Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1542

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
200.134.964/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:907 BWArt. 6:100 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Effectenlease: verrekening verliezen en voordelen bij onaanvaardbaar zware financiële last

Deze zaak betreft meerdere effectenleaseovereenkomsten tussen Dexia en afnemer, waarbij het geschil zich richt op de verrekening van verliezen en voordelen bij het bepalen van de financiële verplichtingen tussen partijen.

Het hof bevestigt dat effectenleaseovereenkomsten als koop op afbetaling gelden en dat Dexia haar zorgplicht heeft geschonden, waardoor zij twee derde van de restschuld moet vergoeden. Effectenleaseovereenkomsten die niet op naam van afnemer staan, worden buiten beschouwing gelaten. Verliezen uit sommige overeenkomsten worden verrekend met baten uit andere, conform vaste jurisprudentie.

De eindafrekening van Dexia bevat posten die op oneerlijke bedingen berusten en komen te vervallen. Dexia heeft te laat een nieuw standpunt ingenomen over de beëindiging van een leaseovereenkomst, waardoor het hof vasthoudt aan de oorspronkelijke eindafrekening. Het vonnis wordt vernietigd en partijen worden veroordeeld tot betaling van de bedragen die voortvloeien uit de berekening met verrekening van voordelen en verliezen, met wettelijke rente. Proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis en veroordeelt partijen tot wederzijdse betaling van bedragen na verrekening van verliezen en voordelen uit effectenleaseovereenkomsten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer: 200.134.964/01
zaak- en rolnummer rechtbank Noord-Holland: 400329 CV EXPL 12-1001
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 juni 2026
inzake
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
tegen:
[geïntimeerde],
wonend te [woonplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellante in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam
Partijen worden hierna Dexia en afnemer genoemd.

1.De zaak in het kort

Deze zaak gaat over meerdere effectenleaseovereenkomsten die afnemer met Dexia heeft afgesloten. Volgens vaste rechtspraak heeft Dexia bij het aangaan van deze effectenleaseovereenkomsten onrechtmatig jegens de afnemers van effectenleaseovereenkomsten gehandeld door haar (precontractuele) zorgplicht te schenden. De schadevergoeding in effectenleasezaken wordt afgehandeld conform het eerder door dit hof opgestelde hofmodel. Het geschil tussen partijen heeft in hoger beroep met name betrekking op de vraag van welke effectenleaseovereenkomsten de voordelen en/of verliezen moeten worden meegewogen bij het bepalen van de omvang van de bedragen die partijen elkaar nog verschuldigd zijn.

2.Het geding in hoger beroep

Dexia is bij dagvaarding van 28 augustus 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (hierna: de kantonrechter) van 1 augustus 2013, onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen Dexia als eiseres in conventie en verweerster in reconventie, en afnemer als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord, met producties;
- akte van Dexia, met productie;
- antwoordakte van afnemer;
- akte uitlaten jurisprudentie van afnemer, met productie;
- akte uitlating jurisprudentie van Dexia;
- memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, met productie.
Bij tussenarrest van 4 oktober 2016 is een regiecomparitie gelast voor 188 Dexia-zaken waarin de problematiek van de onaanvaardbaar zware financiële last aan de orde is, waaronder de onderhavige zaak. Deze comparitie heeft op 12 december 2016 plaatsgevonden en daarvan is proces-verbaal opgemaakt.
Na de comparitie heeft het hof bepaald dat in de zaken waarin geen tussenpersoon (cliëntenremisier of anderszins) betrokken was, waaronder de onderhavige zaak, zal worden voortgeprocedeerd in de stand waarin deze zaken zich bevonden voordat deze werden aangehouden.
Partijen hebben geconcludeerd zoals verwoord in de processtukken.

