raad niet toetst of een arrest dat door de rechter wordt aangedragen als redengevend voor zijn heroverweging van een eindbeslissing daadwerkelijk tot die heroverweging kon leiden (opnieuw randnummer 3.5). Anders dan het subonderdeel ingang wil doen vinden, kan in cassatie dus niet aan de orde worden gesteld of Uw Raad in het
Supercell-II-arrest daadwerkelijk een rechtsregel heeft gegeven voor de uitleg van (
named perils-)verzekeringspolissen op basis waarvan het hof zijn eindbeslissing uit het eerste tussenarrest mocht overwegen. Voldoende is dat het hof van oordeel was dat zijn eindbeslissing berustte op een onjuiste juridische grondslag, anders gezegd: dat het van oordeel was een foute beslissing te hebben gegeven. [86] Zoals ik in randnummers 4.5-4.6 hiervoor heb toegelicht, heeft het hof dit in zijn eindarrest kenbaar gemaakt. Daarom is ook het tweede sub-subonderdeel tevergeefs voorgesteld.
subonderdeel 2.3stelt [eiser] dat het hof heeft miskend dat het, voordat het terug kon komen van zijn bindende eindbeslissing over de gevelschade, gehouden was om vast te stellen dat sprake was van een evidente juridische misslag, althans minstens een daadwerkelijk verkeerd rechtsoordeel waarop die eindbeslissing was gebaseerd. Om terug te kunnen komen van een reeds gegeven bindende eindbeslissing is het onvoldoende, zoals het hof in het eindarrest heeft gedaan, dat de rechter vanwege latere jurisprudentie toch een andere waardering van de voor de uitleg van een (verzekerings)overeenkomst relevante feiten en omstandigheden/gezichtspunten geboden acht. Dit geldt in ieder geval als de (ten opzichte van die eindbeslissing onveranderde) feiten en omstandigheden/gezichtspunten die eerdere eindbeslissing nog steeds toelaten zonder schending van enige rechtsregel. Dit is ook van toepassing op onderhavige zaak: de door [eiser] gekozen dekking A omvat naar de tekst ook dekking voor schade die is toegebracht door, als gevolg van een storm, vallende of bewegende voorwerpen, waaronder hagelstenen. [87] Daarnaast geeft dekking B juist geen dekking voor schade aan de gevels. [88]
[…]/Gemeente Voorst [89] niet meer geldt. [90] Zie randnummer 3.4 hiervoor.
nietbeoordeelt of de eindbeslissing die is heroverwogen daadwerkelijk op grond van een juridische misslag onjuist was. Het is dan ook niet relevant, anders dan het subonderdeel betoogt, of de (ten opzichte van die eindbeslissing onveranderde) feiten en omstandigheden, dan wel gezichtspunten, die eerdere beslissing nog steeds zonder schending van enige rechtsregel toelaten. Het gaat erom of de rechter die de eindbeslissing heeft heroverwogen, van oordeel was dat deze berustte op een onjuiste juridische grondslag en handhaving van deze (onjuiste) lezing zou leiden tot een einduitspraak waarvan hij overtuigd is dat deze ondeugdelijk is. Zoals ik reeds in randnummers 4.5-4.6 hiervoor heb toegelicht, is dit wat het hof in zijn eindarrest heeft gedaan en kan daarom niet worden gezegd dat het hof de te hanteren maatstaf heeft miskend.
