ECLI:NL:RBMNE:2025:7070

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
UTR 24/7743, 24/7744, 24/7746 t/m 24/7790
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:13 AwbArt. 30a Wet WOZArtikel 4 Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ
Verwijzingen
20 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond voor verlaging WOZ-waarde van vier woningen na compromis

Eiser maakte bezwaar tegen de WOZ-waardebeschikkingen van meerdere woningen en niet-woningen in [plaats] voor het belastingjaar 2023. Na een uitspraak op bezwaar die het bezwaar ongegrond verklaarde, stelde eiser beroep in bij de rechtbank Midden-Nederland.

Tijdens de zitting wijzigde eiser zijn standpunt over de waardes van de woningen, wat de rechtbank als strijdig met de goede procesorde beoordeelde. Voor vier woningen werd een compromis bereikt waarbij de WOZ-waarde werd verlaagd. Voor de overige woningen werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang of werd het beroep ongegrond verklaard wegens onvoldoende onderbouwing.

De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarden van de niet-woningen voldoende had onderbouwd met taxatiematrices en vergelijkbare transacties. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen, maar de rechtbank constateerde wel dat de redelijke termijn was overschreden.

De rechtbank veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan eiser. Het vonnis vervangt het vernietigde deel van de uitspraak op bezwaar en leidt tot een verlaging van de WOZ-waarden van de vier woningen conform het compromis.

Uitkomst: Het beroep is gegrond voor vier woningen waarvoor de WOZ-waarde wordt verlaagd, en niet-ontvankelijk of ongegrond voor overige woningen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 24/7743, 24/7744, 24/7746 t/m 24/7790

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, verweerder
(gemachtigde: mr. D.J. Koopmans).

Inleiding

1.1
In de beschikking van 28 februari 2023 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van diverse onroerende zaken (de objecten) in [plaats] voor het belastingjaar 2023 naar de waardepeildatum 1 januari 2022 als volgt vastgesteld:
Zaaknummer
Object
Type object
Vastgestelde waarde
24/7743
[adres 1]
Woning
€ 338.000,-
24/7744
[adres 2]
Woning
€ 404.000,-
24/7746
[adres 3]
Woning
€ 305.000,-
24/7747
[adres 4]
Woning
€ 305.000,-
24/7748
