ECLI:NL:RBDHA:2025:9878

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 mei 2025
Publicatiedatum
5 juni 2025
Zaaknummer
NL25.6840
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S.A.J. de Jong - Nibourg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 8:72 AwbArt. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 17 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening met handhaving rechtsgevolgen

Eiser, een Eritrese asielzoeker, diende op 29 oktober 2024 een asielaanvraag in Nederland in. De minister nam de aanvraag niet in behandeling omdat België verantwoordelijk was volgens de Dublinverordening, mede omdat eiser eerder een asielaanvraag in België had gedaan. Eiser betoogde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet meer geldt vanwege structurele tekortkomingen in de Belgische opvang en asielprocedure, en verzocht de minister zijn aanvraag op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro aan zich te trekken.

De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel nog steeds van toepassing is, mede gelet op recente uitspraken van de Afdeling en informatie over de opvangcapaciteit in België. Hoewel er tekortkomingen zijn, zijn deze niet van dien aard dat zij de hoge drempel van het arrest Jawo bereiken. De rechtbank stelde vast dat nood- en daklozenopvang in België doorgaans 24-uursopvang betreft en dat er geen sprake is van een totale opvangstop.

De rechtbank vernietigde het besluit van de minister wegens onvoldoende motivering, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand, zodat de minister eiser toch aan België kan overdragen. De minister werd veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.6840

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Kurt-Geçoğlu),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. M.K. Ruijzendaal).

Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat België daarvoor verantwoordelijk is.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek heeft als zaaknummer NL25.6841.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de voorlopige voorziening, op 23 april 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

Totstandkoming van het bestreden besluit
1. Eiser stelt van Eritrese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1994. Op 29 oktober 2024 heeft eiser in Nederland een asielaanvraag gedaan. De minister heeft onderzocht wie voor de inhoudelijke behandeling van die asielaanvraag verantwoordelijk is. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 27 september 2024 illegaal Italië is ingereisd. Verder is uit Eurodac gebleken dat eiser op 16 oktober 2024 in België al een asielaanvraag heeft gedaan. Om die reden heeft Nederland op 17 december 2024 de Belgische autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. Op 23 december 2024 zijn de autoriteiten van België hiermee akkoord gegaan op grond van artikel 18, eerste lid en onder c, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (de Dublinverordening).
1.1
Desgevraagd heeft eiser in zijn aanmeldgehoor Dublin van 15 november 2024 naar voren gebracht dat hij Eritrea in 2023 heeft verlaten. Hij is via Ethiopië, Soedan, Egypte en Libië naar Italië gereisd. Hij is op 27 september 2024 in Italië aangekomen. Hij heeft zijn vingerafdrukken afgestaan in Lampedusa. Hij heeft in Italië geen asielaanvraag gedaan. Eiser heeft twee weken in Italië verbleven en is toen via Frankrijk naar België gereisd. In België heeft hij op 16 oktober 2024 een asielaanvraag ingediend. Eiser kreeg een papier, een soort afspraak dat hij een maand later opgevangen kon worden in een hotel. Eiser heeft geen opvang in België gehad. Evenmin heeft hij een beslissing gehad op zijn asielverzoek. Hij heeft maar drie dagen in België verbleven en is toen met de trein naar Nederland gereisd. Op 29 oktober 2024 is hij in Nederland aangekomen.
1.3
Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij niet terug wil naar België, omdat het leven daar moeilijk is. Hij heeft op straat moeten slapen en kreeg geen woning. Eiser wil in Nederland wonen en de Nederlandse taal leren.
1.4
Verder heeft eiser in zijn zienswijze van 22 januari 2025 naar voren gebracht dat ten aanzien van België niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. In België is sprake van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Hij heeft dit zelf aan den lijve ondervonden. Eiser beroept zich op een uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 5 december 2024 (NL24.32633, ECLI:NL:RBDHA:2024:20746) waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat een nadere motivering is vereist waarom langdurig verblijf in de daklozenopvang voor asielzoekers de grens als bedoeld in het arrest Jawo van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218) niet haalt.
