ECLI:NL:PHR:2024:243

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 maart 2024
Publicatiedatum
4 maart 2024
Zaaknummer
22/00038
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SrArt. 81 lid 1 Wet RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt medeplegen en voorwaardelijk opzet bij meermalen krachtig schoppen tegen hoofd op de grond liggend slachtoffer

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens medeplegen van poging tot doodslag na een geweldsincident waarbij het slachtoffer op de grond lag en meermalen met geschoeide voet krachtig tegen het hoofd werd geschopt. De verdachte kreeg een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan drie voorwaardelijk.

In cassatie werd betoogd dat het hof onvoldoende bewijs had geleverd voor het opzet op de dood, met name dat het meermalen schoppen tegen het hoofd van het slachtoffer niet automatisch een aanmerkelijke kans op de dood oplevert. De Hoge Raad overwoog dat het hof terecht uit algemene ervaringsregels heeft geoordeeld dat meermalen met kracht schoppen tegen het hoofd van een op de grond liggende persoon een aanmerkelijke kans op de dood inhoudt.

De bewijsmiddelen bestonden uit verklaringen van het slachtoffer, videobeelden, proces-verbalen van bevindingen en de eigen verklaring van de verdachte. Het hof concludeerde dat verdachte en medeverdachte gezamenlijk en bewust geweld uitoefenden, waarbij verdachte het geweld voortzette terwijl het slachtoffer al kwetsbaar op de grond lag.

De Hoge Raad bevestigde dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is en dat het cassatiemiddel faalt. Het arrest is afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 Wet Pro RO, waarmee het cassatieberoep is verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het hof heeft terecht geoordeeld dat meermalen met kracht schoppen tegen het hoofd van een op de grond liggend slachtoffer een aanmerkelijke kans op de dood inhoudt en dat verdachte medepleger was met voorwaardelijk opzet.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/00038

Zitting5 maart 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 23 december 2021 door het gerechtshof Amsterdam wegens 1. primair "medeplegen van poging tot doodslag", veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden waarvan drie voorwaardelijk en met aftrek van voorarrest. Aan het voorwaardelijk strafdeel heeft het hof een proeftijd van twee jaren verbonden. Daarnaast heeft het hof de vordering van een benadeelde partij gedeeltelijk toe- en gedeeltelijk afgewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Eerder had de rechtbank de verdachte vrijgesproken van poging tot doodslag, maar veroordeeld voor het openlijk in vereniging geweld plegen tegen het slachtoffer.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld. [1]

Het middel

2.1
Het middel bevat de klacht dat de bewijsvoering voor wat betreft het opzet op de dood tekortschiet. Meer specifiek is de klacht gericht tegen het oordeel van het hof dat het meermaals met kracht schoppen tegen het hoofd van iemand die op de grond ligt naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op de dood met zich brengt.
De vaststellingen van het hof
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 12 augustus 2020 te Diemen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet naar [slachtoffer] is toegegaan waarna hij en zijn mededader, terwijl [slachtoffer] op de grond lag
 tegen het lichaam hebben geslagen en
 meermalen met geschoeide voet tegen het hoofd en eenmaal met geschoeide voet tegen de rug hebben getrapt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
2.3
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

Bewijsmiddelen
1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2020169031-2 van 19 augustus 2020, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], doorgenummerde pagina’s A1 tot en met A4.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 13 augustus 2020 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van
[slachtoffer]:
Op 12 augustus 2020 te Diemen hoorde ik dat [betrokkene 1] (het hof begrijpt: medeverdachte [betrokkene 1]) riep tegen [betrokkene 2] (het hof begrijpt: [betrokkene 2]) “pak hem, pak hem”. Ik zag dat [betrokkene 1] in mijn richting wees. Ik zag dat [betrokkene 2] met de ijzeren staaf in zijn rechterhand op mij afrende. Ik begon heel hard weg te rennen van [betrokkene 2]. Ik zag dat [betrokkene 1] mij probeerde tegen te houden. Ik gaf [betrokkene 1] een voorwaartse trap om zo te ontkomen. Ik viel hierdoor op de grond. Ik lag op de grond en kon mij niet verdedigen. Ik voelde dat ik meerdere trappen en klappen kreeg. Ik zag dat [betrokkene 1] en [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) mij sloegen en schopten.