subonderdeel 2.4is het oordeel van het hof, dat het
Supercell-II-arrest [93] van Uw Raad reden gaf om terug te komen van zijn eerdere bindende eindbeslissing over de gevelschade, om verschillende redenen (zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang) onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd. Samengevat, gaat het om de volgende klachten:
storm en door die storm vallende en bewegende voorwerpen”. Blijkens de eigen vaststellingen van het hof omvatten deze bewoordingen en inhoud onmiskenbaar ook de schade die is veroorzaakt doordat hagel (nagenoeg) horizontaal tegen de gevels is geslagen. [94] Hiermee verschilt de dekking van de dekkingsomschrijving in het
Supercell-II-arrest. Deze was veel beperkter en bood slechts dekking voor “
stormschade”. [95] Deze beperkte omschrijving was voor Uw Raad (mede) reden om die clausule beperkt uit te leggen, in die zin dat schade die door storm werd toegebracht wel gedekt was, maar schade door hagel niet;
door toepassing van een ruime causaliteitsmaatstaf” alsnog onder dekking A te brengen door hagelschade aan te merken als een gevolg van storm in de zin van de polis. De omschrijving van dekking A (“
door die storm vallende of bewegende voorwerpen”) brengt juist mee dat in ieder geval dekking voor schade door voortbewogen hagel simpelweg een toepassing van de tekst van dekking A vormt [96] en daarmee geen toepassing van een ruime causaliteitsmaatstaf zou vergen. Daarmee is dan ook niet in te zien dat de eerdere beslissing van het hof over de gevelschade toch op een ruime causaliteitsmaatstaf zou berusten;
als een gevolg van storm in de zin van de polis” of “
onder het begrip “storm” zou vallen”. Voor dekking voor de gevelschade was slechts vereist dat de gevelschade werd aangemerkt als “
door die storm vallende of bewegende voorwerpen” [97] zoals het hof in het eerste tussenarrest nog had geoordeeld;
Supercell-II-arrest reden gaf om terug te komen van zijn eerdere bindende eindbeslissing over de schade aan de gevels. Het subonderdeel valt
niethet nieuwe uitlegoordeel van het hof aan waarin het hof, op grond van de aard van de verzekering als
named perils-polis, de bewoordingen en inhoud van dekking A en de omstandigheid dat dekking B de mogelijkheid bood om naast stormschade ook hagelschade te verzekeren, tot een beperkte uitleg van de stormschadeclausule is gekomen in die zin dat de hagelschade van [eiser] niet kan worden aangemerkt als een gevolg van storm in de zin van de polis. Voor het geval het subonderdeel toch zo moet worden gelezen dat [eiser] hiermee ook het nieuwe uitlegoordeel bestrijdt, kom ik daar in randnummers 4.20-4.22
Error! Reference source not found.op terug.
Supercell-II-arrest, om de verschillende hiervoor genoemde klachten onbegrijpelijk zijn. Met andere woorden: het is volgens [eiser] , op grond van de hiervoor genoemde klachten (i) tot en met (vi) onbegrijpelijk dat het hof het
Supercell-II-arrest heeft aangedragen als reden om terug te komen van zijn eindbeslissing uit het eerste tussenarrest, waarin het nog had geoordeeld dat de hagelschade aan de gevels van [eiser] gedekt werden door de stormschadeclausule. Dit subonderdeel faalt.
Supercell-II, onvoldoende oog heeft gehad voor de aard van de verzekering, de plaats van de stormschadeclausule ten opzichte van de overige polisvoorwaarden en het gegeven dat [eiser] bij het aangaan van zijn verzekering de keuze had om hagelschade apart te verzekeren maar hier, terwijl hij werd bijgestaan door een assurantieadviseur, bewust niet voor heeft gekozen. Vervolgens heeft het hof, met inachtneming van deze factoren, de verzekering opnieuw uitgelegd en is het tot de conclusie gekomen dat [eiser] in het geheel geen dekking kan ontlenen aan zijn verzekering voor zijn hagelschade. Hiermee heeft het hof een geldige reden genoemd en voldoende begrijpelijk tot uitdrukking gebracht waarom het op grond van de eisen van de goede procesorde van de eindbeslissing ten aanzien van de dekking uit zijn eerste tussenarrest is teruggekomen. Gelet op hetgeen ik heb opgemerkt in randnummer 3.7, kan niet worden gezegd dat het hof gehouden was tot een nadere motivering of dat de gegeven motivering onbegrijpelijk is. Tegen deze achtergrond falen de verschillende in randnummer 2.4 van de procesinleiding onder (i)-(vi) aangedragen klachten. Volledigheidshalve bespreek ik hierna nog waarom de verschillende klachten ook afzonderlijk niet succesvol kunnen zijn.