1.5
In de zienswijze heeft eiser tevens aangegeven dat hij van mening is dat Nederland zijn asielaanvraag in het kader van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich moet trekken. Eiser verwijst hiervoor naar dat wat hij heeft aangevoerd over wat hem bij terugkeer naar België te wachten staat (maandenlang verstoken blijven van opvang). Het vooruitzicht van een leven op straat doet bij hem zijn trauma’s gerelateerd aan wat hem is overkomen in Eritrea herleven. Hij verzoekt de minister zijn asielverzoek op grond hiervan en zijn persoonlijke relaas aan zich te trekken.
Het bestreden besluit
2. De minister neemt de asielaanvraag van eiser niet in behandeling omdat België verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van zijn aanvraag. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de minister geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
2.1
Het algemene uitgangspunt is dat de minister er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit mag gaan dat België zijn verdragsverplichtingen nakomt. Hiertoe wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:896). Recentelijk heeft de rechtbank, zittingsplaats Den Haag, op
25 november 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:20286) geoordeeld dat nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België kan worden uitgegaan. Het ligt daarom op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat er sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Hierin is eiser niet geslaagd.
2.2
Met betrekking tot de stellingen en verklaringen van eiser over de opvangvoorzieningen en zijn eigen ervaringen in België, meent de minister dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van systematische tekortkomingen in het asielsysteem in België en/of dat hij bij voorkomende problemen niet klagen bij de (hogere) Belgische autoriteiten. Uit deze enkele stellingen en verklaringen blijkt niet dat de hoge drempel van zwaarwegendheid als bedoeld in het arrest Jawo is behaald, dan wel dat er sprake is van structurele problemen. Zo heeft eiser zijn standpunt niet verder uitgelegd en heeft hij geen documenten overgelegd waaruit blijkt dat Dublinclaimanten na overdracht aan België geen toegang (kunnen) krijgen tot de opvang of andere voorzieningen in België. Daarnaast is eiser niet eerder als Dublinclaimant aan België overgedragen. Eiser kan dus niet uit eigen ervaring stellen of verklaren over de behandeling van Dublinclaimanten bij terugkomst in België.
2.3
In voormelde uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2024 is geconcludeerd dat bij de toepassing van de Dublinverordening voor België terecht wordt uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Bij dat oordeel heeft de Afdeling informatie betrokken waaruit blijkt dat wegens het gebrek aan reguliere opvangplaatsen bij de toewijzing voorrang wordt gegeven aan families, kinderen, vrouwen en andere kwetsbare personen. Na registratie van hun asielverzoeken krijgen zij onmiddellijk een opvangplaats. De Afdeling heeft geoordeeld dat de Belgische autoriteiten niet kunnen garanderen dat er voor iedereen direct een reguliere opvangplaats beschikbaar is en dat zij ervoor hebben gekozen niet-kwetsbare alleenstaande mannen tijdelijk uit te sluiten. Hoewel dit een tekortkoming in het systeem betreft, is deze enkele schending van de opvangverplichtingen volgens de Afdeling echter onvoldoende voor het oordeel dat voor België niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De Afdeling is namelijk van oordeel dat dit geen fundamentele systeemfout is die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt. Daartoe heeft de Afdeling van belang geacht dat de asielzoekers die niet direct een reguliere opvangplaats krijgen toegewezen, wel gebruik kunnen maken van nood- en daklozenopvang en van medische en juridische voorzieningen. Verder heeft de Afdeling van belang geacht dat de Belgische autoriteiten zich inzetten om nieuwe reguliere opvangplaatsen te creëren en dat er bovendien geen sprake is van een totale opvangstop. Hoewel het opvangsysteem onder grote druk staat, wat tot gevolg heeft dat niet iedere asielzoeker direct toegang tot de reguliere opvang krijgt, betekent dit niet dat een persoon die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn wil en eigen keuzes om terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie. Tevens blijkt uit die informatie dat – ook voor de personen die op een wachtlijst staan voor opvang – recht is op medische en psychologische ondersteuning en dat zij toegang hebben tot juridische bijstand. Uit de beschikbare feiten en berichten blijkt niet van onverschilligheid van de Belgische autoriteiten, aldus de Afdeling. Volgens de Afdeling is de behandeling in België in overeenstemming met de bepalingen in het Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
2.4
In aanvulling op het vorenstaande verwijst de minister naar de openbare informatie van Fedasil (Belgische COA). Uit verschillende nieuwsberichten blijkt dat er wederom (tijdelijk) nieuwe opvangcentra worden geopend, en dat thans sprake is van een record aan opvangplaatsen. Verder blijkt uit deze informatie dat er een afname is van de wachtlijst voor alleenstaande, niet kwetsbare personen.
