Conclusie
advocaat: B. Schouten
1.Inleiding en samenvatting
Profoto-beschikking van de Hoge Raad van 18 juli 2025. [1] Vanwege het belang voor de rechtspraktijk bespreek ik deze vraag, hoewel daar strikt genomen niet aan toe wordt gekomen.
Profoto-beschikking moet beperkt worden uitgelegd. Deze geldt in hoger beroep alleen voor de cumulatievergoeding en wellicht ook alleen wanneer het hof ambtshalve overgaat tot toekenning van die vergoeding. Indien zou moeten worden aangenomen dat de in
Profotouiteengezette regels toch wel gelden voor de billijke vergoeding in hoger beroep, dan geldt m.i. het intrekkingsrecht niet als de kantonrechter de arbeidsovereenkomst reeds heeft ontbonden. Er is dan immers in hoger beroep geen arbeidsovereenkomst meer. Van intrekking van een ontbindingsverzoek kan dan geen sprake meer zijn. Dit betekent dat de intrekkingsbevoegdheid in hoger beroep ook niet geldt als de kantonrechter de arbeidsovereenkomst heeft ontbonden maar geen billijke vergoeding heeft toegekend en het hof dat wel doet, of als de kantonrechter een lagere billijke vergoeding heeft toegekend dan het hof. De
Profoto-beschikking en de vraag ‘hoe nu verder?’ wordt besproken onder 5.63-5.94 van dezen conclusie. De praktische vormgeving van het intrekkingsrecht in hoger beroep wordt besproken onder 5.95-5.101.
2.Feiten
€ 440.000,- inclusief bonus en overige emolumenten.
Job description: NL Head of Debt & Capital Advisory’.Voor zover van belang staat hierin het volgende:
3.Procesverloop
geschiktwas om die functie te vervullen. Naar het oordeel van het hof heeft ING echter voldoende onderbouwd dat zij Werknemer niet geschikt kon achten (rov. 5.10-5.12).
4.Bespreking van het principale cassatiemiddel
New Hairstyle Iheeft de Hoge Raad een aantal niet-limitatieve gezichtspunten geformuleerd die van belang kunnen zijn bij de vaststelling van de billijke vergoeding. De Hoge Raad overwoog hierbij dat het van de omstandigheden van het geval zal afhangen welke verdere duur van de arbeidsovereenkomst in aanmerking moet worden genomen. Daarbij is, zo vervolgt de Hoge Raad, mede van belang of de werkgever de arbeidsovereenkomst ook op rechtmatige wijze zou hebben kunnen beëindigen, en op welke termijn dit dan had mogen gebeuren en vermoedelijk zou zijn gebeurd. Voor zover elementen van de vaststelling van de billijke vergoeding zien op de vergoeding van schade van de werknemer, lenen de wettelijke regels van art. 6:95 e.v. BW zich voor overeenkomstige toepassing. [15] De Hoge Raad heeft in
Zinziahieraan toegevoegd dat van belang is dat de omvang van de toe te kennen billijke vergoeding zich naar zijn aard moeilijk laat motiveren. [16]
ServiceNow, dat de rechter, indien het partijdebat daartoe aanleiding geeft, de gevolgen voor de werknemer van het verlies van de arbeidsovereenkomst, voor zover deze zijn toe te rekenen aan het ernstig verwijtbare gedrag van de werkgever, kenbaar dient te betrekken bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding. [17] Ook in
Blue Circleoverwoog de Hoge Raad dat het oordeel over de hoogte van de vergoeding begrijpelijk moet zijn, mede in het licht van het debat dat partijen over de vergoeding hebben gevoerd. [18] Dit betekent uiteraard niet dat de rechter altijd alle stellingen van partijen moet bespreken; het moet gaan om
essentiëlestellingen. [19]
Niet vaststaat dat als het herplaatsingstraject vlekkeloos zou zijn verlopen, [Werknemer] wel zou zijn herplaatst. Die kansen waren, ook als ING wel aan haar verplichtingen had voldaan, niet zo groot geweest, nu de herplaatsingsmogelijkheden binnen ING, gelet op het functie- en salarisniveau van [Werknemer], beperkt waren. Ook bij een goed verlopen herplaatsingstraject was de kans aanzienlijk geweest dat [de] arbeidsovereenkomst alsnog zou zijn geëindigd.Omdat de herplaatsingstermijn in het geval van [Werknemer] zes maanden betrof zal het hof een billijke vergoeding toekennen ter hoogte van het salaris inclusief bonus voor de duur van zes maanden als inkomensschade. Het hof rondt dit bedrag af op € 220.000.- bruto. Het verzoek van [Werknemer] onder primair I en subsidiair II zal daarom tot dit bedrag worden toegewezen.”
