Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
4.Behandeling en beoordeling van het eerste middel
Inleiding
mitsdienniet wordt verkregen (‘obtained’) door middel van dwang en tegen de wil van de betrokkene. In het onderhavige geval was volgens het EHRM echter
geensprake van materiaal dat onafhankelijk van de wil van J.B. bestond.
in beginselsteeds onder dwang mogen worden opgeëist. In deze opvatting ziet het verbod op zelfincriminatie niet op materiaal dat weliswaar met toepassing van dwangmiddelen door de autoriteiten is verkregen, maar een bestaan heeft onafhankelijk van de wil van de betrokkene. De overweging ‘evidence obtained through methods of coercion or oppression in defiance of the will of the accused’ (§ 68 Saunders) zou dan aldus uitgelegd moeten worden, dat het EVRM zich ertegen verzet dat bewijsmateriaal met toepassing van dwangmiddelen tot stand wordt gebracht, zoals bij een mondelinge of schriftelijke verklaring.
(...)
Funkeprécité ;
John Murray c. Royaume-Uni, 8 février 1996, § 45,
Recueil1996-I ;
Saunders c. Royaume-Uni,17 décembre 1996, §§ 68-69,
Recueil1996-VI ;
Serves c. France, 20 octobre 1997, § 46,
Recueil1997-VI ;
J.B. c. Suisse, précité, § 64).
J.B. c. Suisse, précité, § 65) et était de nature à compromettre sa position dans l’enquête pour soustraction d’impôts.
Allen c. Royaume-Uniinvoquée, le requérant n’a, en effet, jamais reconnu avoir eu un comportement illégal et s’est prévalu à tous les stades de la procédure de son droit au silence.
methods of coercion or oppression in defiance of the will of the accusedmag worden verkregen in gevallen waarin art. 6 EVRM Pro van toepassing is, en anderzijds wilsonafhankelijk materiaal, zoals bankafschriften en andere bestaande bescheiden, dat in beginsel altijd – ook met dwang – kan worden gevorderd. Gezien (ten minste) de tot aan HR BNB 2008/159 door het EHRM gewezen arresten onderschrijf ik de uitspraken van de Hoge Raad. Onder meer de arresten Funke en J.B. hebben mij er niet van kunnen overtuigen dat het EHRM is afgeweken van Saunders, dan wel met het arrest Saunders iets anders heeft bedoeld te zeggen. Weliswaar achtte het EHRM in Funke en J.B. een schending van art. 6 EVRM Pro aanwezig vanwege het verplicht over moeten leggen van documenten, maar in beide zaken lijkt sprake te zijn geweest van een verkapt verzoek om te verklaren wélke documenten de belastingplichtige in zijn bezit had. Sinds Chambaz is mijns inziens echter duidelijk wat het EHRM bedoelt, of wellicht al langere tijd heeft bedoeld.
methods of coercion or oppression in defiance of the will of the accusedbij het afdwingen van reeds bestaand (wilsonafhankelijk) materiaal, zoals documenten.
which would have authoritatively excluded the later admission in evidenceagainst the applicant of any statements made by him in the enforcement inquiry.” Ik leid hieruit af dat de rechter dient te bepalen dat het wilsafhankelijke materiaal niet gebruikt mag worden in een latere bestraffingsprocedure. Dat materiaal moet als bewijs worden uitgesloten. Op het eerste gezicht lijkt de Hoge Raad dat in het onderhavige arrest ook te beslissen: “(…) dient de te treffen voorziening (…) in die zin te worden beperkt dat een zodanig bevel alleen mag worden gegeven met de restrictie dat het verstrekte materiaal uitsluitend wordt gebruikt ten behoeve van de belastingheffing.” De Hoge Raad gaat echter verder: “Zou het aldus in handen van de Inspecteur, en daarmee van de Staat, geraakte materiaal desondanks mede worden gebruikt voor doeleinden van fiscale beboeting of strafvervolging, dan komt het oordeel welk gevolg moet worden verbonden aan schending van de door de voorzieningenrechter gestelde restrictie, toe aan de rechter die over de beboeting of bestraffing beslist.” Met andere woorden: als het toch fout gaat en in strijd wordt gehandeld met de restrictie op het bevel tot informatieverstrekking, dan moet de fiscale rechter of de strafrechter maar beslissen wat er dan moet gebeuren. In de literatuur is met name