2.5
De capaciteit van het reguliere opvangnetwerk van Fedasil bestond op 12 november 2024 uit 36.077 opvangplaatsen. Dat is een verbetering ten opzichte van het aantal opvangplaatsen dat ten grondslag lag aan de Afdelingsuitspraak van 13 maart 2024, te weten 34.424 (peildatum 1 oktober 2023). Het aantal personen dat op 18 november 2024 op de wachtlijst stond bedroeg 2.645, tegenover 2.513 personen ten tijde van de Afdelingsuitspraak van 13 maart 2024 (peildatum 25 november 2023). Dat is weliswaar een lichte toename, maar leidt niet tot een wezenlijk ander beeld. Van een totale opvangstop is geen sprake en in dit licht zijn thans zelfs verbeteringen zichtbaar. De Belgische autoriteiten hebben immers aangegeven dat de wachtlijst regelmatig wordt gecontroleerd, chronologisch wordt gesorteerd en dat alleenstaande mannen in fasen worden uitgenodigd om in het opvangnetwerk te worden opgenomen. Verder is niet langer sprake van een wachttijd die tot een jaar kan bedragen, maar is blijkens informatie van Fedasil hoogstens sprake van een wachttijd van “meerdere maanden”. Uit openbare cijfers van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen (CVGS), blijkt immers dat de Belgische autoriteiten in de eerste tien maanden van dit kalenderjaar, aanzienlijk meer aanvragen te verwerken hebben gekregen dan in de eerste tien maanden van het kalenderjaar 2023; 32.774 in 2024 tegenover 28.971 in 2023.
2.6
Verder blijven de Belgische autoriteiten in toenemende mate inspanningen verrichten om problemen in de opvangsituatie te ondervangen. Hiertoe verwijst de minister naar een goedgekeurd overheidscontract voor de creatie van 3.500 opvangplaatsen bij privéoperatoren in juli 2024. De Belgische autoriteiten kunnen door uitbreiding van het personeelsbestand ook meer dossiers dan voorheen in behandeling nemen. De inspanningen van de Belgische autoriteiten zijn in zoverre niet slechts beperkt tot het creëren van meer opvangplaatsen, maar richten zich ook op het efficiënt gebruik maken van, en beschikbaar stellen en houden, van de reeds beschikbare capaciteit.
2.7
Met betrekking tot de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 5 december 2024, waarnaar eiser in zijn zienswijze verwijst, wijst de minister erop dat zij tegen deze uitspraak hoger beroep heeft ingesteld.
2.8
De minister merkt verder op dat eiser geen landeninformatie heeft overgelegd waaruit blijkt dat Dublinclaimanten na overdracht aan België geen toegang (kunnen) krijgen tot de opvang of andere voorzieningen. Eiser heeft dit ook niet aan de hand van zijn stellingen en verklaringen aannemelijk gemaakt. In dit kader benadrukt de minister bovendien dat eiser tijdens het aanmeldgehoor Dublin heeft verklaard dat hij maar drie dagen in België was en dat hij een soort afspraak had om een maand later opgevangen te worden in een hotel. Bovendien wijst de minister er nogmaals op dat eiser niet eerder als Dublinclaimant aan België is overgedragen en hij dus niet uit eigen ervaring kan stellen of verklaren over de behandeling van Dublinclaimanten in België. De enkele stellingen en verklaringen van eiser leiden daarom niet tot de conclusie dat hij bij overdracht een reëel risico loopt op een met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) strijdige behandeling.