[adres 5]
Woning
€ 288.000,-
24/7749
[adres 6]
Woning
€ 193.000,-
24/7750
[adres 7]
Niet-woning
€ 206.000,-
24/7751
[adres 8]
Woning
€ 543.000,-
24/7752
[adres 9]
Woning
€ 411.000,-
24/7753
[adres 10]
Woning
€ 384.000,-
24/7754
[adres 11]
Niet-woning
€ 158.000,-
24/7755
[adres 12]
Woning
€ 384.000,-
24/7756
[adres 13]
Woning
€ 658.000,-
24/7757
[adres 14]
Woning
€ 306.000
24/7758
[adres 15]
Woning
€ 306.000
24/7759
[adres 16]
Woning
€ 306.000
24/7760
[adres 17]
Woning
€ 306.000
24/7761
[adres 18]
Woning
€ 306.000
24/7762
[adres 19]
Woning
€ 306.000
24/7763
[adres 20]
Woning
€ 306.000
24/7764
[adres 21]
Woning
€ 306.000
24/7765
[adres 22]
Woning
€ 186.000,-
24/7766
[adres 23]
Woning
€ 179.000,-
24/7767
[adres 24]
Woning
€ 176.000,-
24/7768
[adres 25]
Woning
€ 183.000,-
24/7769
[adres 26]
Woning
€ 186.000,-
24/7770
[adres 27]
Woning
€ 399.000,-
24/7771
[adres 28]
Woning
€ 306.000
24/7772
[adres 29]
Woning
€ 306.000
24/7773
[adres 30]
Woning
€ 306.000
24/7774
[adres 31]
Woning
€ 306.000
24/7775
[adres 32]
Woning
€ 306.000
24/7776
[adres 33]
Woning
€ 306.000
24/7777
[adres 34]
Woning
€ 306.000
24/7778
[adres 35]
Woning
€ 306.000
24/7779
[adres 36]
Woning
€ 186.000,-
24/7780
[adres 37]
Woning
€ 179.000,-
24/7781
[adres 38]
Woning
€ 176.000,-
24/7782
[adres 39]
Woning
€ 183.000,-
24/7783
[adres 40]
Woning
€ 186.000,-
24/7784
[adres 41]
Niet-woning
€ 20.000,-
24/7785
[adres 42]
Woning
€ 202.000,-
24/7786
[adres 43]
Woning
€ 202.000,-
24/7787
[adres 44]
Woning
€ 202.000,-
24/7788
[adres 45]
Woning
€ 196.000,-
24/7789
[adres 46]
Woning
€ 196.000,-
24/7790
[adres 47]
Niet-woning
€ 124.000,-
1.2
Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van deze objecten en als gebruiker van de [adres 41] ook een aanslag onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing opgelegd, waarbij deze waardes als heffingsmaatstaf zijn gehanteerd.
1.3
Eiser heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van 19 november 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de objecten gehandhaafd.
1.3
Tegen de uitspraak op bezwaar heeft eiser beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift en taxatiematrices ingediend.
1.4
Het beroep is behandeld op de zitting van 15 december 2025. De gemachtigde van eiser, de gemachtigde van de heffingsambtenaar en [A] en [B] (taxateurs van de heffingsambtenaar) hebben deelgenomen aan de zitting.

