Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 februari 2018 in de zaken tussen
Procesverloop
5 december 2016 wrakingsverzoeken gedaan tegen de rechters mr. A.C. Rop en
mr. H. Bedee. Bij uitspraak van 22 december 2016 heeft de wrakingskamer het wrakingsverzoek ten aanzien van mr. A.C. Rop niet-ontvankelijk verklaard en het wrakingsverzoek ten aanzien van mr. H. Bedee afgewezen.
16 november 2016 (besluit 3), dat strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van eisers bezwaar tegen het besluit van verweerder van 22 oktober 2015, waarin is besloten ten aanzien van een verzamelverzoek van eiser om openbaarmaking. Deze zaak is bij de rechtbank bekend onder zaaknummer ROT 16/8387.
Dat verzoek is door de wrakingskamer van de rechtbank bij uitspraak van 9 februari 2018 afgewezen.
Overwegingen
1 juni 2016 heeft de rechtbank het verzet van eiser gegrond verklaard, waarna het onderzoek in deze zaak is voort gezet in de stand waarin het zich bevond.
29 mei 2016 (lees: het niet tijdig beslissen op het aanvullende verzamelverzoek (WER1 tot en met WER 4) heeft verweerder beslist dat geen dwangsommen zijn verschuldigd. Overeenkomstig het advies van de commissie heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 12 juli 2017 bij besluit 8 niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht.
mr. H. Bedee heeft de wrakingskamer afgewezen. Nadien heeft mr. A.C. Rop de zaken weer toebedeeld gekregen in het kader van clustering van de vele zaken van eiser. Eiser is bij brieven van 8 november 2017 ervan op de hoogte gesteld dat alle zaken worden behandeld door mr. A.C. Rop.
9 februari 2018 heeft de wrakingskamer alle wrakingsverzoeken afgewezen wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid en beslist dat een volgend wrakingsverzoek in deze procedures niet in behandeling zal worden genomen.
19 oktober 2016, onder kenmerk GMAR161019-160705REB, waarin eiser op grond van artikel 15a van de Wob bezwaar maakt wegens het niet tijdig beslissen op zijn verzamelverzoek en herhaalde ingebrekestelling met kenmerk GMAR160705-01DWS. Dit verzamelverzoek is een brief van 5 juli 2016 van eiser die ziet op een ingebrekestelling wegens het niet beslissen op vier andere ingebrekestellingen. Uit de daarin genoemde kenmerken die weer verwijzen naar eerdere ingebrekestellingen met een eerder pro-forma bezwaar met andere kenmerken volgt dat die betrekking hebben op eerdere verzoeken die volgens eiser ten onrechte door verweerder zijn doorgezonden naar de gemeente Ridderkerk. Het betreft in elk geval de 15 verzoeken van 21 februari 2016 in de zaak met zaaknummer ROT 17/2574. Omdat verweerder reeds op deze andere verzoeken had beslist, kan verweerders brief van 12 december 2016 dan ook slecht betrekking hebben op de weigering te beslissen op een of meer (herhaalde) ingebrekestellingen van eiser. Omdat een ingebrekestelling geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb oplevert, is de brief van verweerder van 12 december 2016, waarin geen beslissing is genomen over de verbeurte van een dwangsom maar is beslist op een niet voorliggend Wob-verzoek, geen besluit (vergelijk ABvRS 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1290 en ABRvS 7 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1617). Omdat het hier dus niet gaat om een Wob-verzoek, maar om een ingebrekestelling, kon ook niet op grond van het op 1 oktober 2016 ingevoerde artikel 15a van de Wob bezwaar worden gemaakt, zodat verweerder geen beslissingsbevoegdheid had in deze zaak en het bezwaar hoogstens op de voet van artikel 6:15 van Pro de Awb gelezen in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb als een beroep wegens niet tijdig beslissen had kunnen doorsturen naar de rechtbank. De rechtbank zal hier geen consequenties aan verbinden omdat zij zich in dat geval onbevoegd zou moeten verklaren kennis te nemen van het beroep, omdat een ingebrekestelling – zoals gezegd – geen aanvraag oplevert. Voorts neemt de rechtbank hierbij in aanmerking dat door verweerder op de onderliggende aanvragen wel is beslist.
22 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1230). De rechtbank zal aan dit bevoegdheidsgebrek geen consequenties verbinden. Zij neemt hierbij in aanmerking wat zij verderop zal overwegen over het door verweerder gestelde misbruik van recht door eiser in al deze zaken en zij neemt hierbij voorts in aanmerking de omstandigheid dat eiser reeds in 2012 bekend was met het schriftelijke standpunt van de voorzitter van de onafhankelijke commissie dat beraadslagingen van die commissie op grond van artikel 11 van Pro de Wob niet openbaar worden gemaakt.
Beslissing
- verklaart de beroepen tegen de besluiten 1, 2, 11, 12, 13, 14 en 15 niet-ontvankelijk;
- verklaart de beroepen tegen de besluiten 3, 4, 5, 6, 7, 8 voor het overige, 9 en 10 ongegrond;
- wijst de verzoeken om schadevergoeding af;
- veroordeelt eiser in de proceskosten van verweerder tot een bedrag van € 1.503,-.