Subonderdeel 1.1cvoegt hier nog de klacht aan toe dat het hof met zijn inschatting over de herplaatsingsmogelijkheden bovendien een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven. Werknemer hoefde gelet op het gevoerde partijdebat niet redelijkerwijs bedacht te zijn op het oordeel van het hof.
New Hairstyle Iheeft overwogen dat het, bij het vaststellen van de billijke vergoeding, van de omstandigheden van het geval zal afhangen welke verdere duur van de arbeidsovereenkomst in aanmerking moet worden genomen. Daarbij is mede van belang of de werkgever de arbeidsovereenkomst ook op rechtmatige wijze zou hebben kunnen beëindigen, en op welke termijn dit dan had mogen gebeuren en vermoedelijk zou zijn gebeurd. [24]
subonderdeel 1.4gericht tegen het hierna onderstreepte gedeelte van rov. 5.13:
de tijdens de mondelinge behandeling uitgesproken beperkte bereidheid van [Werknemer] om voor wat betreft de hoogte van zijn inkomen water bij de wijn te doen), is het voorstelbaar dat het vooruitzicht om zijn positie bij ING en de daarbij behorende inkomsten te verliezen tot grote onzekerheid bij en tot verzet van [Werknemer] tegen dat voornemen van ING hebben geleid. ING kan worden nagegeven dat de manier waarop [Werknemer] hieraan uiting heeft gegeven niet altijd even handig is geweest, maar naar het oordeel van het hof is [Werknemer] daarin niet over de schreef van het betamelijke gegaan en moeten zijn uitingen in het hiervoor genoemde kader worden begrepen.”
Het principaal hoger beroep grief 9
subonderdeel 3.1dat voor zover de gevorderde kosten van rechtsbijstand betrekking hadden op kosten die niet vallen onder de beperking als bedoeld in art. 6:96 lid 3 BW Pro jo. 241 Rv, heeft het hof bij de afwijzing van de vordering in rov. 5.27 en 5.28 blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, door voor deze kosten (enkel) hetzelfde toetsingskader te hanteren als voor kosten die vallen onder de proceskostenveroordeling als bedoeld in art. 241 Rv Pro. S
ubonderdeel 3.2klaagt daarna dat voor zover het oordeel van het hof aldus moet worden begrepen dat alle kosten van rechtsbijstand waarvan Werknemer vergoeding heeft gevorderd, vallen onder de beperking als bedoeld in art. 6:96 lid 3 BW Pro jo. art. 241 Rv Pro, het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, althans ontoereikend gemotiveerd. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom kosten voor rechtsbijstand die in verband met noodzakelijk advies en rechtsbijstand zijn gemaakt (ruim) voordat het onderhavige rechtsgeding is aangevangen en die geen verband houden met processuele verrichtingen, zoals die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak, onder de bedoelde beperking zouden vallen.
Duka Achmearechtspraak van de Hoge Raad geldt dat daarvan alleen sprake kan zijn als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. [30]
New Hairstyle I,kunnen worden ontleend aan schending door de werkgever om zich als goed werkgever te gedragen, in samenhang met art. 6:96 BW Pro. Op grond van art. 7:686a lid 3 BW kan ook in een ontbindingsprocedure als de onderhavige vergoeding van dergelijke kosten verzocht worden. [31]
Zoals aangetoond in voorgaande Grieven, heeft [Werknemer] zich moeten verweren tegen tal van onjuiste beweringen en vertragingstactieken door ING, die vaak met wisselende verklaringen kwam, en niet inhoudelijk reageerde op de argumenten van [Werknemer]. Ook is aangetoond dat ING de kantonrechter tijdens de zitting onjuist heeft geïnformeerd, wat heeft geleid tot dit hoger beroep. [Werknemer] was genoodzaakt om alles grondig te adresseren in de vele stukken, waarbij hij was aangewezen op juridische bijstand.
op de onderhavige ontbindingsprocedure. Het hof heeft vervolgens op basis van de juiste toetsingsmaatstaf, zie onder 4.50 hiervoor, de vordering afgewezen. De klachten van onderdeel 3 falen hierom.
