Conclusie
1.[verweerster 1] N.V.(hierna: ‘ [verweerster 1] ’)
[verweerder 2](hierna: ‘ [verweerder 2] ’)
1.Feiten
I can also not judge whether or not it is sensible to pay this money. This depends on the question how to deal with Carigna Investments N. V. as company (do you want to keep this company in the air or liquidate this company in the near future?).”
I still have no idea what youre strategy is with Carigna: will this company finally go bankrupt or should it be liquidated. What goal do we have with continuing the proceedings, apart from avoiding a verdict in which Carigna is forced to pay damage? It is likely that Carigna will pay any damage in case there is a verdict as aforementioned ???”
overzicht communicatie partijen’) bij het Horwath-rapport bevindt zich onder andere een brief van [A] aan Horwath HTL van 19 september 2008, waarin onder meer staat:
Op verzoek van [betrokkene 2] van [het pand] B.V. te [plaats] ontvangt u hierbij de bladzijden 18, 19 en 20 van het door ons kantoor samengestelde financieel verslag 2005, d.d.13 november 2006.”
[het pand] B.V. [plaats]’.
When do you think we should close Carigna Amsterdam?”
Enclosed you receive a copy of the statement that we issued today in court[de akte na deskundigenbericht,
A-G].
The statement is only a response to the report of the expert. In the final report of the expert it is concluded that there is a damage of € 4.623.802,-- per ultimo 2008.
Reference is maid to our telephone conversation about the verdict of May 12th last in the case against [betrokkene 1] .
To my opinion, I think we should dispute this decision in appeal. The interest involved is important enough not to use the opportunity to change the outcome of the case.
[verweerster 1] N.V. T.a.v. [verweerder 2]”, heeft (de advocaat van) Carigna [verweerder 2] en [verweerster 1] aansprakelijk gesteld voor haar schade, omdat is nagelaten de hiervoor in randnummer 1.15 vermelde verweren hetzij in eerste aanleg dan wel in hoger beroep bij memorie van grieven aan te voeren. In deze brief is voor zover relevant het volgende opgenomen:
Gezien de hierboven beschreven tekortkomingen houdt Carigna Investments u, alsmede uw kantoor hoofdelijk aansprakelijk voor de als gevolg van deze tekortkomingen door haar geleden en nog te lijden schade.
Via de deurwaarder [verweerster 1] t.a.v. [verweerder 2]” – heeft de advocaat van Carigna onder meer het volgende geschreven:
Geachte confrère,
2.Procesverloop
Eerste aanleg
paritas creditorumgeldt. Carigna wenst en is ook voornemens de schadevergoeding zoveel als mogelijk aan te wenden om aan de veroordeling jegens [betrokkene 1] te kunnen voldoen. Van Carigna kan evenwel niet worden verlangd dat zij selectief een schuldeiser betaalt en daarbij andere schuldeisers benadeelt. Evenmin is relevant hoe Carigna de onderhavige procedure financiert. Zij heeft een procesfinancieringsarrangement gesloten, omdat zij onvoldoende liquiditeit heeft om deze procedure te voeren. De bedragen waarop de financier recht heeft, zijn kosten die Carigna maakt om deze procedure te kunnen voeren.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
[…] /Kringkoop [33] van Uw Raad van belang. Het geschil in die procedure ging – voor zover hier nu van belang – over het volgende. De VOF […] had van Kringkoop een drainwater-ontsmettingsinstallatie gekocht, die in februari 1994 gebrekkig bleek. In de toepasselijke algemene voorwaarden van Kringkoop was een beding opgenomen dat inhield dat de mogelijkheid tot het instellen van enige rechtsvordering dan wel het aanhangig maken van geschillen zou verjaren na verloop van één jaar nadat de aanleiding daartoe was ontstaan. […] heeft Kringkoop in augustus 1995 aansprakelijk gesteld voor het onvoldoende functioneren van de installatie en de daardoor geleden bedrijfsschade. Vervolgens heeft zij in december 1996 de inleidende dagvaarding uitgebracht. Zij heeft daarbij gevorderd “
1. voorzoveel nodig alsnog te ontbinden de overeenkomst(…)” en “
2. voorts gedaagde te veroordelen om aan eisers te betalen de schade(…)
zulks uit hoofde van door gedaagde jegens eiseres gepleegde onrechtmatige daad c.q. wanprestatie(…)”. De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen.