Ik heb momenten gedacht dat ik dood zou gaan.
2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2020169031-8 van 16 september 2020, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2], doorgenummerde pagina’s A27 tot en met A29.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
mededeling van de verbalisant:
Er is een onderzoek ingesteld naar aanleiding van een aangifte die te vinden is in een proces-verbaal met nummer PL1300-2020169031-2. Ik bekeek de veiliggestelde (het hof begrijpt: bewegende) beelden van de mobiele telefoon van een getuige. Op deze beelden herken ik ambtshalve [betrokkene 2] en het slachtoffer [slachtoffer].
Film 1: IMG 3115.MOV. Dit videobestand duurt 27 seconden.
Ik zie dat [betrokkene 2] aan het rennen is. Ik zie dat hij te allen tijde de grijze stang vasthoud. Ik zie [slachtoffer] in beeld komen. Ik zie dat [betrokkene 2] achter [slachtoffer] aan rent.
Still 03, 00.08.seconden: Ik zie een jongen met een wit T-shirt, lichte broek en zwarte schoenen. Ik noem deze jongen vanaf nu NN1.
Samenvatting stills 04, 05, 06 en 07, tussen 00.08 seconden en 00.11 seconden: Ik zie dat NN1 een slaande beweging wil maken met zijn rechterhand. Ik zie dat NN1 zijn arm naar achteren beweegt, en vervolgens zijn vuist naar voren beweegt, in de richting van [slachtoffer]. Ik zie dat [slachtoffer] dit probeert de ontwijken door met zijn linkerbeen te trappen op NN1. Hierbij zie ik dat NN1 op de grond valt. Ik zie dat [slachtoffer] na de trap zelf ook struikelt en op de grond valt. Ik zie vervolgens dat NN 1 van de grond op staat.
Still 08, 00.12 seconden: Ik zie [slachtoffer] op de grond liggen. Ik zie dat NN1 zijn rechterbeen naar achter strekt.
Still 09, 00.12 seconden: Ik zie dat het rechterbeen van NN1 het hoofd raakt van [slachtoffer]. Ik zie dat [betrokkene 2] links naast [slachtoffer] staat. Ik zie dat hij nog de grijze stang in zijn rechterhand vast heeft. Ik zie dat [betrokkene 2] een zwaai maakt met de grijze stang, in de richting van [slachtoffer].
Still 10, 00:14 seconden: Ik zie dat NN1 een schoppende beweging maakt en [slachtoffer] raakt. Ik zie een jongen dichtbij [slachtoffer] komen. Hij draagt zwarte schoenen. Ik noem hem vanaf nu NN3. Ik zie dat NN1 nog een keer met kracht schopt tegen het hoofd van [slachtoffer].
Still 11, 00.15 seconden: Ik zie dat NN3 vlak naast [slachtoffer] staat. Ik zie dat NN3 zijn been naar achter trekt.
Samenvatting stills 12, 13, 14, tussen 00.15 seconden en 00.17 seconden: Ik zie dat het been van NN3 de rug van [slachtoffer] raakt. Ik zie dat NN3 daarna zijn lichaam laat zakken. Ik zie dat NN3 zijn rechterhand opzij strekt, en met kracht vooruit brengt naar de rug van [slachtoffer]. Ik zie dat NN3 [slachtoffer] raakt op zijn rug of hoofd.
Ik zie dat NN1 nog een keer een trappende beweging maakt met zijn rechterbeen richting het hoofd van [slachtoffer]. Ik zie dat het hoofd van [slachtoffer] een stuk naar achter gaat als hij geraakt wordt door de rechtervoet van NN1.
