ECLI:NL:CRVB:2018:1060
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening bijstandsuitkering wegens niet gemelde bankstortingen en bijschrijvingen
Appellant ontvangt sinds 2006 bijstand en werd in het kader van een heronderzoek geconfronteerd met bijschrijvingen en kasstortingen op zijn bankrekening over de periode september 2014 tot augustus 2015. Het college stelde vast dat deze bedragen als inkomsten moesten worden aangemerkt en dat appellant deze niet had gemeld, waardoor hij teveel bijstand ontving. Het college besloot de bijstand over die periode te herzien en de teveel ontvangen bedragen terug te vorderen.
Appellant voerde aan dat de stortingen leningen waren die terugbetaald moesten worden en dat kasstortingen afkomstig waren van eigen geld. De Raad overwoog dat vaste rechtspraak kasstortingen en bijschrijvingen als inkomen beschouwt, ook indien het leningen betreft, en dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. De Raad verwierp het beroep op het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het Handvest van de grondrechten van de EU.
Verder werd het beroep op dringende redenen om van terugvordering af te zien afgewezen vanwege het ontbreken van concrete medische onderbouwing en het feit dat financiële gevolgen pas bij invordering optreden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de aangevallen uitspraak bevestigd en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening en terugvordering van bijstand bevestigd.