voorzoveel nodig alsnog” ontbinding heeft gevorderd alsmede dat haar vordering strekt tot terugbetaling van de koopprijs en tot betaling van schadevergoeding. Het onder (i) bedoelde oordeel van het hof, waarin klaarblijkelijk werd uitgegaan van een onvoorwaardelijke vordering tot ontbinding van de koopovereenkomst, was volgens Uw Raad onbegrijpelijk. [34] Daarnaast vloeide de vordering tot vergoeding van schade volgens Uw Raad niet voort uit de ontbinding van de overeenkomst. [35]
nakomingsvorderingvereist is dat binnen zes maanden een stuitingshandeling als bedoeld in art. 3:316 BW Pro moet zijn ondernomen. [36] Anders gezegd: uit dit arrest is alleen iets af te leiden over stuiting van de verjaring van vorderingen die onder het
eerstelid van art. 3:317 BW Pro vallen, maar niets over vorderingen die vallen onder het
tweedelid, zoals een vordering tot ontbinding. Het arrest bevestigt in deze interpretatie een vrij letterlijke lezing van art. 3:317 BW Pro: voor stuiting van de verjaring van vorderingen die onder het eerste lid vallen, gelden de vereisten van het eerste lid, niet die van het tweede en dit wordt niet anders als de vorderingen worden gecombineerd met een vordering die wel onder het tweede lid valt.
slechts” in de voorlaatste volzin van rov. 3.5 van het arrest en in het gegeven dat het cassatiemiddel van […] (met uitzondering wellicht van het door Uw Raad niet behandelde onderdeel 9) enkel betrekking had op vorderingen tot nakoming van verbintenissen – er was immers al buitengerechtelijk ontbonden (zie hiervoor, randnummer 3.5).
eerstelid van art. 3:317 BW Pro. [39]
combinatievan verschillende vorderingen. Voor deze interpretatie zijn belangrijke aanknopingspunten te vinden in de conclusie van P-G Hartkamp vóór het arrest.
voorzoveel nodig”. Bovendien vloeide volgens P-G Hartkamp de schadevergoedingsvordering vanwege niet-nakoming niet voort uit de vordering tot ontbinding, zelfs niet nu de schuldenaar ook gehouden was tot vergoeding van schade ten gevolge van de ontbinding. Tegen die achtergrond kwam P-G Hartkamp toe aan de bespreking van art. 3:317 BW Pro. Ik citeer:
in rechte ingesteldevorderingen). Met zijn verwijzing naar “
het onderhavige geval” rijst bovendien de vraag wat er voor de P-G kenmerkend was aan het voorliggende geval. Kennelijk heeft Hartkamp bedoeld dat er geen nakoming was gevorderd van de verbintenis uit overeenkomst (de “
primaire” verbintenis), maar van een verbintenis strekkende tot schadevergoeding (in de terminologie van Hartkamp een “
vervangende” verbintenis [40] ) en dat die vordering is gecombineerd met een vordering tot ontbinding. Het in de slotzin van het citaat gemaakte onderscheid tussen primaire en subsidiaire
vorderingenlijkt mij slechts bedoeld als illustratie van een veel voorkomend geval, maar inhoudelijk is het onderscheid primair-subsidiair (dat immers pas ontstaat door een daad van rechtsvervolging) mijns inziens niet van veel betekenis.
[…] /Kringkooptwee sterk verschillende interpretaties bestaan, die nogal uiteenlopende materiële consequenties hebben. In de eerste hiervoor beschreven interpretatie heeft Uw Raad met een omhaal van woorden de tekst van de wet bevestigd. In de tweede interpretatie heeft Uw Raad geoordeeld dat bij een combinatie van vorderingen alleen art. 3:317 lid 1 BW Pro van toepassing is. Deze tweede interpretatie heeft het voordeel van de eenvoud: voor de stuiting van de verjaring van verschillende samenhangende vorderingen geldt in deze interpretatie één stuitingsregime.