3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2020169031-11 van 3 september 2020, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2], doorgenummerde pagina’s A50 en A51.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
mededeling van de verbalisant:
Ik stelde een onderzoek in naar één van de verdachten, die in de aangifte [betrokkene 1] wordt genoemd. Ik las het volgende signalement van [betrokkene 1] in de aangifte: 1.75 meter lang, slank postuur, 20 jaar oud, wit shirt, woont op de [a-straat]. Ik las in de aangifte: “ik zag dat [betrokkene 1] mij tegen probeerde te houden. Ik gaf [betrokkene 1] een voorwaartse trap om zo te ontkomen”.
Ik had de beelden, omschreven in een proces-verbaal met nummer PL1300-2020169031-8. Ik zag dat NN1 de aangever probeerde tegen te houden en dat de aangever een voorwaartse trap gaf tegen NN1. Ik zag dat NN1 een man was, een wit shirt droeg, slank van postuur was en dat de lengte van 1.75 meter en de leeftijd van 20 jaar overeenkomen met wat ik zie op de beelden. Op grond hiervan stel ik vast dat NN1 [betrokkene 1] is.
Collega’s hadden op de plaats van het incident een man gecontroleerd die opgaf te zijn [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats], wonende aan de [a-straat 1] in [plaats]. Collega’s zagen bloedspetters op het witte shirt van [betrokkene 1].
Ik kan door het bovenstaande aannemelijk maken dat NN1 en [betrokkene 1] één en dezelfde persoon zijn.
4. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2020169031-10 van 3 september 2020, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2], doorgenummerde pagina’s A56 en A57.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
mededeling van de verbalisant:
Ik kan gelet op de meerdere overeenkomsten en gelijkenissen verklaren dat NN3 (het hof begrijpt: NN3 als genoemd in een proces-verbaal met nummer PL1300-2020169031-8, opgemaakt door dezelfde verbalisant) één en dezelfde persoon is als [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats].
5. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 17 december 2020.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik heb de aangever geschopt in zijn rug en geslagen in zijn nek”
2.4
Het hof heeft in het bestreden arrest een aanvullende bewijsoverweging opgenomen. In die overweging heeft het hof ook het verweer van de raadsman van de verdachte, inhoudende dat de verdachte geen opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer, samengevat en verworpen:
‘De raadsman heeft vrijspraak van het primair tenlastegelegde bepleit en daartoe het volgende aangevoerd. De verdachte heeft niet gezien dat de aangever tegen zijn hoofd werd getrapt, zodat niet kan worden vastgesteld dat hij (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. De verdachte stond in eerste instantie op afstand toen de vechtpartij gaande was en blijkens de camerabeelden werd zijn zicht geblokkeerd door een vrouw, waardoor de verdachte niet heeft gezien dat het slachtoffer tegen zijn hoofd werd getrapt door de medeverdachte [betrokkene 1]. Ook medeplegen van - kort gezegd - het geweld is niet aan de orde omdat op geen enkele wijze uit het dossier kan worden afgeleid dat er sprake is geweest van een vooropgezet plan van de verdachte en de medeverdachten om het slachtoffer te grazen te nemen, en evenmin van een samenwerking tussen [betrokkene 1] en de verdachte.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof leidt uit de beschrijving van de beelden door de politieambtenaar [verbalisant 2] (dossier p. A 27 e.v.) het volgende af. De aangever werd achterna gerend door medeverdachte [betrokkene 2] die een grijze stang in zijn handen had (waarmee hij iets later in de richting van de aangever zwaaide). Op enig moment kwam medeverdachte [betrokkene 1] bij de aangever en ontstond een gevecht waarbij de aangever en [betrokkene 1] op de grond belandden. Nadat [betrokkene 1] was opgestaan, schopte hij de aangever tegen het hoofd (still 9, 00:12 seconden). Kort daarna (still 10, 00:14 seconden) maakte [betrokkene 1] wederom een schoppende beweging waarbij hij de aangever raakte. Op het moment dat de verdachte dichtbij de aangever kwam, schopte [betrokkene 1] de aangever nogmaals met kracht tegen het hoofd. Een seconde later (still 1 1, seconde 00:15) stond de verdachte naast de aangever. De verdachte schopte vervolgens tegen de rug van de aangever en sloeg met een vuist tegen het hoofd of de rug van de aangever, terwijl [betrokkene 1] vrijwel gelijktijdig nogmaals tegen het hoofd van de aangever schopte.
Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat de aangever
meermalentegen het hoofd is getrapt, waaronder op een moment dat de verdachte vlakbij de aangever was en een moment waarop de verdachte naast de aangever stond. Het hof komt daardoor tot de conclusie dat de verdachte gezien moet hebben dat [betrokkene 1] tegen het hoofd van het slachtoffer schopte. Het standpunt van de verdediging dat de verdachte dat niet heeft gezien omdat hem op dat moment het zicht werd belemmerd, volgt het hof dan ook niet.
De verdachte, wetend dat [betrokkene 1] de aangever - die op de grond lag - meermalen tegen het hoofd trapte, ging zelf direct ook over tot het uitoefenen van fors geweld terwijl Tagestani doorging met schoppen. Aldus staat volgens het hof allereerst vast dat de verdachte met (in ieder geval) [betrokkene 1], gezamenlijk uitvoering heeft gegeven aan - kort gezegd - het uitoefenen van geweld tegen de aangever. Daarmee is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen beiden met betrekking tot het uitoefenen van ernstig geweld en dus van medeplegen. Daarnaast komt het hof op grond van het voorgaande tot het oordeel dat de verdachte en [betrokkene 1] - kort gezegd - voorwaardelijk opzet op de dood van de aangever hebben gehad. Het meermalen met kracht schoppen tegen het hoofd van iemand die op de grond ligt, brengt, zo leren de algemene ervaringsregels, een aanmerkelijke kans op de dood met zich. Uit de aard van het geschetste handelen van de verdachte en [betrokkene 1] volgt, naar uiterlijke verschijningsvorm, dat zij deze aanmerkelijke kans ook bewust hebben aanvaard. Gelet op het voorgaande wordt het tot vrijspraak strekkende verweer verworpen, zowel voor zover dat inhoudt dat geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet op de dood, als voor zover dat inhoudt dat geen sprake is van medeplegen.’
2.5
Het hof baseert het oordeel dat de verdachte opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer aldus op de algemene ervaringsregel dat het “meermalen met kracht schoppen tegen het hoofd van iemand die op de grond ligt” de aanmerkelijke kans op de dood met zich brengt. Uit de bewijsconstructie blijkt vervolgens op basis van welke concrete vaststellingen het hof heeft geoordeeld dat in de onderhavige zaak sprake was van het “meermalen” en “met kracht” schoppen tegen het hoofd van het slachtoffer.
2.6
Met betrekking tot het
meermalenschoppen blijkt uit de bewijsvoering dat het hof ervan is uitgegaan dat vanaf het moment dat de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt het slachtoffer twee maal tegen het hoofd is geschopt, namelijk op het moment dat de verdachte “vlakbij” het slachtoffer stond en het moment hij “naast” het slachtoffer stond. In beide gevallen werd het slachtoffer geschopt door de medeverdachte [betrokkene 1]. Daarnaast heeft het hof bewezenverklaard dat de verdachte zelf het slachtoffer heeft geslagen tegen zijn “rug of hoofd” en hem in zijn rug heeft geschopt.