3.Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2. vastgesteld van welke feiten is uitgegaan. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen. Aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.
3.1.
In hoger beroep gaat het om onderstaande effectenleaseovereenkomsten. De effectenleaseovereenkomsten zijn op enig moment geëindigd, waarna Dexia eindafrekeningen heeft opgesteld. De relevante gegevens van deze effectenleaseovereenkomsten zijn als volgt:
Nr.
Contractnummer
Datum
Naam
Looptijd
Eindafrekening
Resultaat
1.
[nummer 1]
5-9-1997
Feestplan
120 mnd.
4-9-2007
-/- € 476,80
2.
[nummer 2]
23-9-1999
Korting Kado
120 mnd.
17-5-2006
-/- € 6.038,19
3.
[nummer 3]
31-1-2001
WinstVer10Dubbelaar
120 mnd.
15-8-2006
-/- € 3.821,85
4.
[nummer 4]
16-10-2001
Kwakkel-Koers
84 mnd.
31-10-2008
+ € 223,16
5.
[nummer 5]
25-10-1994
Legio Pessimisten Plan
n.b.
n.b.
+ € 1.678,79
6.
[nummer 6]
10-12-1998
WinstVerDriedubbelaar
36 mnd.
n.b.
n.b.
7.
[nummer 7]
1-12-1995
WinstVerdubbelaar
60 mnd.
30-11-2000
+ € 16.291,74
8.
[nummer 8]
28-6-1996
DuoLease
60 mnd.
n.b.
n.b.
3.2.
Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een WCAM-overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van Pro die WCAM-overeenkomst. Afnemer heeft tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat de WCAM-overeenkomst haar niet bindt.