[…] /Kringkoopwat mij betreft onwenselijk. De onderhavige procedure biedt Uw Raad gelegenheid om dienaangaande met het oog op de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling helderheid te verschaffen. Ik zou dat toejuichen. Een combinatie van vorderingen in de zin van art. 3:317 lid 1 en Pro lid 2 BW is zeer vaak aan de orde, zodat vragen van verjaring in een dergelijk geval ook niet zelden aan de orde zullen zijn. Ik veroorloof mij hierna enige opmerkingen over de achtergrond van de stuitingsregimes en zal mij daarna uitspreken voor de ruime interpretatie.
welvoldoende gesteld voor een beroep op stuiting, zodat voor de beoordeling van subonderdeel 2.1 nodig is om te onderzoeken of het hof op begrijpelijke wijze tot het oordeel is gekomen dat de reactie van [verweerders] op dat betoog (die vooral inhield dat er niet tijdig een vordering tot ontbinding was ingesteld) een betwisting van de stuitingshandeling inhield.
vervangendeverbintenissen, onder het bereik van art. 3:317 lid 1 BW Pro vallen – niet gemakkelijk te verklaren waarom voor stuiting van de verjaring van een vordering die niet strekt tot nakoming van een verbintenis de nadere ‘vormelijke’ voorschriften van art. 3:317 lid 2 BW Pro (schriftelijke aanmaning in plaats van mededeling, binnen zes maanden gevolgd door een van de in art. 3:316 BW Pro omschreven stuitingshandelingen) gelden. Deze voorschriften zijn overgenomen uit het oude recht.
dezevorderingen volledig geslaakt. Voor andere vorderingen, zoals de vordering tot ontbinding, is deze band – blijkens art. 3:317 lid 2 BW Pro – gehandhaafd. De totstandkomingsgeschiedenis van de regeling geeft geen inzicht in de reden voor dit handhaven, terwijl op het eerste gezicht niet vanzelfsprekend is dat of waarom voor de verjaring van verschillende vorderingen uiteenlopende stuitingsregimes zouden moeten gelden.
aanmaning. Een aanmaning is een aansporing tot nakoming (vaak van een verbintenis, zeker in gevallen waar een mogelijke ontbindingsvordering speelt). Het klassieke voorbeeld van een stuitingshandeling als bedoeld in art. 3:317 lid 2 BW Pro is de schriftelijke aanzegging aan de schuldenaar om een verbintenis na te komen onder vermelding van het voornemen om de tussen partijen bestaande overeenkomst bij uitblijven van deze nakoming te ontbinden – waarop dan binnen zes maanden een daad van rechtsvervolging moet volgen. Blijft de daad van rechtsvervolging binnen zes maanden uit, dan heeft de schriftelijke aanmaning naar de letter van de wet (art. 3:317 lid 1 BW Pro) alléén de verjaring van de vordering tot nakoming van de in de aanmaning vermelde verbintenis gestuit. [51]
altijdsprake is van een combinatie van een ontbindingsvordering met een vordering tot nakoming. Stuiting van de verjaring van een ontbindingsvordering op zich – die
nietin combinatie met een vordering tot nakoming aan de orde is – kan zich naar de letter van de wet alleen voordoen op de manieren omschreven in art. 3:316 BW Pro (kort gezegd: een daad van rechtsvervolging) en art. 3:318 BW Pro (erkenning, kort gezegd, door de wederpartij).
[…] /Kringkoopbrengt dit mee dat het tweede lid van art. 3:317 BW Pro op de stuiting van de verjaring van vorderingen tot ontbinding in het geheel niet van toepassing is. De aanhangers van deze interpretatie lijken dat niet te hebben beseft. [52] Deze consequentie maakt de door hen gevolgde interpretatie van het arrest van Uw Raad echter niet minder aantrekkelijk, aangezien zij tot gevolg heeft dat er geen lastig af te bakenen onderscheid hoeft te worden gemaakt tussen stuiting van de verjaring van ontbindingsvorderingen waarvoor wel en stuiting van de verjaring van ontbindingsvorderingen waarvoor niet binnen zes maanden na de aanmaning een daad van rechtsvervolging moet geschieden.