2.9
Ook de verklaringen van eiser over wat hij heeft meegemaakt in België leiden volgens de minister niet tot de conclusie dat sprake is van structurele tekortkomingen van de asielprocedure aldaar. De minister stelt dat eiser bij voorkomende problemen in België naar de daartoe aangewezen (hogere) autoriteiten van België of de daarvoor aangewezen instanties kan gaan. Er is niet gebleken dat de autoriteiten van België hem niet zouden kunnen of willen helpen.
2.1
Tot slot merkt de minister op dat de asielmotieven van eiser en zijn wens om in Nederland te wonen en de taal te leren, niet bepalend zijn voor de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat.
Bijzondere individuele omstandigheden
2.11
Volgens de minister is eiser er evenmin in geslaagd aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden. Het beroep op artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening slaagt niet. Hiertoe stelt de minister dat de aangevoerde omstandigheden niet relevant zijn bij de beoordeling of er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden. De aangevoerde omstandigheden hebben betrekking op de vraag of er concrete aanwijzingen zijn dat België zijn internationale verplichtingen niet nakomt. In dit besluit is al overwogen dat hiervoor geen concrete aanwijzingen zijn. De minister verwijst ook naar de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3164). De Afdeling heeft dit standpunt meermaals bevestigd, bijvoorbeeld in de uitspraken van 2 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1860), 27 november 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4853) en 2 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4941).
Het standpunt van eiser
3. Volgens eiser is er in België sprake van structurele schendingen van de rechten van migranten en vluchtelingen en dat daarom voor België niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft aan den lijve ondervonden dat er in België sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Eiser heeft in België geen opvang gehad. Hij loopt in België het risico om maandenlang verstoken te blijven van de reguliere opvang, noodopvang en daklozenopvang en op straat te moeten leven.
3.1
Eiser heeft verwezen naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 5 december 2024. Hij heeft erop gewezen dat er met de noodopvang te weinig plaatsen zijn voor migranten, waardoor asielzoekers, met name alleenstaande, meerderjarige niet-kwetsbare mannen, aangewezen zijn op de dak- en thuislozenopvang. Daar wordt echter in beginsel alleen nachtopvang geboden. Eiser heeft gewezen op overweging 92 van het arrest Jawo, waaruit volgt dat door de lidstaten in principe in de meest elementaire behoeften zoals eten, persoonlijke hygiëne en woonruimte dient te worden voorzien. Woonruimte lijkt dan wel te duiden op een zekere mate van bestendig onderkomen waar de asielzoeker, al dan niet ook overdag, kan verblijven. Als deze vorm van daklozen(nacht)opvang niet zou mogen worden meegerekend omdat daarmee de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid wordt overschreden, zou er in België een structureel tekort aan (nood)opvang zijn.
3.2
Uit het AIDA-rapport van mei 2024 volgt dat het gemiddeld zes maanden duurt voordat asielzoekers die op de wachtlijst staan opvang krijgen. Alleenstaande, meerderjarige, niet-kwetsbare mannelijke Dublinterugkeerders, zoals hij, komen na overdracht in een situatie terecht die strijdig is met artikel 4 van Pro het Handvest, aldus eiser.
3.3
De meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft uitgaande van deze informatie geoordeeld dat de minister nader had moeten motiveren waarom het, soms wel langer dan zes maanden, moeten bivakkeren in de daklozenopvang voor asielzoekers, waaronder Dublinterugkeerders, niet door de ondergrens van het Jawo-arrest zakt. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 5 december 2024 geoordeeld dat een nader motivering is vereist waarom langdurig verblijf in de daklozenopvang voor asielzoekers die grens niet haalt. Eiser is van mening dat de minister onvoldoende is ingegaan op dat wat hij onder verwijzing naar deze uitspraak van de rechtbank naar voren heeft gebracht.
3.4
Daarnaast heeft eiser in de aanvullende beroepsgronden verwezen naar diverse uitspraken van de rechtbank ter onderbouwing van zijn standpunt dat in België sprake is van ernstige en structurele tekortkomingen in de asielopvang waardoor alleenstaande meerderjarige mannen, zoals hij, structureel het risico lopen verstoken te blijven van opvang. Het betreft de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van
21 augustus 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:13861) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 5 februari 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:1426). Volgens eiser hebben deze zittingsplaatsen van de rechtbank in hun uitspraken rekening gehouden met de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2024, maar is op grond van nieuwe informatie geoordeeld dat er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor België.