4.Beoordeling

4.1.
De onderhavige zaak betreft een effectenleasezaak. Deze zaak staat niet op zichzelf; er zijn inmiddels vele procedures gevoerd over effectenlease. De veelheid aan procedures heeft geleid tot veel jurisprudentie, waaronder een aantal richtinggevende arresten waarin algemene maatstaven en beoordelingskaders zijn aanvaard. Uit deze jurisprudentie kunnen de volgende algemene conclusies worden afgeleid:
leaseovereenkomsten moeten worden aangemerkt als overeenkomsten van koop op afbetaling (huurkoop) (Hoge Raad 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2837);
er is bij het aangaan van leaseovereenkomsten geen sprake geweest van dwaling en/of misbruik van omstandigheden vanwege een onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door Dexia of het bij een afnemer ontbreken van kennis en ervaring met betrekking tot beleggingen (onder meer Hoge Raad 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815);
er is bij het aangaan van leaseovereenkomsten ook geen sprake geweest van dwaling of bedrog op de grond dat Dexia een afnemer niet heeft gewezen op de door een afnemer aangevoerde ‘beleggingstechnische gebreken’ van de leaseovereenkomsten (onder meer het arrest van dit hof van 1 april 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:1135);
evenmin is sprake van nietigheid of vernietigbaarheid van de leaseovereenkomsten op grond van de Wet op het consumentenkrediet (onder meer Hoge Raad 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815) of de Wet op de kansspelen (onder meer dit hof bij arrest van 8 oktober 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3609);
r is onvoldoende reden om de feitelijke verwerving en het daarop volgende behoud door Dexia van de effecten, die onderwerp zijn van de door Dexia gesloten leaseovereenkomsten, in twijfel te trekken (dit hof bij beschikking van 25 januari 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033 en herhaald in de arresten van 29 april 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:1523 en 1533).
4.2.
Voor zover Dexia en afnemer omtrent de hierboven genoemde onderwerpen andersluidende stellingen hebben ingenomen, ziet het hof daarin geen aanleiding om in het voorliggende geval anders te oordelen. De daarop gebaseerde vorderingen van Dexia en/of afnemer zullen daarom worden afgewezen.
4.3.
In deze zaak gaat het om de (precontractuele) zorgplicht van Dexia. In de rechtspraak zijn hierover de volgende uitgangspunten ontwikkeld (onder meer Hoge Raad 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2811 en BH2815, hof Amsterdam 1 december 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4981, Hoge Raad 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4003):
op Dexia heeft een tweeledige zorgplicht gerust: een verplichting om degene met wie zij een leaseovereenkomst aanging, tevoren indringend en in niet mis te verstane bewoordingen te waarschuwen voor het risico dat de verkoopopbrengst van de geleasede effecten bij (tussentijdse) beëindiging van de leaseovereenkomst niet toereikend zou zijn voor de terugbetaling van het geleende bedrag, in welk geval een restschuld zou overblijven, alsmede een verplichting om alvorens de leaseovereenkomst aan te gaan inlichtingen in te winnen over de inkomens- en vermogenspositie van haar beoogde wederpartij teneinde na te gaan of deze naar redelijke verwachting de uit de leaseovereenkomst voorvloeiende financiële verplichtingen zou kunnen dragen;
Dexia dient wegens schending van de zorgplicht twee derde deel van de restschuld als schade aan de afnemer te vergoeden. Een derde deel van de restschuld blijft op grond van aan hem zelf toe te rekenen omstandigheden (eigen schuld) voor rekening van de afnemer. Als de leaseovereenkomst bij het aangaan daarvan naar redelijke verwachting leidde tot een onaanvaardbaar zware financiële last, worden rente, aflossing en kosten volgens dezelfde maatstaf tussen de afnemer en Dexia verdeeld;
voor de beoordeling van de vraag of leaseovereenkomsten op afnemers mogelijk een onaanvaardbaar zware financiële last legden is door dit hof de hofformule ontwikkeld. Aan de hand daarvan mag de financiële ruimte van de afnemer worden getoetst, mits die formule voldoende ruimte laat om ook met individuele omstandigheden van de afnemer rekening te houden.
4.4.
In hoger beroep zijn in deze zaak met name nog twee vragen aan de orde. Ten eerste de vraag of effectenleaseovereenkomsten 1 en 7 daadwerkelijk zijn aangegaan door afnemer. Ten tweede de vraag van welke effectenleaseovereenkomsten de voordelen en/of verliezen moeten worden meegewogen bij het bepalen van de omvang van de bedragen die partijen elkaar nog verschuldigd zijn.
Effectenleaseovereenkomsten 1 ( [nummer 1] ) en 7 (71601416)
4.5.
Afnemer stelt dat effectenleaseovereenkomsten 1 en 7 niet op haar naam stonden, maar op naam van haar echtgenoot. Dexia betwist dit. Het hof overweegt dat afnemer uit de gedragingen en handelwijze van Dexia had kunnen en mogen afleiden dat Dexia de overeenkomsten als contracten van alleen haar echtgenoot beschouwde. Het hof wijst hierbij onder meer op het feit dat de eindafrekening gericht is aan ‘de heer P. Kikkert’, dat hierop het relatienummer van haar echtgenoot is vermeld en dat alle betalingen voor deze effectenleaseovereenkomst zijn verricht vanaf de bankrekening van haar echtgenoot. Voor effectenleaseovereenkomst 7 geldt voorts dat Dexia een uitkering in het kader van de Duisenberg-regeling heeft gedaan die, naar niet in geschil is, op de bankrekening van de echtgenoot van afnemer is gestort. Dexia heeft hier geen of onvoldoende feiten of omstandigheden tegenover gezet die tot het oordeel kunnen leiden dat zij redelijkerwijs mocht aannemen dat ook de afnemer partij bij deze overeenkomsten was. Een en ander betekent dat het ervoor moet worden gehouden dat deze effectenleaseovereenkomsten alleen zijn gesloten met de echtgenoot van afnemer. Zij worden hier verder buiten beschouwing gelaten.