[…] /Kringkoopgeldt bij een combinatie van vorderingen het eerste lid van art. 3:317 BW Pro, zodat stuiting van de verjaring van een vordering tot ontbinding ook optreedt als gevolg van een schriftelijke mededeling die niet tevens een schriftelijke aanmaning is, maar wel een ondubbelzinnig voorbehoud van het recht op nakoming bevat. Naar ik aanneem moet de stuitingshandeling in deze interpretatie ook een voorbehoud aangaande de vordering tot ontbinding bevatten, aangezien gelet op de ratio van stuiting van belang is dat de schuldeiser ervoor wordt gewaarschuwd dat hij zich daartegen mogelijk in de toekomst nog moet gaan verweren. De schriftelijke mededeling die niet meer inhoudt dan dat een schuldeiser zich het recht voorbehoudt om een overeenkomst te ontbinden heeft echter geen stuitende werking, omdat er in dat geval geen sprake is van een combinatie van vorderingen. Daarmee is de grens tussen wat wel en wat niet resulteert in stuiting van de verjaring van een vordering tot ontbinding enigszins arbitrair: als er sprake is van een combinatie met een vordering tot nakoming kan stuiting plaatsvinden door een schriftelijke aanmaning of mededeling met ondubbelzinnig voorbehoud, door een daad van rechtsvervolging of door erkenning in de zin van art. 3:318 BW Pro; als er geen sprake is van een combinatie met een vordering tot nakoming kan stuiting alleen plaatsvinden door een daad van rechtsvervolging of door erkenning.
[…] /Kringkoopsluit nauwer aan bij de tekst van de wet. In deze opvatting is bij een combinatie van samenhangende vorderingen tot nakoming van een verbintenis en tot ontbinding van een overeenkomst sprake van toepasselijkheid van verschillende stuitingsregimes. Ook daar lijkt de grens tussen de verschillende regimes arbitrair.
[…] /Kringkoopzijn argumenten aan te dragen die hiervoor al de revue zijn gepasseerd. Voor de enge interpretatie pleiten de wettekst en het woord “
slechts” in de kernoverweging van Uw Raad. [53] Daarnaast kan ter ondersteuning van deze interpretatie worden gewezen op het belang van rechtszekerheid voor de schuldenaar, zoals hiervoor in randnummer 3.23 gememoreerd. Voor de
ruimeinterpretatie pleit in de eerste plaats het praktisch voordeel van de eenvoud: er is op de combinatie van vorderingen een enkel stuitingsregime van toepassing. [54] Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet waarom de formele voorschriften zijn gehandhaafd voor stuiting van de verjaring van vorderingen die niet strekken tot de nakoming van een verbintenis. [55] De wetgever lijkt eenvoudig te zijn voortgegaan op de voorheen ingeslagen weg. Daarmee lijkt hij tot op zekere hoogte zelf in de weg te staan aan het bereiken van het doel dat met het verruimen van de stuitingsmogelijkheden werd nagestreefd: het is ongewenst partijen al te snel tot een procedure te dwingen en tegen die achtergrond zou het zonde zijn als de formaliteiten omtrent stuiting van de verjaring van de ontbindingsvordering de schuldeiser
tochzouden dwingen tot aanmaning en het instellen van een eis. [56]
[…] /Kringkoopmij wenselijker voor, in die zin dat bij een combinatie van een vordering tot ontbinding met een vordering tot nakoming van een verbintenis voor de stuiting alleen het eerste lid van art. 3:317 BW Pro dient te worden toegepast.