Overwegingen

Procedeergedrag
2. Het door gemachtigde van eiser opgestelde beroepschrift, de ‘pinpointbrief’ en de andere brieven staan vol met algemene, weinig inhoudelijke, dikwijls onsamenhangende en inconsistente, fragmentarische en niet of nauwelijks onderbouwde op de onroerende zaak betrekking hebbende stellingen. In elke zaak van deze gemachtigde worden min of meer dezelfde brieven gestuurd. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser er al eerder op gewezen dat zij daar niets mee kan. [1] Nadat de heffingsambtenaar de WOZ-waardes nader heeft onderbouwd met het verweerschrift heeft de gemachtigde van eiser op 11 november 2025 een ‘pinpointbrief’ en op 27 november 2025 een ‘verbijzonderingsbrief’ gestuurd. Deze brieven bevatten evenmin op de zaak toegespitste gronden. Pas op de zitting wordt door de gemachtigde van eiser concreet gemaakt waarom eiser het niet eens is met de uitspraak op bezwaar. De beroepsgronden die ter zitting naar voren worden gebracht, laat de rechtbank echter wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing. Met dit procedeergedrag ontneemt de gemachtigde de heffingsambtenaar en de rechtbank namelijk de mogelijkheid om zich adequaat voor te bereiden. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser er bovendien al meerdere keren op gewezen dat deze werkwijze, door pas op zitting met concrete gronden te komen, in strijd is met de goede procesorde. [2] Hij blijft desondanks volharden in deze werkwijze. Dat hierdoor zijn gronden niet besproken worden komt daarom volledig voor rekening en risico van de gemachtigde.
Het geschil over de woningen aan de [adres 1] , [adres 3] , [adres 4] en [adres 5]
3. Op 22 september 2025 heeft de heffingsambtenaar na nader onderzoek geconcludeerd dat voor een viertal objecten een te hoge WOZ-waarde is vastgesteld. Nu de heffingsambtenaar de door hem in de beschikking vastgestelde waardes van de objecten aan de [adres 5] , [adres 1] , [adres 3] en [adres 4] niet langer handhaaft, is het beroep gegrond en moet de uitspraak op bezwaar in zoverre worden vernietigd. Partijen zijn bij wijze van compromis overeengekomen dat de waarde in het economisch verkeer van die woningen op de waardepeildatum 1 januari 2022 als volgt moet zijn:
Object
Nieuwe waarde
[adres 5]
€ 240.000,-
[adres 1]
€ 298.000,-
[adres 3]
€ 262.000,-
[adres 4]
€ 262.000,-
3.1
De rechtbank zal de waarde van deze woningen daarom conform het compromis verlagen.
Het geschil over de overige woningen
Strijd met de goede procesorde
4. Eiser is op de zitting geheel van standpunt gewijzigd. Hij bepleit dat de woningen te laag zijn gewaardeerd. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat dit in strijd is met de goede procesorde, omdat hij tot de zitting nog bepleitte dat de waarde van de woningen te hoog was vastgesteld.
4.1
De rechtbank oordeelt dat eiser in strijd met de goede procesorde handelt. In zijn verbijzonderingsbrief van 27 november 2025 heeft eiser zich nog op het standpunt gesteld dat de waardes van de woningen met 20 % te hoog waren vastgesteld. Vanuit dat perspectief rustte op de heffingsambtenaar de last aannemelijk te maken dat de door hem vastgestelde en in beroep verdedigde waardes niet te hoog zijn. Doordat hij nu een hogere waarde bepleit, verandert de bewijslast van de heffingsambtenaar en moet hij in het licht van de nieuwe stelling van eiser aannemelijk maken dat de waardes niet te laag zijn vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser door deze wijze van procederen de heffingsambtenaar de kans ontnomen om adequaat te reageren op het nieuwe standpunt dat op het laatste moment is ingenomen, bijvoorbeeld door zijn taxateur om een nieuwe taxatie te vragen. De rechtbank is van oordeel dat dit onder deze omstandigheden in strijd is met de goede procesorde. [3] De rechtbank zal het betoog van eiser dat de waardes van de woningen te laag zijn vastgesteld dan ook buiten beschouwing laten.
4.2