in relatie tot dit punt veel kritiek op het arrest geuit. Zo is opgemerkt dat er geen enkele garantie is dat de fiscale rechter of de strafrechter het oordeel van de civiele kamer van de Hoge Raad volgt en tot bewijsuitsluiting overgaat. [34] Mede op basis van de hiervoor geciteerde rechtsoverweging uit het arrest Martinnen komt men tot de conclusie dat de civiele kamer van de Hoge Raad duidelijk had moeten bepalen wat de gevolgen zouden zijn indien toch van wilsafhankelijk materiaal gebruik wordt gemaakt in een bestraffingsprocedure. [35] En dat gevolg kan in feite alleen maar bewijsuitsluiting zijn. Hoewel ik het met dat laatste eens ben, meen ik dat de civiele kamer van de Hoge Raad niet voor niets het oordeel hierover aan de fiscale rechter en strafrechter heeft overgelaten. Een andersluidend oordeel zou immers betekenen dat de civiele rechter aan de fiscale rechter en strafrechter zou voorschrijven hoe zij in voorkomende situaties moeten beslissen. Dat gaat een stap te ver. Uit het feit dat de civiele kamer in de onderhavige zaak mede bestond uit de raadsheren Feteris (belastingkamer) en Wortel (strafkamer), leid ik echter af dat het niet voor de hand ligt dat de belastingkamer en de strafkamer van de Hoge Raad anders zullen beslissen. Als deze kamers geroepen worden te oordelen over de gevolgen van gebruik van wilsafhankelijk materiaal in een boete- of strafprocedure, is er naar mijn mening maar één conclusie over: bewijsuitsluiting. Als dat niet het geval is, ben ik met Stijnen van oordeel dat de beoogde rechtsbescherming in het onderhavige arrest van nul en generlei waarde is. [36] Wat de fiscale rechter betreft, ben ik overigens van mening dat de Hoge Raad al eerder heeft beslist dat bewijsuitsluiting het gevolg is als wilsafhankelijk materiaal wordt gebruikt in een bestraffingsprocedure. In BNB 2002/27* besliste de Hoge Raad immers [cursivering toegevoegd]: “Gelet op het arrest
Saundersbrengt het een en ander in een geval als het onderhavige, waarin een belastingplichtige aan het EVRM niet het recht kan ontlenen zich te onttrekken aan de verplichting gegevens, inlichtingen en bescheiden te verstrekken, mee dat een verklaring die de betrokkene heeft afgelegd ter voldoening aan die verplichting,
niet mag worden gebruikt ten behoeve van de boete-oplegging. Dit betekent dat de verklaring die belanghebbende tegenover de Inspecteur heeft afgelegd over de aanschafprijs van het kantoormeubilair,
door het Hof buiten beschouwing moest worden gelaten bij de beoordeling van de grondslag voor de boete-oplegging.” Dat lijkt mij niet voor tweeërlei uitleg vatbaar.
5.Behandeling en beoordeling van het tweede middel
6.Behandeling en beoordeling van het derde middel
de auditu-gehalte heeft. Het is geen verklaring van iemand uit eigen wetenschap, maar een weergave van wie wat heeft gezegd. Als al waarde moet worden toegekend aan een ambtsedige verklaring, dan dient een getuigenverhoor plaats te vinden. [A] verklaart dat de FIOD/ECD bij de uitvoeren heeft geopereerd onder de Belastingdienst. De FIOD/ECD ressorteert dus onder de Belastingdienst. Dat is van belang in het kader van de voortvarendheid. Verder vraag ik me af wat wordt bedoeld met het veredelen van gegevens en waarom een draaiboek is opgesteld, alleen voor adviseurs. Verder wordt gezegd dat is gesproken met verschillende mensen; ik vraag me af met wie, waarom, hoezo, enzovoort.
hoefdehet Hof geen betekenis toe te kennen aan zowel de ambtsedige verklaring van de heer Huisman als aan de beide andere ‘gewone’ verklaringen, maar mocht het Hof dit wel gezien de aan het Hof voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen. De stelling van belanghebbende dat een getuigenverhoor dient plaats te vinden, indien het Hof waarde toekent aan een ambtsedige verklaring, vindt geen steun in het recht.
7.Behandeling en beoordeling van het vierde middel
perpost van de aanslagen in Spanje. Zo overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 28 januari 2011, nr. 10/02285: [49]