subonderdeel 2.1getuigen rov. 4.6 en 4.7 van een verkeerde rechtsopvatting. Volgens het subonderdeel hebben [verweerders] bij hun beroep op verjaring nergens betoogd dat zij de brieven van 8 maart 2018 [57] en 14 maart 2013 [58] niet zo hoefden te begrijpen dat Carigna zich naast het recht op schadevergoeding ook het recht op ontbinding voorbehield. Het hof is dus buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen getreden (art. 24 Rv Pro), klaagt het subonderdeel. [verweerders] hebben pas bij memorie van antwoord in principaal appel specifiek over de vordering tot ontbinding betoogd dat die zou zijn verjaard. Carigna heeft dat betoog bij de eerstvolgende gelegenheid bestreden en daarbij uiteengezet dat haar stuitingsbrieven mede betrekking hadden op haar vordering tot ontbinding en op de terugbetaling die daaruit zou voortvloeien. Van een reactie daarop van de zijde van [verweerders] is niet gebleken. Tussen partijen was dus – klaagt het subonderdeel – niet in geschil dat de stuitingsbrieven mede betrekking hadden op Carigna’s vordering tot ontbinding, zodat het hof dit als vaststaand had moeten beschouwen (art. 149 Rv Pro). Voor zover het oordeel geen blijk geeft van een verkeerde rechtsopvatting, is het in het licht van het voorgaande zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.
.” [61]
subonderdeel 2.2kan lezing van de brieven ook los van subonderdeel 2.1 redelijkerwijs tot geen andere conclusie leiden dan dat in beide stuitingsbrieven drie afzonderlijke vorderingen aan de orde worden gesteld, te weten:
ondubbelzinnig” het recht voorbehouden “
om nakoming van de verplichting van[ [verweerders] ,
A-G]
tot het betalen van schadevergoeding c.q. terugbetaling van de gemaakte (juridische) kosten te vorderen.” Naar het oordeel van het hof hebben [verweerders] in die formulering niet meer hoeven begrijpen dan een voorbehoud met betrekking tot een of meer vorderingen tot
nakomingvan een of meer verbintenissen. Dat oordeel komt mij niet onbegrijpelijk voor, zeker niet in het licht van de (ook door het hof meegewogen) omstandigheid dat het hier gaat om een brief die is geschreven door advocaten. Hoe het gegeven dat de ontvangers van de brief advocaten waren aan de begrijpelijkheid van dit oordeel zou afdoen, ontgaat mij. In de brief van 8 maart 2018 is – zonder nadere toelichting – verwezen naar de brief van 14 maart 2013. De brief van 14 maart 2013 bevat in de eerste plaats een aansprakelijkstelling voor de als gevolg van tekortkomingen in de nakoming van de overeenkomst van opdracht door Carigna geleden en nog geleden schade. Voor het overige bevat de brief alleen de opmerking dat Carigna aanspraak maakt op “
vergoeding c.q. terugbetaling” van de door haar gemaakte kosten van juridische bijstand. Het oordeel van het hof dat [verweerders] in (de verwijzing naar) deze brief geen voorbehoud met betrekking tot een ontbindingsvordering hebben hoeven lezen, is niet onbegrijpelijk.
vergoeding c.q. terugbetaling” – anders dan Carigna in hoger beroep heeft betoogd – nog niet betekent dat voor [verweerders] duidelijk was dat Carigna zich haar recht op ontbinding voorbehield. In zoverre mist het subonderdeel feitelijke grondslag.