Nu het meest recente standpunt van eiser – dat de waardes van de woningen te laag zijn vastgesteld – niet wordt beoordeeld, kan alleen nog worden teruggevallen op het eerdere ingenomen standpunt van eiser – dat de waardes van de objecten te hoog zijn vastgesteld. Maar dat standpunt is door eiser nu juist verlaten. Een beoordeling van de zaak aan de hand van dat standpunt kan er slechts toe leiden dat wordt vastgesteld dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat de waardes niet te hoog zijn vastgesteld, en vervolgens tot een verlaging van de WOZ-waardes van de objecten. Eiser wenst echter juist een verhoging van die waardes. De rechtbank komt in het licht hiervan tot het oordeel dat eiser met haar beroep niet meer kan bereiken wat hij in deze procedure wenst. Dit leidt ertoe dat het procesbelang van eiser is komen te vervallen. Dat is een direct gevolg van zijn wijze van procederen. [4]
Lokale heffingen
5. Eiser heeft op de zitting ten aanzien van deze woningen verder nog aangevoerd dat bij de rioolheffingen eigenaar sprake is van overschrijding van de opbrengstlimiet en dat de afvalstoffenheffingen ten onrechte zijn opgelegd aan eiser en dat deze aan de huurders van de woningen opgelegd hadden moeten worden.
5.1
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgronden buiten beschouwing moeten worden gelaten op grond van artikel 6:13 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Eiser heeft deze heffingen niet op een eerder moment in de procedure ter discussie gesteld. Dit zijn naar het oordeel van de rechtbank afzonderlijke besluitonderdelen. Alleen tegen de besluitonderdelen waartegen bezwaar is gemaakt, staat gelet op voormeld artikel [5] beroep bij de rechter open. De enkele vermelding in de aanhef van het bezwaarschrift: “
Bezwaar contra aanslag WOZ/OZB 2023 én uitdrukkelijk ook alle andere hier aan gerelateerde lokale heffingen en belastingen, onder welke titel dan ook.” kan niet worden gezien als het bezwaar maken tegen de lokale heffingen, nu het bezwaarschrift inhoudelijk alleen ingaat op de WOZ-waardes. [6]
Conclusie overige woningen
6. Eiser heeft geen procesbelang meer bij het geschil over de overige woningen. Zijn beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.
Het geschil over de niet-woningen [adres 7] , [adres 11] , [adres 41] en [adres 47]
7. Eiser heeft zijn beroep tegen de WOZ-waarde van het object aan de [straatnaam van de adressen 7, 8 en 9] op de zitting ingetrokken. De overige niet-woningen worden hierna besproken.
Beoordelingskader niet-woningen
8. Op de heffingsambtenaar rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de waarde van de objecten op de waardepeildatum (1 januari 2022) niet hoger is vastgesteld dan de waarde in het economisch verkeer. De WOZ-waarde is de waarde in het economisch verkeer. Bij de vaststelling van de waarde in het economisch verkeer van niet-woningen kan gebruik worden gemaakt van meerdere methoden. [7] Om de waarde te onderbouwen heeft de heffingsambtenaar een taxatiematrix overgelegd, waarin hij de waarde berekent met behulp van de huurwaardekapitalisatiemethode. De huurwaardekapitalisatiemethode kent als variabelen de brutohuurwaarde en de kapitalisatiefactor. De huurwaarde en de kapitalisatiefactor worden zoveel mogelijk afgeleid uit transacties van vergelijkbare objecten.
Het geschil over het object [adres 11]
9. De onroerende zaak aan de [adres 11] in [plaats] is een winkel. Het object is gelegen op een B1 locatie. Het object is rond 1900 gebouwd en heeft op de begane grond een gebruiksoppervlakte van 27 m² voor de winkel en een werkruimte van 75 m² in de kelder.
9.1
In geschil is de waarde van het object per 1 januari 2022. Eiser bepleit een lagere waarde van € 139.000,-. De heffingsambtenaar handhaaft de vastgestelde waarde van
€ 158.000,-.
Heeft de heffingsambtenaar de waarde aannemelijk gemaakt?
10. De heffingsambtenaar is bij de winkel uitgegaan van een brutohuurwaarde van