2.7
Voor wat betreft de
krachtwaarmee is geschopt volgt uit de bewezenverklaring en uit bewijsmiddel 2 dat is geschopt met geschoeide voet. Daarnaast volgt uit de bewijsvoering dat van de twee hiervoor genoemde schoppen, de eerste “met kracht” is uitgevoerd (bewijsmiddel 2, vierder alinea van onder) en dat na de tweede het hoofd van het slachtoffer “een stuk naar achter gaat” (bewijsmiddel 2, laatste alinea), hetgeen duidt op een schop met een aanzienlijke kracht.
2.8
Relevant lijkt mij ten slotte dat uit de bewijsvoering blijkt dat de verdachte is gaan bijdragen aan de geweldshandelingen op het moment dat het slachtoffer al fysiek werd belaagd door [betrokkene 1], die de verdachte toen al twee keer had geschopt, en het slachtoffer op de grond lag en zich daardoor in een kwetsbare houding bevond.
Het bij de beoordeling van het middel in acht te nemen juridisch kader
2.9
Zoals bekend wordt onder het bestanddeel “opzettelijk” in de zin van art. 287 Sr Pro mede voorwaardelijk opzet begrepen. [2] De verdachte moet dus bewust de aanmerkelijke kans aanvaarden dat door zijn handelen de dood zal intreden. [3] Bekend is dat het antwoord op de vraag vanaf wanneer sprake is van een kans “die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk” is in de hier bedoelde zin, zich niet in een percentage laat uitdrukken; het moet gaan om een “geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans” c.q. een “in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.” [4] Hierbij moet steeds oog zijn voor de omstandigheden van het geval, “waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht”. [5]
2.1
Algemene ervaringsregels en feiten of omstandigheden van algemene bekendheid zijn regels respectievelijk gegevens die ieder van de rechtstreeks bij het geding betrokkenen geacht moet worden te kennen of zonder noemenswaardige moeite uit algemeen toegankelijke bronnen kan achterhalen. [6] Of daarvan sprake is, kan de Hoge Raad uit de aard der zaak zelf vaststellen. [7]
2.11
De vraag of het meermaals met geschoeide voet en/of met kracht tegen het hoofd schoppen een handeling is die op zichzelf - dus geabstraheerd van eventuele bijkomende handelingen - naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op de dood oplevert, is onder meer in een niet gepubliceerd arrest uit 2005 aan de orde geweest. Uit de conclusie bij dat arrest leid ik af dat het hof had overwogen dat het
“een feit van algemene bekendheid [is] dat het hoofd tot de bijzonder kwetsbare gedeelten van het lichaam behoort en dat het met geschoeide voet (meermalen) met kracht schoppen tegen het hoofd een handeling is waarbij er een aanmerkelijke kans bestaat, dat de persoon tegen wiens hoofd wordt geschopt, daardoor het leven laat.”
Voorts blijkt - eveneens uit de conclusie - dat het hof bewezen had dat de verdachte het slachtoffer “meermalen tegen het hoofd” had geschopt. [8] De Hoge Raad deed de zaak af onder toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro. [9]
2.12
Een vergelijkbare situatie deed zich voor in de zaak die ten grondslag lag aan het niet gepubliceerde arrest van 30 januari 2011. In deze zaak was bewezen dat de verdachte het slachtoffer, dat op de grond lag, meermalen met geschoeide voet had geschopt. De Hoge Raad gaf toepassing aan art. 81 lid 1 RO Pro. [10]
2.13
Ik wijs in aanvulling hierop op de conclusies van Machielse [11] , Harteveld [12] , Vegter [13] en Spronken [14] , waarin door hen de stelling is betrokken dat reeds één harde schop tegen het hoofd voldoende is om naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op de dood aan te nemen. In de jurisprudentie van de Hoge Raad valt deze opvatting, voor zover ik heb kunnen nagaan, niet in zo algemeen gestelde bewoordingen terug te vinden. De (ruim) beschikbare rechtspraak van de Hoge Raad laat echter weinig twijfel bestaan dat geweld zoals vastgesteld in de bestreden uitspraak naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op de dood kan doen ontstaan. Vrijwel telkens doet de Hoge Raad daarbij klachten over het opzet of meer specifiek de aanmerkelijke kans af met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro. Ik wijs op een aantal voorbeelden.