na aftrek van kosten” zal betalen en dat Carigna in het bijzonder onvoldoende had toegelicht hoe zou worden gewaarborgd dat het restant bij [betrokkene 1] terecht zou komen – en hoe groot dat restant zou zijn. [65]
[…] /mr. X. [79] Die zaak ging over een door een advocaat (mr. X) gemaakte beroepsfout, die tot gevolg had dat […] bij onherroepelijk geworden verstekvonnis was veroordeeld tot betaling van
f65.427,54 met rente en kosten. Rechtbank en hof hadden geoordeeld dat […] nog geen schade had geleden die voor verhaal op mr. X in aanmerking kwam, omdat […] nog niet (ook niet deels) aan de veroordeling had voldaan. […] kwam in cassatie op tegen onder meer het oordeel van het hof met deze strekking. Uw Raad verwierp het cassatieberoep en overwoog daartoe voor zover thans van belang als volgt:
NJ-annotator Brunner achtte de erin tot uitdrukking gebrachte rechtsopvatting onjuist:
[…] /mr. X, waarin hij leest dat het enkele ontstaan van een vordering nog geen schade is, is teruggekomen. Hij heeft daarbij onder meer gewezen op het arrest
[…] / […], [81] waarin Uw Raad tot uitgangspunt heeft genomen dat de verjaring van de vordering tot vergoeding van schade die bestaat in een verkregen schuld aanvangt vóórdat er een begin is gemaakt met het daadwerkelijk betalen van deze schuld, hetgeen suggereert dat de schadevergoedingsvordering al bestaat, ook als de gelaedeerde nog geen daadwerkelijke kosten heeft gemaakt. [82] In die zaak waren bestuurders (toen verweerders in cassatie) door een faillissementscurator op de voet van art. 2:248 BW Pro aansprakelijk gesteld voor het tekort in het faillissement van de door hen bestuurde vennootschap. In de procedure kwam vast te staan dat de accountant (Ernst & Young) de bestuurders onjuist had voorgelicht over de door hen te nemen besluiten en daarmee was tekortgekomen in de uitvoering van zijn werkzaamheden. In cassatie was onder meer aan de orde of de voormalig advocaat van de bestuurders (toen eiser tot cassatie) een beroepsfout had gemaakt door de verjaring van de schadevergoedingsvordering van de bestuurders jegens de accountant niet te stuiten. De advocaat stelde zich op het standpunt dat deze schadevergoedingsvordering nog niet was verjaard. Uw Raad overwoog voor zover thans van belang als volgt:
[…] / […]de vraag of
/mr. Xnog geldend recht weergeeft als zodanig niet aan de orde was, was in die procedure, anders dan in
[…] /mr. X, geen sprake van een vastgestelde reële kans op onverhaalbaarheid van de bestuurdersaansprakelijkheidsvordering. Dit verschil brengt mijns inziens mee dat niet kan worden aangenomen dat Uw Raad met de in het vorige randnummer geciteerde overwegingen is teruggekomen van het arrest
[…] /mr. X. [84]
[…] /mr. X [86] centraal stond. Aan toepassing van een eventueel aan dat arrest te ontlenen rechtsregel kwam het hof daarom niet toe. Het tegen dit oordeel ingestelde cassatieberoep heeft Uw Raad verworpen met toepassing van art. 81 RO Pro. Ook uit dit oordeel van Uw Raad is mijns inziens, anders dan Van der Kooij heeft gesuggereerd, niet af te leiden dat Uw Raad is teruggekomen van
[…] /mr. X.
[…] /mr. Xis teruggekomen. [87] Het hof heeft toepassing gegeven aan de rechtsregel uit dit arrest. De in het subonderdeel vervatte rechtsklacht faalt reeds daarom. Nu het hof heeft vastgesteld dat de schuld van Carigna aan [betrokkene 1] geen reële waarde heeft, heeft Carigna geen vermogensschade geleden. In dat licht hoefde het hof zich – anders dan het subonderdeel aanvoert – ook niet uit te laten over de onmogelijkheid van het hanteren van de feitelijk/hypothetische methode en in verband daarmee over de eventuele toepassing van het leerstuk van de kansschade. De klachten omtrent schadebegroting en de daarvoor gehanteerde methode dienen daarom te falen.
[…] /Mr. Xdie daaraan ten grondslag ligt, van de in dit arrest uitgezette lijn terug te komen.
NJ-annotator Brunner bracht vervolgens een normatief element in de discussie met zijn betoog – dat andere criticasters en de steller van het middel in de onderhavige zaak inspireerde – dat ook weinig vermogende cliënten er recht op en belang bij hebben dat hun vermogen niet wordt belast met schulden die aan de fouten van anderen te wijten zijn. Een vergelijkbaar betoog zou kunnen worden gehouden voor de getroffene in de genoemde ontruimingskwestie of voor degene die een waardeloze zaak verliest; ook diegenen hebben er recht op en belang bij dat hun zaken onaangetast blijven. En toch betekent dat in ons recht niet dat bij de vraag welke schade zij lijden en op welke schadevergoeding zij dan recht hebben, niet mag worden gekeken naar de feitelijk-economische werkelijkheid. Dat mag, als gezegd, juist wel. Ik zie geen reden om in de gevallen waarop
[…] /Mr. Xziet alsnog van een ander regime uit te gaan. Niet steeds, anders gezegd niet in alle omstandigheden, bestaat de schade in geval van een beroepsfout als gevolg waarvan een schuld ten laste van de cliënt is ontstaan in de nominale waarde van de schuld. Sterker nog: niet uitgesloten is dat de schade als gevolg van het ontstaan van de schuld (verwaarloosbaar en daarmee) nihil is.