€ 16.575,- per jaar (huurwaarde per m²: € 163,-). De heffingsambtenaar onderbouwt deze huurwaarde met vier vergelijkbare huurtransacties. De heffingsambtenaar heeft referentieobjecten gehanteerd waarvan de huurtransacties voldoende dicht rondom de waardepeildatum zijn gelegen. De getaxeerde huurwaarde per m² valt onder de gerealiseerde huurwaarde per m² van de referentieobjecten.
10.1
Voor de kapitalisatiefactor is de heffingsambtenaar uitgegaan van 12,0. De heffingsambtenaar heeft om de kapitalisatiefactor te onderbouwen het object van eiser vergeleken met drie, naar het oordeel van de rechtbank, vergelijkbare objecten waarvan gerealiseerde verkoopcijfers beschikbaar zijn en waarvan de kapitalisatiefactor is berekend aan de hand van die verkoopcijfers en een (getaxeerde) huurwaarde. Alle referentieobjecten zijn net als het object gelegen op een B1 locatie in [plaats] . De heffingsambtenaar heeft referentieobjecten gehanteerd waarvan de verkooptransacties voldoende dicht rondom de waardepeildatum zijn gelegen. De kapitalisatiefactor valt ruim onder de kapitalisatiefactor van de referentieobjecten.
10.2
Zoals hiervoor onder 2 overwogen heeft de gemachtigde zich in het beroepschrift en zijn overige brieven beperkt tot opmerkingen met een algemene strekking. Uit die algemene opmerkingen kunnen geen concrete beroepsgronden worden afgeleid aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of de waardevaststelling juist is. De beroepsgronden die ter zitting naar voren worden gebracht, laat de rechtbank wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing. Gelet op de toereikende onderbouwing van de heffingsambtenaar en het feit dat de gemachtigde van eiser geen concrete op de zaak toegespitste beroepsgronden heeft ingediend, kan de rechtbank tot geen andere conclusie komen dan dat eiser de vastgestelde waarde niet gemotiveerd heeft betwist en dat het beroep ten aanzien van dit object ongegrond is.
Het geschil over het object [adres 41]
11. De onroerende zaak aan de [adres 41] in [plaats] is door de heffingsambtenaar aangemerkt als een kantoor. Het object is gelegen op een B1 locatie in [wijk] . Het object is in 1968 gebouwd en in 2013 gerenoveerd. Het kantoor heeft een gebruiksoppervlakte van 29 m².
11.1
Eiser heeft op de zitting toegelicht dat de WOZ-waarde van het object niet langer in geschil is. Hij stelt zich op het standpunt dat de aanslag onroerendezaakbelasting gebruik ten onrechte aan hem is opgelegd. Eiser heeft dit niet eerder dan op de zitting naar voren gebracht. Ook hiervoor geldt dat zo’n late stellingname in strijd is met de goede procesorde. Door pas op zitting aan te voeren dat eiser niet de gebruiker is, heeft de heffingsambtenaar geen mogelijkheid om dit nader te onderzoeken en zich te verweren. De rechtbank laat deze beroepsgrond dan ook buiten beschouwing. De conclusie is daarom dat het beroep ten aanzien van dit object ongegrond is.
Het geschil over het object [adres 47]
12. De onroerende zaak aan de [adres 47] in [plaats] is een winkel. Het object is gelegen op een B1 locatie. Het object is rond 1900 gebouwd en heeft een gebruiksoppervlakte van 60 m² voor de winkel en een opslag van 60 m².
12.1
In geschil is de waarde van het object per 1 januari 2022. Eiser bepleit een lagere waarde van € 89.000,-. De heffingsambtenaar handhaaft de vastgestelde waarde van € 124.000,-.
Heeft de heffingsambtenaar de waarde aannemelijk gemaakt?
13
.De heffingsambtenaar is bij de winkel uitgegaan van een brutohuurwaarde van
€ 17.100,- per jaar (huurwaarde per m²: € 143,-). De heffingsambtenaar onderbouwt deze huurwaarde met vier, naar het oordeel van de rechtbank, vergelijkbare huurtransacties. De heffingsambtenaar heeft referentieobjecten gehanteerd waarvan de huurtransacties voldoende dicht rondom de waardepeildatum zijn gelegen. De getaxeerde huurwaarde per m² valt ruim onder de gerealiseerde huurwaarde per m² van de referentieobjecten.
13.1