2.14
In de zaak die voorafging aan een arrest van 11 februari 2014 had het hof vastgesteld dat de verdachte meermaals tegen het hoofd van het slachtoffer had geschopt terwijl deze op de grond lag en dat de verdachte daarbij ook een “aanloop” had genomen. [15] De Hoge Raad deed de zaak af met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro. [16] Een volgend voorbeeld betreft een arrest van 24 juni 2014. In deze zaak was vastgesteld dat de verdachte minstens vijf keer en ook met kracht met de geschoeide voet tegen het hoofd van het slachtoffer had geschopt terwijl deze op de grond lag. [17] Opnieuw volstond de Hoge Raad met een verkorte motivering. [18] Datzelfde gold voor een arrest van eerder dat jaar. [19] Hier had het hof volgens de samenvatting van de AG vastgesteld dat de verdachte terwijl het slachtoffer op de grond lag, zonder pauze vier of vijf keer met kracht tegen [het hoofd van het slachtoffer, MvW] heeft geschopt, waardoor [slachtoffer] het bewustzijn verloor. [20]
2.15
Een voorbeeld van een zaak die niet met een verkorte motivering werd afgedaan betreft het arrest van 16 december 2014. Het hof had in deze zaak
“vastgesteld dat de verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededader tegen [slachtoffer] het bewezenverklaarde geweld heeft uitgeoefend, onder meer bestaande uit het als een razende met vuisten meerdere keren op het hoofd slaan en vervolgens met geschoeide voet meermalen tegen het hoofd schoppen, terwijl [slachtoffer] door de eerste schop het bewustzijn heeft verloren.”
De Hoge Raad oordeelde dat het hof uit die vaststellingen het bewezenverklaarde opzet had kunnen afleiden. [21]
2.16
In aanvulling op de voorgaande zaken kan nog gewezen worden op de zaak die bekend staat als de “grensrechterzaak”. Het in een van die zaken voorgestelde middel dat gericht was tegen het oordeel over het opzet op de dood, kon bij AG Knigge op weinig bijval rekenen. [22] De Hoge Raad hield het bij een art. 81 lid 1 RO Pro-motivering. [23] Datzelfde gebeurde in het arrest van 13 september 2016, dat volgde op de hiervoor (onder 2.13) al genoemde conclusie van AG Harteveld. [24] Later dat jaar verklaarde de Hoge Raad nog op de voet van art. 80a RO een cassatieberoep niet-ontvankelijk dat was gericht tegen een arrest waarin het hof, deels door een bevestiging van het vonnis van de rechtbank, een verdachte wegens poging tot doodslag had veroordeeld op grond van de vaststelling dat deze “meermalen met geschoeide voet en met kracht” tegen het hoofd van het slachtoffer (in de buurt van de slaap) had geschopt en deze meermalen met kracht en met gebalde vuist tegen diens hoofd had geslagen. [25]
2.17
Van een koersverlegging is ook in de jaren na 2016 geen sprake geweest. In het arrest van 12 december 2017 liet de Hoge Raad onder toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro een veroordeling wegens poging doodslag in stand. [26] Een van de door het hof voor het bewijs gebruikte getuigenverklaringen hield in dat de verdachte een aanloop had genomen en het slachtoffer tegen zijn hoofd had geschopt “alsof hij een penalty nam”. [27] Ten slotte wijs ik nog op een arrest uit 2021. Dit betreft het arrest waar de conclusie van AG Spronken aan voorafging die ik ook hiervoor reeds noemde (onder 2.13). Het hof had vastgesteld dat het slachtoffer na een eerste trap bewegingloos bleef liggen. De verdachte nam daarop een aanloop en trapte het slachtoffer met geschoeide voet alsof hij “een bal wilde wegtrappen.” [28] Het tegen dit oordeel gerichte cassatiemiddel werd - opnieuw - met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro verworpen. [29]
2.18
Het voorgaande overzicht laat geen andere conclusie toe dan dat de vaste lijn in de jurisprudentie van de Hoge Raad is dat het - al dan niet meermaals - met kracht en geschoeide voet schoppen tegen het hoofd van een persoon die op de grond ligt, een grond oplevert waar de feitenrechter het oordeel op kan baseren dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood. Als dergelijke vaststellingen door de feitenrechter zijn gedaan, zal in cassatie de klacht dat het oordeel dat naar algemene ervaringsregels sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood onbegrijpelijk zou zijn, in beginsel niet slagen.
