Conclusie
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging
ofmet grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. De rechtbank lijkt er echter van uit te gaan dat sprake moet zijn van doelbewuste
engrove veronachtzaming.
In de overwegingen betreffende de niet-ontvankelijkheidsverweren zijn in verband met de leesbaarheid van de tekst voetnoten geplaatst, met name ten aanzien van de gesprekken met geheimhouders. Deze voetnoten hebben, gelet op het feit dat zij niet zien op bewijsmiddelen, slechts de status van verwijzing. (...)
De ingewikkeldheid van de zaak. De strafzaak [A] betreft een omvangrijk en complex onderzoek vanwege de financiële component en de grote hoeveelheid (ook internationale) rechtspersonen. Er is sprake van een gelijktijdige berechting van vier verdachten. Verder is het onderzoek [A] nauw verweven met het onderzoek naar de voorganger van dit financiële product: [B]. [verdachte] is ook in [B] als één van de verdachten gedagvaard, reden waarom om proceseconomische redenen door de rechtbank is besloten om [A] en [B] (voor zover het [verdachte] betreft) in de tijd zoveel mogelijk samen op te laten lopen.
Onderzoekswensen. De verdediging in zowel [A] als [B] heeft een aantal verzoeken gedaan, die veel tijd hebben gekost. Er is door de rechter-commissaris onder meer onderzoek gedaan in Costa Rica (drie reizen, te weten één in [B] en twee in [A]), Praag ([A]) en Monaco [B]). Er zijn getuigen verhoord en er zijn in verband met de gesprekken met geheimhouders onderzoeken gedaan door een deskundige en door de rechter-commissaris bij de ULI in Driebergen. De officier van justitie heeft herhaaldelijk gesteld dat voor hem de nadere onderzoeken, met name in het buitenland, niet nodig waren. Die onderzoeken zijn op verzoek van de verdediging verricht.
De behandeling van de zaak door de rechtbank en het Openbaar Ministerie. Het opsporingsonderzoek in beide zaken is, de complexiteit in aanmerking genomen, redelijk voortvarend geschied. Vertraging, die niet aan verdachten is toe te rekenen, is gelegen in de volgende omstandigheden. In de [B]-zaak diende de officier van justitie op 16 september 2013 een wijziging tenlastelegging in, inhoudende een uitbreiding van de termijn. Daardoor was het noodzakelijk de aangevers opnieuw te horen over de uitgebreide termijn en werd de inhoudelijke behandeling uitgesteld.
De raadsman van [verdachte] heeft terecht gesteld dat er tapverslagen zijn gebruikt in de verhoren. De rechtbank heeft vastgesteld dat het daarbij niet gaat om gesprekken met geheimhouders.
Ter zitting (in juni 2016) heeft de officier van justitie verklaard dat hij de telefoongesprekken, later toegelicht als de gesprekken met geheimhouders, niet voor het bewijs wenst te gebruiken. FIOD-opsporingsambtenaren hebben zich daarover in gelijke zin uitgelaten. De rechtbank zal de telefoongesprekken met geheimhouders — uiteraard — van het bewijs uitsluiten.
Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt niet dat door de officier van justitie en/of het FIOD-onderzoeksteam doelbewust of met grove veronachtzaming inzake de gesprekken met geheimhouders is gehandeld. Daarbij heeft de rechtbank tevens betrokken hetgeen hieronder onder 4 en 5 is overwogen.
De verdediging heeft aanvankelijk de gesprekken met geheimhouders niet aan de orde gesteld. Het is juist de officier van justitie geweest die een door de FIOD in het kader van een schoningsactie opgemaakt proces-verbaal d.d. 3 april 2009 – dat is de vrijdag voor de zitting van 6 april 2009 – aan de verdediging beschikbaar heeft gesteld.
De rechtbank heeft met verbazing kennis genomen van de verklaringen van de opsporingsambtenaren van de FIOD dat men niet wist dat er gesprekken met geheimhouders waren getapt en dat zij niet bekend waren met een protocol voor die gesprekken. Wat men daarvan ook moge vinden, uit zulk een gebrek aan kennis kan bezwaarlijk het verwijt van doelbewust of grove veronachtzaming worden afgeleid.
Zonder te willen afdoen aan de ernst van de schending van een grondrecht (te weten de vertrouwelijkheid tussen de advocaat en zijn cliënt) acht de rechtbank gezien de korte tapperiode, het aantal, de aard en de inhoud van de opgenomen gesprekken met geheimhouders, zoals hierboven is overwogen, de schending van de belangen van verdachten in deze specifieke strafzaak gering. De rechtbank ziet niet in dat de gesprekken met geheimhouders het opsporingsonderzoek op enigerlei wijze hebben vooruitgeholpen, sturingsinformatie daarbij inbegrepen. De officier van justitie ter zitting en de FIOD-ambtenaren bij de rechter-commissaris hebben zich in gelijke zin uitgelaten. De rechtbank heeft geen reden aan die uitlatingen te twijfelen.
met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte heeft gehandeld. Hem valt geen boos opzet te verwijten. Hoewel met het niet vernietigen van de geheimhoudersgesprekken ernstig inbreuk is gemaakt op een belangrijk grondrecht valt niet in te zien dat verdachten daarvan in deze strafzaak nadeel hebben ondervonden. Het gaat om een zeer gering aantal gesprekken en ten aanzien van de inhoud ervan kan niet worden gezegd dat deze op enigerlei wijze het onderzoek hebben beïnvloed en aldus de belangen van verdachten hebben geschaad.