Supercell-II-arrest, al dan niet, wezenlijk verschilde van de dekkingsomschrijving in onderhavige zaak. Nogmaals: Uw Raad toetst in cassatie niet of een door het hof genoemd arrest daadwerkelijk voor een nieuw juridisch inzicht kon zorgen. Dit oordeel laat Uw Raad aan de (feiten)rechter.
als een gevolg van storm in de zin van de polis” en “
onder het begrip “storm” zou vallen”, noch dat voor dekking van de gevelschade slechts vereist zou zijn dat de gevelschade werd aangemerkt als “
door die storm vallende of bewegende voorwerpen” (klacht in randnummer 2.4 van de procesinleiding genoemd onder (iii)). Met deze klacht miskent [eiser] dat rov. 2.12 onderdeel uitmaakt van het nieuwe uitlegoordeel van het hof ten aanzien van de vraag of [eiser] dekking kan ontlenen aan zijn polis. In rov. 2.11 heeft het hof geoordeeld dat dekking A beperkt moet worden uitgelegd in die zin dat schade die door storm wordt toegebracht wel gedekt is, maar schade die ontstaat door neerslag van hagel niet. Vervolgens heeft het in rov. 2.12 deze (beperkte) uitleg op het onderhavig geval toegepast en geoordeeld dat het met deze uitleg niet past om “
schade die ontstaat door neerslag van hagel, ook indien hevige storm van invloed is geweest op de grootte en zwaarte van de hagelstenen, door toepassing van een ruime causaliteitsmaatstaf (alsnog) onder dekking A te brengen door de hagelschade aan te merken als een gevolg van storm in de zin van de polis.” Rov. 2.12 heeft dus geen betrekking op de beslissing van het hof om terug te komen van zijn eerdere eindbeslissing omdat deze berustte op een onjuiste juridische grondslag gezien het
Supercell-II-arrest. Het betreft het nieuwe uitlegoordeel dat noodzakelijk diende te volgen op het heroverwegingsoordeel. Daarom kan niet gezegd worden dat het met dit oordeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende, heeft gemotiveerd dat het
Supercell-II-arrest reden gaf om terug te komen van zijn eerdere bindende eindbeslissing over de schade aan de gevels.
Supercell-II-arrest is teruggekomen van zijn eindbeslissing uit het eerste tussenarrest over de schade aan de gevels. Het oordeel van het hof in rov. 2.11 dat aanwijzingen voor een andere uitleg van dekking A ontbreken, behoort tot zijn nieuwe uitlegoordeel en niet tot het oordeel dat zijn eerdere eindbeslissing vanwege het
Supercell-II-arrest moest worden heroverwogen. Daarnaast moet de klacht ook falen voor zover deze voortbouwt op de in randnummer 2.4 genoemde klacht (iv) omdat deze klacht een novum bevat en daarom buiten beschouwing moet worden gelaten.
uphill battle. Ook hier is deze strijd wat mij betreft gedoemd te mislukken.
named perils-polis, de bewoordingen en inhoud van dekking A, en de omstandigheid dat dekking B de mogelijkheid bood om naast stormschade ook hagelschade te verzekeren, beperkt moet worden uitgelegd in die zin dat schade die door storm wordt toegebracht wel gedekt is, maar schade die ontstaat door neerslag van hagel niet (rov. 2.11-2.12). Juist de in rov. 2.11 door het hof benadrukte factoren maken zijn oordeel dat [eiser] geen dekking kon ontlenen aan de stormschadeclausule voor zijn hagelschade omdat deze, beperkt moet worden uitgelegd, alleszins begrijpelijk. Een aparte dekking voor hagelschade zou zinloos zijn als, in mijn parafrase, hagelschade onder omstandigheden als stormschade zou moeten worden beschouwd (rov. 2.12). Dat hagelstenen ook ‘voorwerpen’ kunnen zijn in de zin van de onderhavige stormschadeclausule maakt dit niet anders. Het zijn wel “
voorwerpen”, maar het blijft ook hagel, aldus het hof (rov. 2.13). En, dat staat weliswaar niet in deze rechtsoverweging maar ligt wel in de redenering van het hof besloten: schade door hagel had door [eiser] kunnen worden verzekerd, maar daarvoor heeft hij niet gekozen. Het nieuwe uitlegoordeel kan, kortom, een begrijpelijkheidstoets goed doorstaan en behoefde geen nadere motivering. Ook tegen de verschillende in randnummer 2.4 van de procesinleiding onder (i) tot en met (vi) genoemde klachten (in aanmerking te nemen voor zover zij tenminste niet berusten op het novum in cassatie dat dekking B geen dekking zou bieden voor de hagelschade van [eiser] (zie randnummer 4.18 hiervoor)) is dat oordeel bestand.