De beoordeling van het middel
2.19
Uit het voorgaande volgt dat het gerechtshof geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te overwegen dat het “meermalen met kracht schoppen tegen het hoofd van iemand die op de grond ligt”, naar algemene ervaringsregels leren, een aanmerkelijke kans op de dood met zich brengt. De vaststellingen die het hof heeft gedaan en de overwegingen die het hieraan heeft gewijd (zie hiervoor onder 2.6-2.8), kunnen het oordeel dat hiervan in de gegeven omstandigheden sprake was bovendien dragen, waardoor niet gezegd kan worden dat het hof zijn beslissing daaromtrent niet toereikend heeft gemotiveerd. Gelet hierop zal ik de overige delen van het cassatiemiddel niet bespreken.

Afronding

3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 Wet Pro RO ontleende motivering.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG

Voetnoten

1.Bij aanvullende schriftuur is in een nadere toelichting op het voorgestelde cassatiemiddel nog een correctie aangebracht. Deze behelst geen inhoudelijke wijziging.
2.Zie bijv. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, rov. 3.6.
3.Zie bijv. HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718, rov. 5.3.1.
4.HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718, rov. 5.3.2. De Hoge Raad overwoog hierin onder meer: “De Hoge Raad kan geen algemene regels geven over de exacte grootte van de kans die in het algemeen of voor een bepaald type delict minimaal vereist zou zijn, laat staan deze kans in een percentage uitdrukken.”
5.HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718, rov. 5.3.2.
6.HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0291, rov. 3.2.1.
7.A.J.A. Van Dorst en M.J, Borgers,
8.CAG van AG Wortel van 25 oktober 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AU5440 (niet gepubliceerd, zaaknummer 00165/05).
9.HR 6 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU5440 (niet gepubliceerd, zaaknummer 00165/05).
10.HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6752 (niet gepubliceerd, zaaknummer 09/03572).
11.CAG van 22 maart 2004, ECLI:NL:PHR:2005:AT2755 (niet gepubliceerd, zaaknummer 03253/04), onder 3.16: “Het met geschoeide voet (meermalen) met kracht trappen tegen het hoofd van een op de grond liggende persoon levert immers een naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijke kans op dat het slachtoffer ten gevolge van een bloeding in of rond de hersenen komt te overlijden.” In deze zaak waren meer vaststellingen gedaan, onder meer ten aanzien van het (hersen)letsel. De Hoge Raad deed de zaak af onder toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro: HR 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2755 (niet gepubliceerd). Zie ook de CAG van 30 november 2010, ECLI:NL:PHR:2011:BO6752 (niet gepubliceerd, zaaknummer 09/03572), onder 3.2: “Het is een feit van algemene bekendheid dat het met kracht en geschoeide voet meermalen schoppen tegen het hoofd een gedraging vormt die uit haar aard geschikt is dodelijk letsel toe te brengen.” Deze conclusie ging vooraf aan het hierboven genoemde arrest van 30 januari 2011.