De ambtenaren, bedoeld in de artikelen 141 en 142, maken ten spoedigste proces-verbaal op van het door hen opgespoorde strafbare feit of van hetgeen door hen tot opsporing is verricht of bevonden’.
NJ2004/376, m.nt. Buruma en HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321,
NJ2013/308, m.nt. Keulen het volgende. Indien is vastgesteld dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van art. 359a Sv en het rechtsgevolg daarvan niet reeds uit de wet blijkt, dient de rechter te beoordelen of aan dat vormverzuim een rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg daarvoor in aanmerking komt. Artikel 359a Sv biedt de rechter die een vormverzuim heeft vastgesteld de mogelijkheid af te zien van het toepassen van één van de in dit artikel bedoelde rechtsgevolgen, te weten strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging, en te volstaan met het oordeel dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan. Een beslissing tot toepassing van één van de rechtsgevolgen als bedoeld in art. 359a, eerste lid, Sv dient te worden genomen en gemotiveerd aan de hand van de factoren die in art. 359a, tweede lid, Sv zijn genoemd, te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Bij de beoordeling van “de ernst van het verzuim” zijn de omstandigheden waaronder het verzuim is begaan van belang. Hierbij kan de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen. Bij de beoordeling van “het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt” is onder meer van belang of en, zo ja, in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. Hierbij verdient opmerking dat het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, niet kan worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang, zodat een eventuele schending van dit belang als gevolg van een vormverzuim niet een nadeel oplevert als bedoeld in art. 359a, tweede lid, Sv. [8] Waar mogelijk wordt volstaan met het – vanuit het perspectief van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen bezien – minst verstrekkende rechtsgevolg. [9] Met het oog op het vorengaande mag van de verdediging die een beroep doet op schending van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de bovengenoemde factoren wordt aangegeven tot welk in art. 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden. Alleen op een zodanig verweer is de rechter gehouden een met redenen omklede beslissing te geven. [10]
NJ2021/169, m.nt. Jörg over vormverzuimen en de daaraan te verbinden rechtsgevolgen het volgende overwogen met betrekking tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging:
Niet-ontvankelijkverklaring
eerstedeelklacht [13] houdt in dat het hof niet is ingegaan op het verweer dat de rechtbank de vertrouwelijkheid van de geheimhoudersgesprekken heeft geschonden door deze te laten uitwerken en te bespreken op een openbare terechtzitting.
tweededeelklacht [14] en de
derdedeelklacht [15] wordt aangevoerd dat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het standpunt van de verdediging dat de officier van justitie respectievelijk de opsporingsambtenaren van de FIOD zich niet aan de geldende regels omtrent geheimhoudersgesprekken hebben gehouden en dit verzuim “moedwillig” door hen is begaan.
vierdedeelklacht [16] wordt aangevoerd dat het hof ongemotiveerd voorbij is gegaan aan het standpunt van de verdediging dat het ten onrechte getapte telefoongesprek van advocaat Schoesetters, zijnde een geheimhouder, met de verdachte door de opsporingsambtenaren van de FIOD sturend is gebruikt, hetgeen ook aanleiding moet zijn om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging wegens ernstige, stelselmatige en herhaaldelijke inbreuken op regelgeving die het verschoningsrecht moet waarborgen.
vijfdedeelklacht [17] wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof dat de inhoud van de door verbalisant [verbalisant 2] gevoerde telefoongesprekken met (een deel van de) aangevers redelijkerwijs niet van belang is voor enige door het hof in het eindonderzoek te nemen beslissing.
zesdedeelklacht [18] houdt in dat het hof de verklaringen van de aangevers heeft gedenatureerd door te overwegen dat zij zich de gesprekken met de FIOD niet meer konden herinneren, terwijl verschillende aangevers nadrukkelijk hebben verklaard niet met de FIOD te hebben gesproken.
of dat zelfs te hebben ontkend. Derhalve zie ik niet in hoe de overweging van het hof te kwalificeren is als denaturering van de verklaringen van de aangevers. Hierbij weeg ik mee dat de steller van het middel niet (nader) heeft uiteengezet aan welke verklaringen van welke aangevers het hof een wezenlijk andere betekenis zou hebben gegeven dan die de aangevers kennelijk hebben bedoeld daaraan te geven.