3.5
Eiser verwijst verder naar het AIDA-rapport van mei 2024 waaruit naar zijn mening volgt dat de situatie voor alleenstaande mannen feitelijk zo is dat zij lange tijd niet in aanmerking komen voor opvang en terecht zullen komen op straat. Volgens eiser blijkt ook uit dit rapport dat de opvangsituatie in België verslechtert en dat het in de voorzienbare toekomst niet waarschijnlijk is dat de opvangvoorzieningen structureel zullen verbeteren. Eiser geeft aan dat voor zijn standpunt ook aanknopingspunten te vinden zijn in het meest recente rapport van Dashboard over de periode januari tot december 2024 (vierde editie).
3.6
Daarnaast verwijst eiser naar de vragen die in hoger beroep bij de Afdeling zijn gesteld over de opvang van niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoekers in België en de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 7 januari 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:183) waarin het verzoek om een voorlopige voorziening om die reden is toegewezen. Eiser verzoekt de rechtbank om zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening eveneens om die reden toe te wijzen. Gelet op de vragen die in hoger beroep door de Afdeling zijn gesteld, is eiser van mening dat niet kan worden gezegd dat zijn beroep geen kans van slagen heeft.
3.7
Verder betwist eiser dat hij zich over zijn situatie zou kunnen beklagen bij de Belgische autoriteiten. Hij wijst op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 12 oktober 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:15458), waarin is geoordeeld dat uit de door de Belgische autoriteiten overgelegde informatie blijkt dat zij erkennen dat de gang naar de rechter geen effectief rechtsmiddel is, omdat Fedasil niet kan voldoen aan de uitspraak van de rechter als die beveelt om – adequate – opvang te bieden. Dit oordeel is overgenomen in de al eerdergenoemde uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 5 december 2024. In de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 21 augustus 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:13861) wordt dezelfde conclusie getrokken.
3.8
Eiser betoogt ook in beroep dat de minister zijn asielaanvraag in het kader van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich moet trekken en de asielaanvraag inhoudelijk in behandeling had moeten nemen. Redengevend hiervoor is dat eiser na overdracht aan België maandenlang verstoken zal blijven van een opvangplek. Verder heeft eiser aangegeven dat het vooruitzicht op een leven op straat bij hem zijn trauma’s in Eritrea doet herleven. Eiser is van mening dat gezien zijn persoonlijke relaas, de minister zijn asielverzoek op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich had moeten trekken.
De beoordeling door de rechtbank
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België
4. De rechtbank stelt vast dat België gezien het claimakkoord in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Dit komt slechts anders te liggen indien de minister ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening het asielverzoek zelf dient te behandelen, omdat ernstig gevreesd moet worden dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in de lidstaat die in lidstaat die in de eerste plaats als verantwoordelijk lidstaat is aangewezen, in dit geval dus België, systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest dan wel artikel 3 van Pro het EVRM. Bij deze beoordeling is met name het arrest Jawo van het Hof van belang. Als blijkt dat er sprake is van structurele tekortkomingen dan moeten die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel bereiken om onder het bereik van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest te vallen. Zo volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:199). Blijkens het arrest Jawo wordt deze drempel pas bereikt wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van de betrokken lidstaat ertoe leidt dat iemand die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn eigen wil en keuzes om, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, waardoor deze persoon niet kan voorzien in zijn belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen, en waardoor zijn lichamelijke of geestelijke gezondheid zou worden geschaad of zijn levensomstandigheden mensonwaardig worden.