Haviltex-maatstaf, althans heeft het hof een verkeerde toepassing van deze maatstaf gegeven omdat het omstandigheden buiten de tekst van de polisvoorwaarden ook had moeten meenemen in zijn uitleg van de dekking, zodat geen doorslaggevende betekenis meer kan toekomen aan de tekst/opzet van de (polis)voorwaarden. Dit kan het geval zijn bij (uitdrukkelijke) mededelingen van de verzekeraar, ook als deze niet stroken met de meest voor de hand liggende betekenis van de (polis)voorwaarden.
Haviltex-maatstaf, [103] zij het met oog voor de praktijk waarin over polisvoorwaarden in veel gevallen niet wordt onderhandeld. [104] In beginsel komt het dus aan op de zin die partijen redelijkerwijs aan de desbetreffende bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. [105] In veel gevallen zijn de polisvoorwaarden echter eenzijdig door de verzekeraar opgesteld en is daarover niet onderhandeld. Dan biedt de subjectieve
Haviltex-maatstaf weinig aanknopingspunten. Voor de uitleg van polisvoorwaarden, waarover niet is onderhandeld, geldt daarom een aangepaste maatstaf. Deze komt onder meer tot uitdrukking in het arrest
Chubb/Dagenstaed. [106] Hierin is geoordeeld dat het bij de uitleg van zulke polisvoorwaarden met name aankomt op objectieve factoren zoals de bewoordingen van de bepaling, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel en van de eventueel bij de polisvoorwaarden behorende toelichting. Deze wijze van uitleg is nog steeds een toepassing van de
Haviltex-maatstaf, [107] doch zij legt de nadruk op objectieve factoren, omdat er (bij gebreke van verklaringen en gedragingen over en weer) geen andere aanknopingspunten zijn waaraan een bepaald vertrouwen kan zijn ontleend. Zijn die aanknopingspunten er in het concrete geval echter wel, dan mag hieraan betekenis worden gehecht bij de uitleg van de betreffende polisvoorwaarden. [108] Ten slotte is relevant dat de uitleg van (verzekerings-)overeenkomsten volgens vaste rechtspraak in belangrijke mate feitelijk is. [109] Wanneer de rechter bij de uitleg de juiste maatstaf hanteert, kan tegen de uitleg in cassatie slechts met succes worden opgekomen als deze onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is. Daarvoor is onvoldoende dat een andere uitleg mogelijk zou zijn geweest. [110]
Haviltex-maatstaf heeft miskend nu het aan de hand van de
Chubb/Dagenstaed-maatstaf, die een verbijzondering is van de
Haviltex-maatstaf, de juiste maatstaf heeft gehanteerd om de polis uit te leggen. [111] Op basis van de
Chubb/Dagenstaed-maatstaf was het hof gehouden om met name gewicht toe te kennen aan objectieve factoren. Eventuele subjectieve factoren of ‘omstandigheden buiten de tekst van de polisvoorwaarden’ mocht het hof wel in zijn uitleg betrekken. Anders dan het subonderdeel betoogt, was het hof hier echter niet toe verplicht en betekent dit ook niet dat het hof “
geen doorslaggevende betekenis” meer kan toekennen aan de tekst/opzet van de (polis)voorwaarden. [112] Het hof heeft de verzekeringsovereenkomst conform de
Chubb/Dagenstaed-maatstaf uitgelegd, waarbij het met name waarde heeft toegekend aan objectieve factoren, maar ook naar overige omstandigheden heeft gekeken. Daarbij heeft het de bewoordingen van de polisvoorwaarden, in het licht van de polisvoorwaarden als geheel, als uitgangspunt genomen voor zijn uitleg (rov. 2.6-2.7). Vervolgens heeft het gewicht toegekend aan het gegeven dat [eiser] zich bewust was van het feit dat hij ook voor een uitgebreidere dekking kon kiezen waarmee hij wel hagelschade kon dekken, maar dit welbewust niet heeft gedaan en bij deze keuze werd bijgestaan door een assurantietussenpersoon (rov. 2.8-2.10). Dit betrof een ‘omstandigheid buiten de tekst van de polisvoorwaarden’ die het hof van belang heeft geacht. Het hof is vervolgens, met toepassing van de factoren die Uw Raad in aanmerking heeft genomen bij het uitlegoordeel in het
Supercell-II-arrest, [113] tot de conclusie gekomen dat de dekkingsclausule van de stormschade, gezien de aard van de verzekering als
named perils-polis, de bewoordingen en inhoud van de beperkte dekkingsmogelijkheid en de omstandigheid dat [eiser] ook voor een uitgebreide dekking kon kiezen waarmee hij zich ook voor hagelschade verzekerde, de stormschadeclausule beperkt moet worden uitgelegd zodat [eiser] hieraan geen dekking kan ontlenen voor zijn hagelschade (rov. 2.11-2.13).