Effectenleaseovereenkomsten 2 ( [nummer 2] ), 3 (76183206) en 4 ( [nummer 4] )
4.6.
Afnemer stelt zich op het standpunt dat effectenleaseovereenkomsten 2, 3 en 4 een onaanvaardbaar zware financiële last vormden, zodat Dexia twee derde van zowel de restschuld als van de inleg voor haar rekening dient te nemen. Dexia erkent dit in haar memorie van grieven. In haar laatste akte merkt Dexia echter op dat zij handhaaft dat afnemer met geen van de door haar afgesloten effectenleaseovereenkomsten werd blootgesteld aan een onaanvaardbaar zware financiële last. Het hof gaat er van uit dat dit een vergissing betreft en dat Dexia niet bedoeld heeft haar standpunt te wijzigen. Voor zover Dexia dat wel bedoeld heeft, overweegt het hof dat zij deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd.
Effectenleaseovereenkomst 4 is niet geëindigd met een restschuld. Afnemer heeft evenwel nog steeds recht op vergoeding van twee derde van de inleg, voor zover dit bedrag groter is dan het positief resultaat dat volgt uit de eindafrekening.
Effectenleaseovereenkomst 5 ( [nummer 5] )
4.7.
Tussen partijen is niet in geschil dat deze effectenleaseovereenkomst geëindigd is met een batig saldo, dat vanwege tijdverloop niet in aanmerking komt voor verrekening. Deze effectenleaseovereenkomst hoeft dus verder niet besproken te worden.
Effectenleaseovereenkomsten 6 ( [nummer 6] ) en 8 ( [nummer 8] )
4.8.
Afnemer stelt in hoger beroep dat het verlies op effectenleaseovereenkomst 6 (€ 728,82) in mindering gebracht moet worden op het batig saldo van effectenleaseovereenkomst 8 (€ 5.561,71). De kantonrechter heeft – kort gezegd – geoordeeld dat het geleden verlies van niet in het geding zijnde effectenleaseovereenkomsten, zoals effectenleaseovereenkomst 6, in mindering moet worden gebracht op het batig saldo van andere effectenleaseovereenkomsten, omdat deze alle voortvloeien uit eenzelfde gebeurtenis (rov. 5.4). Dexia meent dat deze effectenleaseovereenkomst toch buiten beschouwing dient te blijven, omdat afnemer zich ten aanzien van deze effectenleaseovereenkomst niet op het standpunt heeft gesteld dat Dexia jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld. Mocht afnemer zich alsnog op het standpunt stellen dat Dexia ook bij de totstandkoming van effectenleaseovereenkomst 6 onrechtmatig jegens haar gehandeld heeft, dan wenst Dexia – kort gezegd – afhandeling conform hofmodel.
4.9.
Het hof overweegt als volgt. Door Dexia wordt niet (voldoende) betwist dat effectenleaseovereenkomst 6 is geëindigd met een verlies voor afnemer. Artikel 6:100 BW Pro bepaalt dat indien eenzelfde gebeurtenis voor de benadeelde naast schade tevens voordeel heeft opgeleverd, dit voordeel bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening moet worden gebracht, voor zover dit redelijk is. Het is vaste rechtspraak in effectenleasezaken dat de niet-nakoming door Dexia van haar zorgplicht – in gevallen waarin verschillende effectenleaseovereenkomsten met dezelfde afnemer zijn tot stand gekomen – kan worden geacht een voortdurend karakter te hebben gehad. Dat brengt mee dat de effectenleaseovereenkomst ten aanzien waarvan Dexia schadeplichtig is en de effectenleaseovereenkomst(en) die met een batig saldo is of zijn geëindigd, en hiermee zowel de schade als het voordeel van de afnemer, het gevolg zijn van eenzelfde gebeurtenis, namelijk het voortdurende onbeschermd blijven van de afnemer tegen de gevaren van eigen lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht door de voortdurende niet-nakoming door Dexia van haar zorgplicht (zie onder meer hof Amsterdam 1 december 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4978, zoals bevestigd door Hoge Raad 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4012, zie ook: Hoge Raad 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:164). Hieruit volgt dat bij de vaststelling van de te vergoeden schade de door de afnemer genoten voordelen uit een of meer effectenleaseovereenkomsten die met een batig saldo zijn geëindigd wordt verrekend met de geleden verliezen van een of meer andere effectenleaseovereenkomsten. Het moet in de regel voor redelijk worden gehouden dat het voordeel in zijn geheel wordt verrekend. Deze regel lijdt slechts uitzondering als tussen de feitelijke einddatum van een effectenleaseovereenkomst die met een batig saldo is geëindigd en het tijdstip waarop de afnemer hierna een of meer effectenleaseovereenkomsten is aangegaan ten aanzien waarvan Dexia tot schadevergoeding is gehouden, ten minste één jaar is verstreken (zie het hiervoor genoemde arrest van hof Amsterdam van 29 april 2011, rov. 4.30).
4.10.