4.1
Eiser heeft zijn standpunt dat ten aanzien van België niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in de eerste plaats gebaseerd op wat hij zelf in België heeft meegemaakt. Het Hof heeft in het arrest van 29 februari 2024, X. tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-393/22 (ECLI:EU:C:2024:195) verduidelijkt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel deelbaar is. Artikel 3, tweede lid, tweede alinea, van de Dublinverordening moet aldus worden uitgelegd dat het feit dat de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van een derdelander overgaat tot pushbacks en bewaring aan zijn grenspost van derdelanders die een dergelijk verzoek aan de grens wensen in te dienen, op zich niet in de weg staat aan overdracht van die derdelander aan die lidstaat. De overdracht van die derdelander aan die lidstaat is evenwel uitgesloten, aldus het Hof, indien er ernstige, op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat hij bij of na de overdracht een reëel risico zou lopen om aan dergelijke parktijken te worden onderworpen en hij door deze praktijken – naargelang van de omstandigheden die moeten worden beoordeeld door de bevoegde autoriteiten en door de rechter bij wie een eventueel beroep tegen het overdrachtsbesluit is ingesteld – zou kunnen terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële ontberingen die zo ernstig is dat deze kan worden gelijkgesteld met een door artikel 4 van Pro het Handvest verbonden onmenselijke of vernederende behandeling.
4.2
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit voornoemd arrest dat bij de beoordeling van de vraag of voor een lidstaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, de behandeling van de derdelander die hij eerder in die lidstaat heeft ondergaan, in principe geen (doorslaggevende) rol speelt. De beoordeling in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel dient immers steeds een toekomstgerichte beoordeling specifiek voor de Dublinclaimant te zijn. Het gaat erom hoe de vreemdeling na overdracht in die lidstaat als Dublinclaimant behandeld zal worden. Een betoog van de vreemdeling dat hij eerder te maken heeft gehad met tekortkomingen in de asielprocedure en/of de opvangvoorzieningen in de aangezochte lidstaat, moet – nog los van de vraag of er werkelijk sprake is geweest van een structurele systeemfout – met name worden afgezet tegen de algemene actuele informatie die door de vreemdeling is aangedragen en waarover de minister ambtshalve beschikt over de situatie van Dublinclaimanten in die lidstaat.
4.3
Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat wat eiser heeft aangevoerd over zijn ervaringen in België geen (doorslaggevende) betekenis toekomt in het kader van de vraag of de minister verplicht is het asielverzoek van eiser aan zich te trekken op grond van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening. Het gaat er immers met name om welke behandeling eiser straks als Dublinclaimant in België te wachten staat. Los daarvan is de rechtbank met de minister van oordeel dat wat eiser gedurende zijn verblijf van drie dagen in België heeft meegemaakt, onvoldoende zwaarwegend is voor de aanname dat de drempel als bedoeld in het arrest Jawo bereikt was. Uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij na een maand verblijf opvang in een hotel zou krijgen. Onduidelijk is of eiser in de tussentijd geen beroep kon doen op (andere) noodopvang of ondersteunende diensten om die periode te overbruggen. Verder is niet gesteld of gebleken dat eiser ook maar enigszins heeft geprobeerd om zijn (gestelde) leefomstandigheden te verbeteren. Door eiser is dan ook niet aannemelijk gemaakt dat klagen bij de (hogere) Belgische autoriteiten of daartoe in België aangewezen instanties geen enkele zin heeft.
4.4
Eiser heeft zijn standpunt dat ten aanzien van België niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, ook onderbouwd met de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 5 december 2024. Eiser heeft de overwegingen in die uitspraak tot de zijne gemaakt. In de uitspraak is – voor zover thans van belang – het volgende overwogen:

De vraag waarvoor de rechtbank zich vooral geconfronteerd ziet is of de dak- en thuislozenopvang voldoet aan de minimumnorm als bedoeld in de Opvangrichtlijn dan wel of deze vorm van tijdelijke opvang kan voorkomen dat een Dublinterugkeerder die hierop aangewezen is in een situatie terechtkomt van zeer verregaande materiële deprivatie, zoals bedoeld in het arrest Jawo. (…)
De meest elementaire behoeften waarin moet worden voorzien zijn dus eten, persoonlijke hygiëne en een ‘Unterkunft’, dat kan worden vertaald als ‘accommodatie’, ‘verblijfplaats’, ‘onderkomen’ of, zoals in de Nederlandse vertaling van het arrest Jawo, als ‘woonruimte’. Hoe het laatste element – eine Unterkunft – precies moet worden uitgelegd is naar het oordeel van de rechtbank dus niet eenduidig op te maken uit de verschillende taalversies, maar deze lijken wel te duiden op een zekere mate van bestendig onderkomen waar de asielzoeker – al dan niet ook overdag – kan verblijven. Gelet hierop rijkst de vraag of de tekortkoming in het Belgische opvangsysteem onder de drempel blijft van het Jawo arrest indien slechts wordt voorzien in een verblijfplaats of onderkomen voor de nacht omdat het Hof van oordeel is dat wel degelijk moet worden voorzien in een plaats om te wonen, te leven en te verblijven.”