5.Bespreking van het voorwaardelijk incidentele cassatiemiddel
Profoto-beschikking aan de orde stelt. In deze beschikking overwoog de Hoge Raad onder meer, kort samengevat, dat als de rechter in hoger beroep oordeelt dat de arbeidsovereenkomst op grond van de i-grond (had) moet(en) worden beëindigd en die rechter voornemens is aan de werknemer een vergoeding toe te kennen, zoals bedoeld in art. 7:671b lid 8 BW (hierna: de cumulatievergoeding), hij partijen van zijn voornemen de cumulatievergoeding toe te kennen, in kennis moet stellen en de werkgever gelegenheid moet geven zijn verzoek in te trekken. [34]
ieder der partijen te allen tijde’ de rechter kon verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens ‘
gewichtige redenen’. Het was de bedoeling, zo schrijft Bij de Vaate, dat de ontbindingsmogelijkheid slechts in uitzonderlijke gevallen zou worden toegepast. [38] De ontbindingsprocedure werd gezien als een billijke oplossing voor situaties waarin het onredelijk zou zijn om van partijen te eisen dat zij het ‘regelmatige’ einde van de arbeidsovereenkomst afwachten. [39]
nu het hier niet zozeer geldt de beslissing van een rechtsstrijd, als wel de vaststelling eener billijke regeling door den onpartijdigen rechter.’ [40] Later werd het vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de rechter in een ontbindingsprocedure beslist zonder aan de wettelijke bewijsregels te zijn gebonden. [41]
zo hem dat met het oog op de omstandigheden van het geval billijk voorkomt’, hij aan een van de partijen ten laste van de wederpartij een vergoeding kon toekennen. De achtergrond voor het invoeren van de mogelijkheid tot het toekennen van een vergoeding was de wens om de ontbindingsregeling ‘enigszins soepeler’ te maken. De verwachting was namelijk dat de behoefte aan de ontbindingsprocedure zou toenemen, omdat de beperkingen in de mogelijkheden tot beëindiging van de dienstbetrekking op andere wijze zou toenemen. [43] Bij de Vaate licht toe dat met ‘de beperkingen’ gedoeld werd op de invoering van art. 6 BBA Pro 1945 (de ‘preventieve ontslagtoets’), de verlenging van de opzegtermijnen, de invoering van het kennelijk onredelijk ontslag en de invoering van de opzegverboden tijdens ziekte en militaire dienst. [44]
veranderingen in den persoonlijken of vermogenstoestand des verzoekers of der wederpartij of in de omstandigheden waaronder de arbeid wordt verricht’ aangepast tot ‘
veranderingen in de omstandigheden’. Hierdoor kreeg de ontbindingsprocedure een ruimer toepassingsbereik.
eerste verschil, het toekennen van een vergoeding, geldt het volgende. Alleen in uitzonderingsgevallen, namelijk wanneer sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever dat heeft geleid tot een redelijke grond voor ontbinding, is ruimte om aan de werknemer een billijke vergoeding toe te wijzen (art. 7:671b lid 9, onder c, BW, naast uiteraard de transitievergoeding). De billijke vergoeding onder de Wwz dient, in tegenstelling tot de billijke vergoeding onder de oude ontbindingsprocedure (zie onder 5.14 hiervoor), dus niet als ‘smeermiddel’ voor een onvoldragen ontslaggrond.