Voor de kapitalisatiefactor is de heffingsambtenaar uitgegaan van 12,6. De heffingsambtenaar heeft om de kapitalisatiefactor te onderbouwen het object van eiser vergeleken met drie, naar het oordeel van de rechtbank, vergelijkbare objecten waarvan gerealiseerde verkoopcijfers beschikbaar zijn en waarvan de kapitalisatiefactor is berekend aan de hand van die verkoopcijfers en een (getaxeerde) huurwaarde. Alle referentieobjecten zijn net als het object gelegen op een B1 locatie in [plaats] . De heffingsambtenaar heeft referentieobjecten gehanteerd waarvan de verkooptransacties voldoende dicht rondom de waardepeildatum zijn gelegen. De kapitalisatiefactor valt ruim onder de kapitalisatiefactor van de referentieobjecten.
13.2
Zoals hiervoor onder 2 overwogen heeft de gemachtigde zich in het beroepschrift en zijn overige brieven beperkt tot opmerkingen met een algemene strekking. Uit die algemene opmerkingen kunnen geen concrete beroepsgronden worden afgeleid aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of de waardevaststelling juist is. De beroepsgronden die ter zitting naar voren worden gebracht, laat de rechtbank wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing. Gelet op de toereikende onderbouwing van de heffingsambtenaar en het feit dat de gemachtigde van eiser geen concrete op de zaak toegespitste beroepsgronden heeft ingediend, kan de rechtbank tot geen andere conclusie komen dan dat eiser de vastgestelde waarde niet gemotiveerd heeft betwist en dat het beroep ten aanzien van dit object ongegrond is.
Het verzoek om vergoeding van de immateriële schade
14. Eiser heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt. [8]
14.1
Tussen de ontvangst van het bezwaarschrift (16 maart 2023) en de dag van deze uitspraak zit bijna 2 jaar en 10 maanden. Dit leidt tot de conclusie dat in deze zaken de redelijke termijn is overschreden met (afgerond) 10 maanden en dat in beginsel een schadevergoeding moet worden toegekend.
14.2
Voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding ziet de rechtbank echter geen aanleiding. In het arrest van 14 juni 2024 [9] heeft De Hoge Raad beslist dat in gevallen waarbij het financiële belang bij een procedure minder bedraagt dan € 1.000,- en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, volstaan kan worden met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. [10] Het overgangsrecht is niet van toepassing, aangezien de redelijke termijn nog niet was overschreden op 14 juni 2024. [11] Het financiële belang bij een procedure bestaat in beginsel uit het financiële voordeel dat belanghebbende met betrekking tot de fiscale beschikking(en) krijgt indien het door hem in die procedure ingenomen standpunt wordt gehonoreerd. In dit geval bepleitte eiser uiteindelijk alleen voor de woningen aan de [adres 1] , [adres 3] , [adres 4] en [adres 5] en de niet-woningen aan [adres 11] en [adres 47] dat de waarde lager moest zijn dan in de uitspraak op bezwaar was beslist. Het daarbij behorende belang voor de aanslagen OZB is dan, uitgaande van een tarief van 0,079000 % voor de woningen en een tarief van 0,427000 % voor de niet-woningen € 368,04 (zie de tabel hieronder). Ten aanzien van een eventueel financieel belang ten aanzien van indirecte heffingen waar de WOZ-waarde op van invloed is, had het op de weg van eiser gelegen de feiten te stellen en in geval van betwisting aannemelijk te maken, op grond waarvan de omvang van dit financiële belang kan worden vastgesteld. Dit heeft eiser niet gedaan. Daarmee is het belang in de beroepsfase lager dan de bagatelgrens. De rechtbank volstaat daarom met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Object
Vastgestelde waarde
OZB
Nieuwe/bepleite waarde
Nieuwe/bepleite OZB
[adres 1]
€ 338.000,-
€ 267,02
€ 298.000,-
€ 235,42
[adres 3]
€ 305.000,-
€ 240,95
€ 262.000,-
€ 206,98
[adres 4]
€ 305.000,-
€ 240,95
€ 262.000,-
€ 206,98
[adres 5]
€ 288.000,-
€ 227,52
€ 240.000,-
€ 189,60
[adres 11]
€ 158.000,-
€ 674,66
€ 139.000,-
€ 593,53
[adres 47]
€ 124.000,-
€ 529,48
€ 89.000,-
€ 380,03
TOTAAL
€ 2.180,58
€ 1.812,54
Verschil
- € 368,04