4.5
De minister is in het bestreden besluit niet inhoudelijk ingegaan op de overwegingen van de rechtbank in voormelde uitspraak. Zij heeft uitsluitend aangeven dat zij in hoger beroep is gegaan tegen deze uitspraak. Onduidelijk is waarom de minister het niet eens is met deze uitspraak en dus ook niet met het standpunt van eiser. Uit het besluit wordt bijvoorbeeld niet duidelijk of de minister wellicht vindt dat uitsluitend nachtopvang voldoende is en nog onder drempel van het arrest Jawo blijft dan wel of de minister over gegevens beschikt waaruit blijkt dat de noodopvangplaatsen in de daklozenvoorzieningen, waarop sommige Dublinclaimanten op zullen zijn aangewezen, ook overdag opvang bieden.
4.6
Het besluit berust daarom niet op een draagkrachtige motivering en zal worden vernietigd wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid onder a, van de Awb geheel in stand te laten.
4.7
De minister heeft in haar verweerschrift – met als bijlage haar hoger beroepschrift tegen de uitspraak van 5 december 2024 – alsnog inzichtelijk gemaakt waarom zij het niet eens is met bedoelde uitspraak. Verder heeft de minister er terecht op gewezen dat deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 19 februari 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:2661) is teruggekomen van de uitspraak van 5 december 2024, omdat uit informatie van Fedasil van november 2024 blijkt dat de meerderheid van de noodopvangplaatsen in de daklozenvoorzieningen is ingericht als 24-uursopvang. Er bestaat ook wel klassieke daklozenopvang die alleen nachtopvang biedt, maar dat is de uitzondering.
4.8
Het vorenstaande maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de daklozenopvang kan worden meegeteld bij het aantal beschikbare opvangplekken voor asielzoekers in België, omdat daar gebruikelijk ook dagopvang wordt geboden. De rechtbank volgt dan ook niet de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 5 februari 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:1426) waarnaar eiser heeft verwezen, omdat er getuige rechtsoverweging 9 van die uitspraak vanuit wordt gegaan dat er in Brussel in de dak- en thuislozenopvang in beginsel alleen nachtopvang wordt geboden. Nu evenwel duidelijk is geworden dat deze vorm van opvang doorgaans is ingericht als 24-uursopvang, is de rechtbank van oordeel dat, anders dan zittingsplaats Rotterdam heeft overwogen in haar tussenuitspraak van 19 juli 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:11372) en einduitspraak van 21 augustus 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:13861), de uitspraken van de Afdeling van 13 maart 2024 nog immer als uitgangspunt hebben te gelden. Hierin is weliswaar overwogen dat er tekortkomingen in de opvangvoorzieningen zijn, maar dat dit onvoldoende is voor het oordeel dat voor België niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling is van oordeel dat dit geen fundamentele systeemfout is die de bijzondere drempel van zwaarwegendheid bereikt. Hierbij heeft de Afdeling van belang geacht dat de asielzoekers die niet direct een reguliere opvangplaats krijgen toegewezen, wel gebruik kunnen maken van nood- en daklozenopvang en van medische en juridische voorzieningen. Verder heeft de Afdeling meegewogen dat uit berichtgeving overtuigend blijkt dat de Belgische autoriteiten zich inzetten om nieuwe reguliere opvangplaatsen te creëren.