12.CAG van 7 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:747, onder 6.3: “het met kracht schoppen met geschoeide voet tegen een zo kwetsbaar lichaamsdeel als het hoofd [levert] reeds in zijn algemeenheid een aanmerkelijke kans op de dood van de getroffene op”. Uit de bewijsvoering bleek ook hier wel wat meer aan de hand te zijn geweest: zo was vastgesteld dat een van de mededaders “voor de knock-out ging” en een ander “er bovenop vliegt en helemaal tekeer gaat”. De Hoge Raad volstond ook hier met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering: HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2058.
13.CAG van 11 april 2017, ECLI:NL:PHR:2017:609, onder 29: “Het met kracht tegen het hoofd/gezicht schoppen levert naar algemene ervaringsregels mogelijk ernstige gevolgen, waaronder dodelijk letsel, op. Eén harde trap tegen het hoofd kan direct dodelijk zijn.” In deze zaak hielden de vaststellingen van het hof bepaald meer in over de kracht waarmee was geschopt, onder meer inhoudende dat de verdachte die op de grond lag door de kracht was verschoven en door een ruit was gevallen. De Hoge Raad deed de zaak af onder toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro: HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1288.
14.CAG van 11 mei 2021, ECLI:NL:PHR:2021:599, onder 3.9: “[h]et met kracht schoppen met een geschoeide voet tegen een zo kwetsbaar lichaamsdeel als het hoofd levert in zijn algemeenheid al de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer op omdat daardoor letsel kan ontstaan dat de dood tot gevolg heeft.” Ook in deze zaak hielden de vaststellingen van het hof bepaald meer in dan dat sprake was geweest van één harde schop. Eerst was een “vliegende karatetrap” gegeven, waarna het slachtoffer bewegingloos was blijven liggen, waarop vervolgens de verdachte, na het nemen van een aanloop, het slachtoffer tegen het hoofd schopte “alsof [hij] een bal wilde wegtrappen”. De Hoge Raad hield het ook hier bij de op art. 81 lid 1 ge Proënte formulering: HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:925.
15.Zie voor de feiten de CAG van AG Jörg van 10 december 2013, ECLI:NL:PHR:2013:2463. In deze zaak had het hof niet verwezen naar algemene ervaringsregels of een feit van algemene bekendheid, maar alleen overwogen dat “de kans op overlijden als gevolg van het meermalen schoppen tegen een kwetsbaar deel van het menselijk lichaam, namelijk het hoofd van het op de grond liggende slachtoffer, aanmerkelijk is te noemen.”
16.HR 11 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:305.
17.Zie voor de feiten de CAG van (toenmalig) AG F.W. Bleichrodt van 22 april 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1262 (niet gepubliceerd, zaaknummer 13/05301).
18.HR 24 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:2568 (niet gepubliceerd, zaaknummer 13/05301).
19.HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:855.
20.Zie voor de feiten de CAG van AG Vegter van 11 februari 2014, ECLI:NL:PHR:2014:257.
21.HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3638, rov. 2.3. De Hoge Raad noch het hof verwees daarbij expliciet naar algemene ervaringsregels.
22.CAG van 3 maart 2015, ECLI:NL:PHR:2015:132, onder 7.1-7.6. Knigge gaat in zijn conclusie niet uitvoerig in op de feitelijke vaststellingen, maar uit de door hem geciteerde overwegingen van het hof blijkt dat het slachtoffer zeer vaak (“continu”) door een groot aantal jongens met onder andere de noppen, de punt en de wreef van de voetbalschoen met kracht tegen hoofd en lichaam is geschopt.
23.HR 14 april 1015, ECLI:NL:HR:2015:931.
24.HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2058.
25.HR 1 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2487.
26.HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3121.
27.Zie voor de bewijsvoering - en in het bijzonder bewijsmiddel 3 - de CAG van AG Aben van 31 oktober 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1343.
28.CAG van AG Spronken van 11 mei 2021, ECLI:NL:PHR:2021:599.
29.HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:925.