tweede verschilis, zoals gezegd, de toepasselijkheid van het bewijsrecht. De Hoge Raad heeft in
Mediantbeslist dat als uitgangspunt moet worden aanvaard dat de wettelijke bewijsregels van overeenkomstige toepassing zijn in ontbindingsprocedures. De ratio van de vaste rechtspraak onder het oude ontslagrecht (een spoedige beslissing omtrent het einde van de arbeidsovereenkomst) is niet meer onverkort van toepassing, omdat naar huidig recht rechtsmiddelen openstaan tegen een beslissing op een ontbindingsverzoek. [68]
derde belangrijke verschilmet de ‘oude’ ontbindingsprocedure is dat in de nieuwe ontbindingsprocedure hoger beroep en cassatie mogelijk is. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat in het hoger beroep tegen een beschikking van de kantonrechter in een ontbindingsprocedure, de normale regels van het civiele procesrecht gelden, voor zover daarvan in art. 7:683 BW Pro niet is afgeweken. [69] Verder blijkt uit de wetsgeschiedenis dat bij de uitwerking van de regeling over hoger beroep en cassatie enerzijds is betrokken het belang van de werknemer en werkgever om snel duidelijkheid te hebben over het al dan niet beëindigen van de arbeidsovereenkomst, en anderzijds het belang om in hoger beroep en cassatie te kunnen gaan als deze zich onrechtvaardig behandeld voelen. [70]
ex tunc [71] ) ten onrechte is toegewezen (en de arbeidsovereenkomst dus al is geëindigd in eerste aanleg), bepaalt art. 7:683 lid 3 BW Pro dat het hof, kort gezegd, de werkgever veroordeelt tot herstel van de arbeidsovereenkomst of (ambtshalve) de werknemer een billijke vergoeding toekent. Art. 7:683 lid 3 BW Pro luidt, voor zover belang, als volgt:
ex nunctoetsen of de arbeidsovereenkomst alsnog kan worden beëindigd, aldus de Hoge Raad. [72] Volgens de Hoge Raad verschilt de beoordeling in hoger beroep van de afwijzing door de kantonrechter van het verzoek tot ontbinding niet van de beoordeling van een verzoek tot ontbinding in een nieuwe ontbindingsprocedure. Het tijdstip van beëindiging in de zin van art. 7:683 lid 5 BW Pro mag immers niet in het verleden liggen en daarom kan de rechter in hoger beroep ten aanzien van de periode tot aan zijn beslissing in hoger beroep geen verandering brengen in de arbeidsovereenkomst. [73]
de kantonrechterhet intrekkingsrecht moet bieden [75] :
BAM-beschikking. [77] Geoordeeld is dat de verplichting om gelegenheid te geven tot intrekking van het ontbindingsverzoek uitsluitend van toepassing is indien een in art. 7:671b BW (en 7:671c BW) genoemde vergoeding wordt toegewezen. De verplichting tot het geven van gelegenheid tot intrekking geldt derhalve niet in het geval waarin de rechter de werkgever veroordeelt tot betaling van de
transitievergoeding. De verschuldigdheid daarvan vloeit rechtstreeks voort uit art. 7:673 BW Pro, aldus de Hoge Raad.
Profoto-beschikking werd in de rechtspraak van de hoven het intrekkingsrecht niet of nauwelijks toegepast, omdat algemeen werd aangenomen dat het intrekkingsrecht niet geldt in hoger beroep. [81] Zo overwoog het hof Arnhem-Leeuwarden in een beschikking uit 2016 dat art. 7:686a lid 6 en lid 7 BW slechts zien op de eerste aanleg. Ter toelichting overwoog het hof dat een verwijzing naar art. 7:686a BW ontbreekt in de artikelen die zien op de behandeling in hoger beroep en dat de wetgever op dit punt geen aanwijzingen heeft gegeven voor het hoger beroep. Met het stelsel van de Wwz is beoogd, zo vervolgt het hof, dat een beslissing van de kantonrechter tot ontbinding een definitief karakter heeft, dat wil zeggen dat daarmee vast staat dat de arbeidsovereenkomst geëindigd is. Indien het hof van oordeel is dat de kantonrechter ten onrechte tot die beslissing is gekomen, dan kan het de werkgever veroordelen tot herstel van de arbeidsovereenkomst of een billijke vergoeding in plaats van herstel toewijzen. [82]
Profoto-beschikking) was verdeeld over de vraag of het intrekkingsrecht ook geldt in hoger beroep.