Uit het voorgaande volgt dat bij de vaststelling van de te vergoeden schade eerst het geleden verlies van effectenleaseovereenkomst 6 dient te worden verrekend met het batig saldo van effectenleaseovereenkomst 8. De genoemde uitzondering doet zich niet voor, omdat effectenleaseovereenkomst 6 (de verlieslatende overeenkomst) is aangegaan op 10 december 1998 en op dat moment effectenleaseovereenkomst 8 (de overeenkomst met het batig saldo) nog liep. Deze was immers aangegaan op 28 juni 1996 voor de duur van vijf jaar. Dat afnemer in deze procedure geen vordering(en) heeft ingesteld ten aanzien van effectenleaseovereenkomst 6 maakt dit niet anders. Slechts het restant van het batig saldo van effectenleaseovereenkomst 8 komt in aanmerking voor verrekening met de schade uit de onderhavige effectenleaseovereenkomsten.
4.11.
Partijen zijn nu in staat om op basis van het voorgaande zelf hun betalingsverplichtingen over en weer te berekenen. Dit dienen zij te doen aan de hand van het arrest van de Hoge Raad van 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, met name rov. 3.6.3 en verder) en volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door afnemer niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist.
4.12.
Dexia heeft bij de eindafrekening van effectenleaseovereenkomst [nummer 2] resterende termijnen en beëindigingskosten bij afnemer in rekening gebracht. Het hof overweegt dat deze posten volgens vaste rechtspraak van dit hof (laatstelijk hof Amsterdam 22 februari 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:543, met betrekking tot de resterende termijnen en hof Amsterdam 21 november 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3343, met betrekking tot de beëindigingskosten) berusten op een door Dexia gehanteerd oneerlijk beding, zodat deze posten op de eindafrekening komen te vervallen.
Voor zover Dexia zich op het standpunt stelt dat niet zij, maar afnemer zelf de effectenleaseovereenkomst heeft opgezegd, geldt dat Dexia dit standpunt voor het eerst heeft ingenomen bij haar laatste akte. Tot dan toe zijn beide partijen ervan uitgegaan dat Dexia de effectenleaseovereenkomst heeft beëindigd. In de begeleidende brief bij de eindafrekening van effectenleaseovereenkomst [nummer 2] die Dexia aan afnemer heeft gestuurd, vermeldt Dexia ook dat zij genoodzaakt was de effectenleaseovereenkomst te beëindigen. De kantonrechter is uitgegaan van de oorspronkelijk overgelegde eindafrekening en daartegen is geen grief gericht. Dexia heeft dit nieuwe standpunt te laat, want in strijd met de in de rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde tweeconclusieregel, ingenomen. Dat in dit geval een uitzondering op deze regel kan worden aanvaard, is niet gemotiveerd door Dexia aangevoerd en overigens niet gebleken. Weliswaar heeft het hof Dexia in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de gevolgen van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie en was het Dexia daarom ook toegestaan haar stellingen in het licht daarvan aan te passen, maar dat gaat niet zo ver dat het hof in dit stadium van het geding in hoger beroep nog acht kan slaan op deze nieuwe feitelijke stelling van Dexia die onverenigbaar is met haar eerder ingenomen stellingen. Dit betekent dat uitgegaan dient te worden van een beëindiging van de leaseovereenkomst door Dexia en ook van de oorspronkelijke eindafrekening.
Slotsom
4.13.
Uit het voorgaande volgt dat grief I van Dexia in het principaal hoger beroep geen bespreking behoeft. Grief II slaagt. Grieven III en V slagen niet. Grief IV en VI slagen gedeeltelijk. De grief van afnemer in het incidenteel hoger beroep slaagt. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en partijen zullen worden veroordeeld tot betaling aan de ander van het bedrag dat volgt uit de hiervoor in rov. 4.11 bedoelde berekening. De door Dexia ingestelde vordering tot terugbetaling van het bedrag dat zij uit hoofde van het bestreden vonnis heeft gedaan, te weten € 5.656,69, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2013, is door afnemer niet (voldoende) bestreden, zodat deze zal worden toegewezen. Afnemer heeft geen stellingen te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een andere beslissing kunnen leiden.
4.14.
Het hof ziet in deze uitkomst in het licht van het partijdebat in eerste aanleg en in hoger beroep toereikende grond om de kosten in beide instanties tussen partijen te compenseren, zodat iedere partij de eigen kosten daarvan draagt.

5.Beslissing

Het hof:
in principaal en incidenteel hoger beroep:
vernietigt het vonnis waarvan beroep,
en opnieuw rechtdoende:
veroordeelt Dexia – indien en voor zover uit de berekening zoals bedoeld in 4.11 volgt dat Dexia een bedrag aan afnemer dient te betalen – tot betaling aan afnemer van het betreffende bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, te berekenen vanaf het moment dat alle voordelen zijn verrekend tot aan de dag van algehele voldoening;
veroordeelt afnemer – indien en voor zover uit de berekening zoals bedoeld in 4.11 volgt dat afnemer een bedrag aan Dexia dient te betalen – tot betaling aan Dexia van het betreffende bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de betreffende eindafrekening tot aan de dag van algehele voldoening;
veroordeelt afnemer om aan Dexia te betalen een bedrag van € 5.656,69, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 augustus 2013 tot aan de dag van algehele voldoening;
compenseert de proceskosten in beide instanties aldus dat iedere partij de eigen kosten daarvan draagt;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, W.J.J. Los en R.M. de Winter en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.