[…] /Mr. Xaan dat arrest (tamelijk vergaande) algemene conclusies verbinden (alsof steeds de verhaalbaarheid van een vordering aan bod zou (moeten) komen en invloed zou hebben op de omvang van een eventuele beroepsaansprakelijkheid), lijkt het arrest veeleer op een bijzonder geval te duiden (waarin inderdaad met een reële kans op onverhaalbaarheid rekening moet worden gehouden bij de beantwoording van de vraag of en zo ja welke schade door een beroepsfout is ontstaan). In die sleutel, uitzondering eerder dan regel, staat in ieder geval ook het oordeel van het hof in deze zaak. [90]
intercompany) schulden heeft;
onder a.merk ik het volgende op. Aan de orde is de vraag of Carigna schade heeft geleden door het ontstaan van een schuld jegens [betrokkene 1] . Uit de in de procesinleiding aangehaalde vindplaatsen blijkt slechts dat Carigna heeft gesteld dat zij heeft geprobeerd haar gestelde vordering op [verweerders] te verhalen en dat zij met een eventueel in dit verband te ontvangen schadevergoeding (na aftrek van kosten) haar schuld aan [betrokkene 1] wil voldoen. Dat Carigna bij het ontvangen van een schadevergoeding daarmee (een deel van) de schuld wil voldoen, houdt nog niet in dat feitelijk nadeel is ontstaan door de schuld. Om een vordering tot schadevergoeding te kunnen toewijzen, moet eerst worden vastgesteld of schade is ontstaan. Bij de beantwoording van die vraag kan daarom niet uitgangspunt zijn dat schadevergoeding wordt toegewezen. Op dit betoog van Carigna hoefde het hof daarom niet nader in te gaan.
onder b.geldt het volgende. Het hof heeft vastgesteld dat [betrokkene 1] in 2013 is gestopt zijn vordering te executeren. Daarmee heeft het hof niet meer vastgesteld dan dat [betrokkene 1] de tenuitvoerlegging van zijn vordering niet heeft voortgezet. In die vaststelling is geen oordeel te ontwaren over prijsgeving of het niet langer aanspraak maken op betaling. Voor zover de klacht tot uitgangspunt neemt dat deze oordelen wel zijn gegeven, ontbeert zij feitelijke grondslag. Voor zover de klacht inhoudt dat Carigna heeft bestreden dat [betrokkene 1] in 2013 is gestopt zijn vordering te executeren, wijs ik erop dat uit de beschrijving van de gang van zaken in Carigna’s memorie van grieven, randnummer 79. (waarnaar de klacht verwijst) blijkt dat [betrokkene 1] in 2013 zijn pogingen om betaling van Carigna te verlangen niet heeft voortgezet. In randnummer 80. van de memorie van grieven (eveneens aangehaald door de klacht) voegt Carigna daaraan toe: “
Uit het voorgaande volgt dat het als gevolg van gebrek aan vermogensbestanddelen van Carigna is dat [betrokkene 1] het vonnis niet (…) jegens Carigna heeft kunnen executeren.” [94] In dit licht is het oordeel van het hof dat [betrokkene 1] is gestopt zijn vordering te executeren niet onbegrijpelijk.
onder c.is op te merken dat het hof de vraag heeft beantwoord of Carigna schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt. Die vraag is te onderscheiden van de vraag of de (beweerdelijke) feitelijke beleidsbepalers over de band van bestuurdersaansprakelijkheid door schuldeisers van Carigna kunnen worden aangesproken. Beantwoording van deze laatste vraag is in de onderhavige procedure niet aan de orde en niet relevant.