Conclusie en gevolgen

15. Omdat de waarde van de woningen aan de [adres 5] , [adres 1] , [adres 3] en de [adres 4] als gevolg van het compromis verlaagd moeten worden is het beroep gegrond. Daarom moet de heffingsambtenaar de proceskosten van eiser vergoeden. De rechtbank geeft hieronder een toelichting op de proceskostenvergoeding.
15.1
Eiser betoogt dat in bezwaar en beroep een factor 1,5 moet worden toegekend omdat het vier of meer samenhangende zaken betreft. Eiser heeft één beroepschrift ingediend inzake meerdere WOZ-beschikkingen. Daarom is in de beroepsfase voor de toepassing van de regeling inzake proceskostenvergoeding sprake van één zaak. Daarom bestaat, anders dan eiser voorstaat, geen aanleiding voor een factor voor samenhangende zaken. Dat de rechtbank in het kader van de administratieve verwerking meerdere zaaknummers heeft toegekend, doet daaraan niet af. [12]
15.2
Sinds de inwerkingtreding van artikel 30a van de Wet WOZ wordt de hoogte van de proceskostenvergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor WOZ-zaken bepaald door (i) de punten per verrichte proceshandeling te vermenigvuldigen met (ii) de waarde per punt, (iii) de zwaarte van de zaak (variërend van «zeer licht» tot «zeer zwaar») en (iv) de wettelijke wegingsfactor van 0,25 of 0,10. [13]
15.3
De rechtbank merkt allereerst op dat de rechtbank niet gebonden is aan het richtsnoer van de hoven. [14] Tegelijkertijd is het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wel van oordeel dat, als de rechtbank een andere proceskostenveroordeling uitspreekt dan uit het richtsnoer volgt, de uitspraak van de rechtbank vernietigd moet worden. [15] Om niet het risico te lopen in hoger beroep vernietigd te worden, ziet de rechtbank daarom geen andere mogelijkheid dan bij het vaststellen van de wegingsfactor uit te gaan van het richtsnoer. [16]
15.4
In deze zaak is artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ gelet op het overgangsrecht van toepassing op de beroepsfase, maar niet op de bezwaarfase. Dat leidt tot een totale proceskostenvergoeding van € 1.747,50. De in bezwaar gemaakte proceskosten van eiser die de heffingsambtenaar de rechtbank vast op € 1.294,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 647,- en een wegingsfactor van 1). De rechtbank stelt de proceskosten in beroep vast op
€ 453,50 (1 punt voor het indien van het beroepschrift en 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 907,-, een gemiddelde zwaarte van de zaak en een wettelijke wegingsfactor 0,25).
15.5
Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar ook het door eiser betaalde griffierecht van € 51,- kosten vergoeden.
15.6
Op grond van artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ mag de heffingsambtenaar de in deze uitspraak toegekende proceskosten en het griffierecht uitsluitend uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van eiser.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond voor zover dit betrekking heeft op de waardevaststelling van de woningen aan de [adres 5] , [adres 1] , [adres 3] en de [adres 4] ;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de waardevaststelling van de woningen aan de [adres 5] , [adres 1] , [adres 3] en de [adres 4] ;
- stelt de waarde van de woningen aan de [adres 5] , [adres 1] , [adres 3] en de [adres 4] voor het belastingjaar 2023 vast op respectievelijk € 240.000,-,
€ 298.000,-, € 262.000,- en € 262.000,- en bepaalt dat de heffingsambtenaar de aanslag onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing dienovereenkomstig vermindert;
- bepaalt dat deze uitspraak in plaats komt van het vernietigde deel van de uitspraak op bezwaar;
- verklaart het beroep ten aanzien van de overige woningen niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep ten aanzien van de niet-woningen ongegrond;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 1.747,50 aan proceskosten aan eiser;
- wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht tot een bedrag van € 51,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A. Barmentlo, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
29 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.In haar uitspraak van 24 januari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:221 is de rechtbank ingegaan op het procedeergedrag van de gemachtigde van eiser.
2.Zie onder andere de uitspraken van deze rechtbank van 13 augustus 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:4903, 15 november 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:6529 en 8 augustus 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:4573.
3.Zie ook de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 augustus 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:3810 en de bekrachtiging door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op
4.Idem.
5.Zie over de reikwijdte van artikel 6:13 Awb Pro: Kamerstukken II 2003/04, 29 421, nr. 3, p. 7, en Kamerstukken II 2004/05, 29 421, nr. 11.
6.Zie ook de uitspraak van deze rechtbank van 9 oktober 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:5534.
7.Artikel 4, eerste lid, onder b, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ.
8.Zie ook hof Arnhem-Leeuwarden 24 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3894.
9.Hoge Raad, 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.
10.Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.4.
11.HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.5.
12.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 september 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:8134.
13.Rechtbank Midden-Nederland 14 augustus 2025, r.o. 11 e.v.
14.Arresten van de Hoge Raad van 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:703, r.o. 4.3.2, en ECLI:NL:HR:2024:867, r.o. 4.4.2. Zie ook het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:661, r.o. 4.1.6.
15.Zie de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 oktober 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6428.
16.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335.