Profoto-beschikking met zich heeft meegebracht (daarover hierna meer). [94]
Profoto, zie hierna onder 5.63 en verder). Dit zou m.i. dan ook moeten gelden voor de billijke vergoeding van art. 7:671b lid 9, onder c, BW (zie onder 5.90). Maar ook bij een ambtshalve toekenning zal een partijdebat over de hoogte van de vergoeding veelal hebben plaatsgevonden. Het is immers aan te raden, gelet op de vereiste motivering van de hoogte van de vergoedingen, dat de rechter partijen in de gelegenheid stelt zich over de vergoedingen uit te laten (zie onder 5.83 en 5.90 hierna).
Profoto-beschikking had de kantonrechter op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst ontbonden op de e-grond. Het hof oordeelde in hoger beroep dat de ontbinding op de e-grond ten onrechte was toegewezen, maar dat de ontbinding in stand kon blijven op de i-grond. Het hof kende geen cumulatievergoeding toe, omdat de werknemer daar, anders dan in eerste aanleg, in hoger beroep niet om had verzocht.
Profoto-beschikking heeft tot enige opschudding geleid in arbeidsrechtelijke kringen. Die opschudding heeft vooral betrekking op de beslissing dat de intrekkingsbevoegdheid ook in hoger beroep van toepassing is. De beslissing aangeduid onder (c) is nog tot daar aan toe; wanneer de ontbinding in eerste aanleg is afgewezen en de arbeidsovereenkomst in hoger beroep nog bestaat, ligt die beslissing wel voor de hand en is de toepassing daarvan ook niet ingewikkeld. [99] Hiervoor is besproken dat in de literatuur vóór
Profotodit ook door meerdere auteurs is aangenomen (zie onder 5.55). Waarbij wel is aan te tekenen dat het in de rechtspraak van de hoven zeker geen staande praktijk was om de intrekkingsmogelijkheid te bieden, of dat nu was bij de cumulatievergoeding of bij de billijke vergoeding.
Profotoook zouden gelden voor de billijke vergoeding in hoger beroep, en dus niet alleen voor de cumulatievergoeding waarover het in
Profotoging.
Profotomoet worden afgeleid dat het intrekkingsrecht ook geldt wanneer de rechter in hoger beroep aan de werknemer een billijke vergoeding wil toewijzen wegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten, zoals bedoeld in art. 7:671b lid 9, onder c, BW. [100] Om misverstanden te voorkomen: zij zijn deze mening niet toegedaan omdat ze dit een goed idee zouden vinden (dat vinden ze niet, met name niet voor het geval bedoeld onder (d)), maar omdat zij niet kunnen bedenken waarom wat de Hoge Raad overweegt in
Profotowel geldt voor de cumulatievergoeding maar niet voor de billijke vergoeding. Sterker: het intrekkingsrecht heeft
juistrelevantie voor de billijke vergoeding, omdat de billijke vergoeding veel hoger kan uitpakken en qua hoogte meer onzekerheid oplevert voor partijen dan de cumulatievergoeding. [101]
Profotoalleen geldt voor de cumulatievergoeding en niet voor de billijke vergoeding. [102] Als dat inderdaad het geval zou zijn, is het juridische mijnenveld nog te overzien, want een ontbinding op de i-grond komt niet heel vaak voor. [103]
Profoto-uitspraak aangevoerd. Die bezwaren zijn met name gericht tegen de beslissing onder (d), dus de toepasselijkheid van de intrekkingsbevoegdheid in hoger beroep als de kantonrechter de arbeidsovereenkomst heeft ontbonden.