subonderdeel 3.3heeft het hof in ieder geval miskend dat als [betrokkene 1] de door [eiser] gestelde bevestiging heeft gegeven, dit meebracht, althans kan hebben meegebracht, dat [eiser] aan die bevestiging wel degelijk (zonder meer) het recht of vertrouwen mocht ontlenen dat hij het hagelgevaar niet hoefde bij te verzekeren. [114] Ook van een ondernemer als [eiser] , bijgestaan door een adviseur, kan niet (steeds) worden verwacht dat hij begrijpt dat de polis en polisvoorwaarden doorslaggevend zijn voor de dekking, ook in die zin dat zij steeds prevaleren boven een andersluidende bevestiging namens de verzekeraar. Laat staan dat zo’n ondernemer zou moeten begrijpen dat hij steeds de juistheid van zo’n mededeling moet controleren aan de hand van de polisvoorwaarden. Het voorgaande hangt minstens af van de omstandigheden van het geval, zoals de duidelijkheid en stelligheid van zo’n mededeling. Het kan zich (minst genomen) voordoen dat de verzekeringnemer geen aanleiding heeft om de juistheid van die mededeling in twijfel te trekken, zodat van hem ook niet (op straffe van het in weerwil van zo’n mededeling tóch ontbreken van dekking) kan worden gevergd dat hij ook de polisvoorwaarden ter controle nauwkeurig naleest.
subonderdeel 3.4dat het niet (zonder meer) begrijpelijk is dat volgens het hof zowel op grond van de polis als op grond van de voorwaarden BAF-06-1 [115] voor [eiser] en [betrokkene 2] , (zelfs) in weerwil van de andersluidende bevestiging door [betrokkene 1] , (toch) duidelijk moest zijn dat geen dekking werd verleend voor hagelschade en dat de algemene term “
voorwerpen” in artikel 4 lid 5 van Pro de Bijzondere Voorwaarden daar ook niet op duidde. Dit geldt zeker voor schade aan de gevels omdat, zoals volgt uit subonderdelen 2.3 en 2.4, de polis en de voorwaarden BAF-06-1 evengoed een uitleg toelaten waarbij hagelschade als gevolg van door storm vallende of voortbewogen hagel wel degelijk gedekt is.
als er hagel zou vallen tijdens een storm, de stormdekking van de polis dekking zou geven”), erop mocht vertrouwen dat hij hagelgevaar niet hoefde bij te verzekeren terwijl dit wel door ASR met dekking B apart werd aangeboden tegen extra premie. Daarbij is het tot het oordeel gekomen dat [eiser] hier
nietop mocht vertrouwen. Hierbij roep ik in herinnering dat ook voor de beoordeling van deze klachten geldt dat, zoals ik heb toegelicht in randnummers 4.25 en 4.26 hiervoor, het hof veel waarde mocht toekennen aan objectieve factoren zoals de tekst van de polisvoorwaarden, in het licht van de polisvoorwaarden als geheel en dat de uitleg van een overeenkomst (in belangrijke mate) is voorbehouden aan de feitenrechter. In dit kader heeft het hof in rov. 2.16 bijzonder gewicht toegekend aan het feit dat het voor [eiser] , in weerwil van de gestelde bevestiging van [betrokkene 1] , op grond van de tekst van de door hem gekozen (beperkte) dekking A, duidelijk moet zijn geweest dat er geen dekking was opgenomen voor hagelschade, terwijl de ook bij hem bekende uitgebreide dekking B wel een aparte dekking voor hagelschade tegen betaling van extra premie bevatte. Dit gegeven, in samenhang met de omstandigheden dat [eiser] een ondernemer is die werd bijgestaan door een ervaren adviseur en het voor hem daarom duidelijk had moeten zijn dat de polis en polisvoorwaarden doorslaggevend zijn voor de te verlenen dekking, hadden volgens het hof voor [eiser] reden moeten zijn om bij ASR aan de bel te trekken om na te gaan of de gestelde bevestiging van [betrokkene 1] daadwerkelijk klopte.
