Conclusie
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 2.1miskent het hof dat stelplicht en bewijslast ter zake van het bestaan van een huurovereenkomst op Cimba Management rusten nu zij zich beroept op het rechtsgevolg van art. 7A:1593 (oud) [2] (thans art. 7:226) BW, zodat haar verweer moet worden bestempeld als een bevrijdend verweer. Daarop voortbouwend klagen de
subonderdelen 2.4 t/m 2.6over de verwerping van het door Marble House in hoger beroep aangeboden (tegen)bewijs van haar stellingen door het horen van getuigen.
subonderdeel 2.1op een onjuiste lezing van het vonnis van het hof. Ik meen overigens wel dat het hof is uitgegaan van een bepaalde bewijslastverdeling en bespreek dat in verband met de
subonderdelen 2.4 t/m 2.6.
subonderdelen 2.4 t/m 2.6hangt dus af van de vraag of de bewijslast ter zake van het bestaan van een huurovereenkomst rust op Cimba Management. Is dat het geval dan had het hof, dat het bestaan van een huurovereenkomst aannemelijk oordeelde, moeten ingaan op het ongespecificeerde aanbod van Marble House om door middel van getuigen tegenbewijs te leveren.
onderdeel 3. Volgens
subonderdeel 3.1miskent het hof dat voor een huurovereenkomst ten minste een voldoende bepaalbare tegenprestatie is vereist. Volgens
subonderdeel 3.2kan een enkele verlaging van een betalingsverplichting uit andere hoofde geen door artikel 7A:1565 lid 1 BW vereiste voldoende bepaalbare tegenprestatie zijn, temeer in gevallen waarin (i) uit de overeenkomst of de daarbij horende stukken niet blijkt dat door Cimba Management met een dergelijke verlaging genoegen is genomen, en (ii) niet vaststaat welke waarde de verlaging van de betalingsaanspraak zou zijn. Volgens
subonderdeel 3.3is het oordeel onvoldoende gemotiveerd nu het hof over de omvang van de tegenprestatie niets voldoende bepaalbaars vaststelt en evenmin aanknopingspunten biedt op voor de berekening van de waarde daarvan.
onderdeel 3slagen derhalve niet.
(sub)onderdelen 2.2, 2.3 en 4.
subonderdelen 2.2 en 2.3veronderstellen dat het hof is uitgegaan van de door Marble House bepleite bewijslastverdeling ten aanzien van het bestaan van een huurovereenkomst en richten op die basis motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof. Nu deze subonderdelen naar mijn mening uitgaan van een onjuiste rechtsopvatting (zie de bespreking van de subonderdelen 2.1 en 2.4-2.6) dienen zij te falen.
Subonderdeel 4.1gaat uit van een verkeerde lezing van het vonnis en faalt daarom. Anders dan de klacht veronderstelt, heeft het hof niet geoordeeld dat aan de [O] -maatstaf is voldaan indien een voldoende bepaalbare tegenprestatie is overeengekomen. Het hof heeft immers overwogen dat “in de gegeven omstandigheden” en “gelet op hetgeen partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond” – kort gezegd – aan de [O] -maatstaf is voldaan.
subonderdelen 4.2 t/m 4.4heeft het hof onvoldoende gemotiveerd dat en op basis van welke concrete omstandigheden is voldaan aan de [O] -maatstaf. Het hof geeft geen enkel inzicht op grond van welke concrete omstandigheden het zijn oordeel baseert dat voldaan is aan de [O] -maatstaf en het hof is voorbij gegaan aan de door Marble House in feitelijke instantie aangevoerde stellingen, genoemd in subonderdeel 2.2.2 van het verzoekschrift tot cassatie. Weliswaar gaat het hof in op één stelling van Marble House (het recht om de ruimte te verkopen), maar het motiveert onvoldoende begrijpelijk waarom deze contra-indicatie onvoldoende gewicht in de schaal legt.
Onderdeel 4slaagt niet.
onderdeel 5. Het beroep moet daarom worden verworpen.