eersteplaats berust die beslissing wel op een heel extensieve uitleg van de wettekst. Niet alleen omdat van intrekking van een ontbindingsverzoek helemaal geen sprake meer kan zijn; de ontbinding is immers een gegeven en kan in hoger beroep niet worden aangetast. De rechter in hoger beroep kan hooguit de arbeidsovereenkomst herstellen of een billijke vergoeding toekennen (art. 7:683 lid 3 BW Pro). [104]
tweedeplaats, in het verlengde van het eerste bezwaar, wordt aangevoerd dat de beslissing haaks staat op het wettelijke uitgangspunt dat de ontbinding in hoger beroep niet kan worden aangetast (art. 7:683 BW Pro). Om deze reden was voor deze situatie (vóór
Profoto) door verschillende auteurs juist bepleit dat de intrekkingsbevoegdheid in hoger beroep niet geldt (zie onder 5.53-5.54).
derdeplaats, bovendien op de complexiteit van de beslissingen waarvoor de rechter in hoger beroep komt te staan als gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid tot intrekking wanneer de arbeidsovereenkomst in eerste aanleg al is ontbonden. Sagel en Timp schrijven dat de hoven een Gordiaanse knoop zullen moeten ontwarren. [105] De rechter in hoger beroep zal in dat geval (dus: als de werkgever zijn in eerste aanleg toegewezen ontbindingsverzoek in hoger beroep als nog ‘intrekt’) moeten beslissen of de arbeidsovereenkomst moet worden hersteld of dat een billijke vergoeding wordt toegekend (met overeenkomstige toepassing van art. 7:683 lid 3 BW Pro). Herstel kan met terugwerkende kracht tot de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter, waarbij de werkgever over het achterstallige loon de wettelijke verhoging is verschuldigd. [106] Maar, zo schrijft Laagland, als het hof hiertoe besluit, zal de rekening voor de werkgever al snel hoger uitvallen dan de cumulatievergoeding. De cumulatievergoeding is immers gemaximeerd tot de helft van de wettelijke transitievergoeding. De vraag is bovendien, zo vervolgt zij, of herstel met terugwerkende kracht in de rede ligt nu kennelijk sprake is van een voldragen ontslaggrond (de i-grond) en de intrekkingsbevoegdheid betekenisloos wordt als het gehele financiële risico op de werkgever wordt afgewenteld. Laagland schrijft dan: [107]
vierdebezwaar tegen de beslissing genoemd onder (d) is nog naar voren gebracht door Sagel. [111] Volgens hem valt niet in te zien waarom de toepasselijkheid van de intrekkingsbevoegdheid in hoger beroep alleen zou gelden wanneer in eerste aanleg is ontbonden op één van die door de Hoge Raad genoemde ontslaggronden (c, d, e, g of h), maar niet op de ontslaggronden van art. 7:669 lid 3 BW Pro onder a (reorganisatie), b (langdurige ziekte) of f (gewetensbezwaar). Die gronden kunnen weliswaar niet meewegen in de cumulatiegrond, maar niet valt in te zien waarom de door de Hoge Raad gestelde regel, niet ook zou gelden wanneer in eerste aanleg ten onrechte op de a, b of f grond is ontbonden, en de appelrechter ontbinding op de i-grond met een cumulatievergoeding aangewezen acht (waarbij die i-grond dan niet deels uit de a, b en/of f-grond kan bestaan). Daarbij merkt hij nog op dat het logisch zou zijn dat de door de Hoge Raad geformuleerde regel ook geldt wanneer in eerste aanleg wel is ontbonden op de i-grond, maar ten onrechte is verzuimd bij die ontbinding een cumulatievergoeding toe te kennen.
Profoto-beschikking valt op dat de Hoge Raad in rov. 3.4.3 begint met een verwijzing naar art. 25 Rv Pro, de bepaling die voorschrijft dat de rechter ambtshalve de rechtsgronden moet aanvullen. De overwegingen over de intrekkingsbevoegdheid in hoger beroep volgen op de overwegingen dat (i) de rechter ambtshalve de i-grond kan toepassen [112] , en (ii) dat de rechter ook ambtshalve de cumulatievergoeding kan toewijzen. Dat in die situatie de intrekkingsbevoegdheid ook in hoger beroep geldt, is in zoverre begrijpelijk dat bij een ambtshalve toepassing van de i-grond én ambtshalve toekenning van de cumulatievergoeding, partijen daardoor kunnen worden overvallen. Bij een ambtshalve toekenning van deze vergoeding (en een ambtshalve toepassing van de i-grond) heeft daarover immers geen partijdebat plaatsgevonden. Tegen de achtergrond dat de intrekkingsbevoegdheid is ingevoerd om te voorkomen dat een partij onaangenaam verrast wordt door toekenning van vergoeding is een rechterlijke terugkoppeling (vóór de einduitspraak) niet heel vreemd.