voorwerpen” in artikel 4 lid 5 van Pro de Bijzondere Voorwaarden daar ook niet op duidde, onbegrijpelijk is. In cassatie is onbestreden dat de offerte die ASR op 14 november 2006 aan [eiser] heeft voorgelegd een keuze bevatte voor een beperkte dekking A waarmee slechts zeven risico’s werden gedekt en een uitgebreide dekking B waarmee 20 risico’s werden gedekt. Beide dekkingsvormen bevatten dekking voor “
storm en door die storm vallende en bewegende voorwerpen”. Dekking B bood
daarnaast ookaparte dekking voor “
inslag van hagelstenen” (rov. 2.6-2.7 van het eindarrest). [116] In cassatie is (ook) rov. 2.8 van het eindarrest niet bestreden. Hierin heeft het hof vastgesteld dat [eiser] bij zijn aanvaarding van de offerte werd bijgestaan door assurantieadviseur [betrokkene 2] en dat hij de offerte heeft aanvaard met een duidelijke keuze voor dekking A. [eiser] moet zich dan ook bewust zijn geweest van de keuzemogelijkheid tussen dekking A en dekking B en volgens het hof kwam het dan, in beginsel, voor [eiser] ’ eigen risico dat hij niet voor dekking B heeft gekozen. [117] Omdat [eiser] werd bijgestaan door assurantieadviseur [betrokkene 2] , hij zich (mede daarom) bewust moet zijn geweest van het verschil tussen dekking A en dekking B én het feit dat de tekst van dekking A en de gestelde toezegging van [betrokkene 1] dermate duidelijk van elkaar verschillen, is het niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat [eiser] en [betrokkene 2] niet lichtvaardig op de gestelde toezegging mochten vertrouwen en van [eiser] dan tenminste mocht worden verwacht dat hij over de gestelde dekking voor hagelschade bij storm duidelijkheid van ASR had gevraagd. Niet valt in te zien waarom dit oordeel onbegrijpelijk is omdat het hof eerder in zijn tussenarrest nog had geoordeeld dat de hagelschade aan de gevels wel onder de stormdekking viel. Het hof heeft immers in zijn eindarrest tot uitdrukking gebracht dat dit oordeel berustte op een onjuiste juridische grondslag, waarna het, zie de bespreking van onderdeel 2 hiervoor, die eindbeslissing mocht heroverwegen en daarvan terug mocht komen, teneinde te voorkomen dat het op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen. Dit staat los van de vraag of [eiser] en [betrokkene 2] , op grond van de polis en voorwaarden A, in weerwil van de andersluidende bevestiging door [betrokkene 1] , duidelijk moet zijn geweest dat de verzekering geen dekking bood voor hagelschade en dat de algemene term “
voorwerpen” in artikel 4 sub Pro 5 van de Bijzondere Voorwaarden daar ook niet op duidde.
daken, goten en zijwanden van de bedrijfsgebouwen van [eiser]” en dat
dezeschade naar redelijkheid niet kan worden beschouwd als gevolg van storm in de zin van de polis omdat dit een, door het hof eerder in rov. 2.11-2.12 verworpen, extensieve uitleg van de polisvoorwaarden zou vergen. Ook in de bespreking en het passeren van [eiser] ’ bewijsaanbod in rov. 2.14-2.16 hanteert het hof de algemene termen als ‘hagelschade’ en ‘hagelinslag’ en beperkt het zich niet specifiek tot de ‘schade aan de gevels’.