4.9
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen informatie overgelegd die hier een ander licht op werpt. Eiser heeft onvoldoende concreet gemaakt op grond waarvan hij meent dat het AIDA-rapport over België van mei 2024 (2023 update) een duidelijke verslechtering laat zien ten opzichte van de situatie zoals die door de Afdeling bij uitspraken van 13 maart 2024 op basis van de bij haar bekende informatie is beoordeeld. Dit klemt te meer nu de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, bij uitspraak van 2 april 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:5581) juist op basis van beschikbare informatie, waaronder het AIDA-rapport van mei 2024 heeft geoordeeld dat de opvangcapaciteit in België de laatste jaren is uitgebreid en dat uit het pagina’s 105 en 106 van het AIDA-rapport blijkt dat de Belgische autoriteiten asielzoekers zonder plek in de opvang uiteindelijk ook behulpzaam zijn geweest. In het rapport staat dat asielzoekers die in kraakpanden waren gaan wonen, na ontruiming van deze panden, zijn gehuisvest in de reguliere opvang, noodopvang of in daklozenopvang. Daarnaast wordt in het AIDA-rapport melding gemaakt van plannen om de opvangcapaciteit verder uit te breiden. Dit strookt met wat de minister in het besteden besluit met betrekking tot de opvang in België naar voren heeft gebracht.
4.1
Het meest recente rapport van Dasboard leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. In dit rapport wordt onvoldoende concreet gemaakt hoeveel asielzoekers er momenteel in Brussel op straat slapen. Op pagina 4 van dit rapport wordt uitsluitend gezegd dat de problematiek van dakloosheid en migratie nauw met elkaar verbonden zijn en dat er momenteel duizenden mensen in Brussel op straat slapen,
waaronderverzoekers die worden uitgesloten van de opvang waarop ze recht hebben. Niet duidelijk is hoe groot die groep onder de daklozen in Brussel is, hoelang zij gemiddeld noodgedwongen op straat moeten slapen en onder welke omstandigheden. Evenmin wordt duidelijk of zij herhaaldelijk tevergeefs een beroep hebben gedaan op nood- of daklozenopvang in Brussel of elders in België. Doordat niet duidelijk is hoe groot de groep vreemdelingen is die op straat slaapt en leeft, kan niet worden geoordeeld dat er in België sprake is van ernstige structurele tekortkomingen met betrekking tot de opvangvoorzieningen. De rechtbank wijst ter vergelijking naar de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1109). Deze uitspraak ziet weliswaar op Cyprus, maar uit rechtsoverweging 5.3.6 van die uitspraak volgt dat bij de beoordeling of ten aanzien van een andere lidstaat kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van belang is om te weten hoe groot de groep is die onder zeer slechte omstandigheden leeft.
4.11
De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat niet reëel en voorzienbaar is dat eiser na overdracht aan België langdurig volledig verstoken zal zijn van enige vorm van adequate opvang en noodzakelijke basisvoorzieningen. Voor zover dit zich toch onverhoopt mocht voordoen, ligt het op de weg van eiser om zich daarover te beklagen bij de (hogere) Belgische autoriteiten of de daartoe aangewezen instanties. Gelet op de inspanningen die de Belgische autoriteiten zich getroosten om meer reguliere opvangplekken voor asielzoekers te realiseren dan wel naar tussentijdse alternatieve oplossingen te zoeken, kan niet geoordeeld worden dat klagen bij voorbaat geen enkele zin heeft.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
4.12
De rechtbank is voorts van oordeel dat de minister met het vorenstaande eveneens voldoende heeft gemotiveerd waarom zij geen aanleiding ziet om het asielverzoek van eiser onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser voert in dit kader in feite alleen aan dat hij na overdracht aan België maandenlang verstoken zal blijven van een opvangplek en dat het vooruitzicht op een leven op straat bij hem zijn trauma’s in Eritrea doet herleven. Deze stelling ziet op de vraag of er concrete aanwijzingen zijn dat België zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Die vraag is reeds betrokken in het kader van het beroep op schending van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en is door de rechtbank ontkennend beantwoord. Verder heeft eiser ook niet met medische stukken onderbouwd dat hij last heeft van traumatische herbelevingen, laat staan dat die herbelevingen in rechtstreeks verband houden met zijn veronderstelling dat hij straks in België op straat moet leven.
Conclusie
4.13
Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet evenwel aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten. Dit betekent dat de minister eiser, ondanks dat het bestreden besluit is vernietigd, toch kan overdragen aan België.
Proceskostenveroordeling
4.14
De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. de Jong - Nibourg, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A.M.J. Smulders, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 21 mei 2025
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.