Profotodoor te verduidelijken dat de desbetreffende overweging alleen geldt indien het hof
ambtshalveovergaat tot toekenning van de cumulatievergoeding. Overigens lijkt het mij in het algemeen geen goed idee (los van de intrekkingsbevoegdheid) wanneer de rechter ambtshalve de cumulatievergoeding toekent, zonder eerst partijen in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te laten. De hoogte van de cumulatievergoeding wordt immers bepaald aan de hand van de omstandigheden van het geval (zij het dat de gevolgen van het ontslag voor de werknemer en de eventuele ernstige verwijtbaarheid van de werkgever geen rol spelen, zie 5.31 hiervoor). Deze beslissing moet wel goed worden gemotiveerd. Hoewel de Hoge Raad hier nog niet over heeft beslist, dient de rechter m.i. inzicht te geven in de omstandigheden die tot de beslissing over de hoogte van de cumulatievergoeding hebben geleid. Dit oordeel moet bovendien begrijpelijk zijn in het licht van het partijdebat (net als bij de billijke vergoeding, zie hierna onder 5.90).
Profotowél beperkt is tot de cumulatievergoeding. Daarvoor pleit dat de Hoge Raad, ondanks de brede opbouw van rov. 3.4.3, steeds specifiek benoemt dat het gaat om de cumulatievergoeding, die kan worden toegekend als op de i-grond de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd. De hele overweging is híerop toegespitst.
Profotoalleen betrekking heeft op de cumulatievergoeding en niet op de billijke vergoeding, zou de reikwijdte van de uitspraak tamelijk beperkt zijn. Ontbindingen op de i-grond komen weinig voor en toekenning van de cumulatievergoeding doet zich dus ook niet vaak voor (zie onder 5.73). Zoals besproken is, kan de rechtspraktijk nog leven met deze uitleg van
Profoto(zie onder 5.55 en 5.69).
Profotoalleen betrekking heeft op de cumulatievergoeding zou kunnen zijn dat, de rechter, de billijke vergoeding zoals bedoeld in art. 7:671b lid 9, onder c, BW níet ambtshalve kan toekennen. Althans, dat is nog nooit zo beslist door de Hoge Raad. Maar bij nader inzien lijkt het mij maar de vraag of dat is vol te houden. Als de cumulatievergoeding ambtshalve kan worden toegewezen (zoals is beslist in
Profoto), geldt datzelfde m.i. ook voor de billijke vergoeding van art. 7:671b lid 9, onder c, BW. Hoewel ik hierover in de parlementaire geschiedenis van de Wwz niets heb kunnen vinden, zie ik geen relevante verschillen tussen art. 7:671b lid 8 BW en art. 7:671b lid 9, onder c, BW: in beide gevallen staat er dat de rechter
een vergoeding kan toekennen. [113] Op dit punt is er geen relevant verschil tussen de cumulatievergoeding en de billijke vergoeding. Voor beide vergoedingen geldt dat daar dus geen expliciet verzoek van werknemer in de zin van art. 23 Rv Pro aan vooraf hoeft te gaan. Daarbij heeft uiteraard wel te gelden dat er, om toe te komen aan een ambtshalve toewijzing van de billijke vergoeding, voldoende gesteld moet zijn door werknemer over het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werkgever. Ook is het m.i. aangewezen dat de rechter, als er geen duidelijk verzoek ligt, beide partijen in de gelegenheid stelt zich hierover uit te laten. De beslissing over de hoogte van de billijke vergoeding moet immers wel goed worden gemotiveerd: de rechter moet inzicht geven in de omstandigheden die tot de beslissing over de hoogte van de billijke vergoeding hebben geleid [114] en dat oordeel moet begrijpelijk zijn in het licht van het partijdebat. [115]
Profoto-beschikking uitsluitend geldt bij toekenning van de cumulatievergoeding in hoger beroep. En dan bij voorkeur alleen in de situatie dat de rechter ambtshalve overgaat tot toekenning van de cumulatievergoeding. Een brede toepassing van de intrekkingsbevoegdheid in hoger beroep, die zich ook uitstrekt tot de billijke vergoeding, lijkt mij onwenselijk. Zie alle bezwaren die de revue zijn gepasseerd (zie onder 5.74-5.80).
Profoto-beschikking beperkt worden uitgelegd en geldt deze in hoger beroep alleen voor de cumulatievergoeding en wellicht ook alleen in het geval het hof ambtshalve overgaat tot toekenning van die vergoeding. De in
Profotouiteengezette regels gelden niet voor de billijke vergoeding, zoals bedoeld in art. 7:671b lid 9, onder c, BW, in hoger beroep. Als dit al anders is, dan geldt de intrekkingsbevoegdheid in hoger beroep niet indien de kantonrechter de arbeidsovereenkomst reeds heeft ontbonden en er dus in hoger beroep geen arbeidsovereenkomst meer is. Van intrekking van een ontbindingsverzoek kan dan geen sprake meer zijn. De intrekkingsbevoegdheid geldt evenmin als de kantonrechter geen billijke vergoeding heeft toegekend maar het hof dat wel doet, of wanneer het hof een hogere billijke vergoeding toekent dan de kantonrechter.
BAM-beschikking overwoog de Hoge Raad dat het intrekkingsrecht van art. 7:686a lid 6 BW niet ziet op de transitievergoeding (zie ook onder 5.44). Wel kan, zo volgt uit de
BAM-beschikking, de werkgever aan zijn ontbindingsverzoek de voorwaarde verbinden dat het verzoek niet wordt ingetrokken voor een bepaalde datum. Ook overwoog de Hoge Raad dat de rechter hetzelfde resultaat kan bereiken door in een tussenuitspraak zijn voornemen aan te kondigen de arbeidsovereenkomst te ontbinden en daaraan een billijke vergoeding of transitievergoeding te verbinden, waarbij hij de verzoeker gedurende een daarbij bepaalde periode in de gelegenheid stelt het verzoek in te trekken, bij gebreke waarvan een einduitspraak volgt overeenkomstig het aangekondigde voornemen. Het oordeel van de Hoge Raad zag overigens niet (expliciet) op het intrekkingsrecht in hoger beroep. In de zaak die daar voorlag ging het namelijk, kort gezegd, om de vraag of het hof terecht de grief van werknemer had verworpen tegen de beslissing van de kantonrechter om in eerste aanleg werkgever de mogelijkheid te bieden zijn ontbindingsverzoek in te trekken omdat werkgever ook werd veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding.
BAM-beschikking benoemde optie van het geven van een tussenbeschikking lijkt dus in eerste aanleg geen staande praktijk.
Profoto-beschikking overweegt de Hoge Raad dat de rechter “
partijen in kennis moet stellen van zijn voornemen de cumulatievergoeding toe te kennen en de werkgever gelegenheid moet geven zijn verzoek in te trekken”. Dat is niet exact hetzelfde als in art. 7:686a lid 6 BW staat; daarin wordt vermeld dat de werkgever een ‘termijn’ moet worden gegund.
what if scenario’sop de toch al volle mondelinge behandeling (zie onder 5.69).
Primair omdat de beslissingen in de
Profoto-beschikking over de intrekkingsbevoegdheid in hoger beroep niet gelden voor de toekenning van de billijke vergoeding als bedoeld in art. 7:671b lid 9, onder c, BW. Subsidiair omdat de intrekkingsbevoegdheid in hoger beroep niet van toepassing is indien de kantonrechter de arbeidsovereenkomst reeds heeft ontbonden en er dus in hoger beroep geen arbeidsovereenkomst meer is. Uiterst subsidiair: omdat de intrekkingsbevoegdheid alleen hoeft te worden geboden indien de rechter zonder dat de werknemer expliciet heeft verzocht om toekenning van een billijke vergoeding op de voet van art. 7:671b lid 9, onder c, BW.