Conclusie
1.Feiten en procesverloop
primairmet ingang van 1 januari 2007 dan wel 1 januari 2012 op nihil en
subsidiairmet ingang van 1 januari 2012 op € 280,- per maand te stellen, met bepaling dat de vrouw de door de man teveel betaalde alimentatie aan de man dient terug te betalen. [5]
primairte bepalen dat met ingang van 1 januari 2012 de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie op nihil wordt gesteld, althans dient te worden beëindigd in verband met de omstandigheid dat de vrouw in staat is in eigen levensonderhoud te voorzien,
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Behoefte
onder 1dat het hof in rov. 5.5 ten onrechte heeft overwogen en beslist dat geen sprake is van een zogenoemde
“verbleekte behoefte”aan de zijde van de vrouw.
Onder 2 (en 8)wordt gewezen op de stellingen van de man dat de behoefte van de vrouw niet meer op het huwelijksgerelateerde niveau ligt (appelschrift nr. 16), dat de vrouw, ondanks het feit dat zij sinds april 2013 geen alimentatie ontving en in 2012 en 2013 hoge advocaatkosten had, kennelijk in haar eigen levensonderhoud heeft kunnen voorzien (appelschrift nr. 18), en dat in dat verband onder verwijzing naar Hof ’s-Gravenhage 30 september 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2744 een beroep wordt gedaan op de omstandigheid dat aldus de behoefte van de vrouw is “verbleekt” en niet meer kan worden gerekend met de ten tijde van de echtscheiding vastgestelde behoefte (appelschrift nr. 19).
Onder 3 en 4wordt betoogd dat volgens een bestendige lijn in de feitenrechtspraak de huwelijksgerelateerde behoefte, naar mate partijen langer uit elkaar zijn, door tijdsverloop verbleekt: de aan partneralimentatie ten grondslag liggende lotsverbondenheid neemt af en de verplichtingen om zelf in het eigen levensonderhoud te voorzien en om het uitgavenpatroon aan te passen drukken zwaarder op de alimentatiegerechtigde.
Onder 8wordt geklaagd dat het hof met zijn oordeel in rov. 5.5, 2e volzin, heeft miskend dat – als gevolg van het feit dat eenieder geacht wordt in zijn eigen levensonderhoud te voorzien – als uitgangspunt in het Nederlandse recht geldt dat van de alimentatiegerechtigde verwacht mag worden dat hij of zij het uitgavenpatroon aanpast. Ten slotte zou het oordeel dat van de huwelijksgerelateerde behoefte moet worden uitgegaan zonder nadere motivering onbegrijpelijk zijn in het licht van het als vaststaand aan te nemen feit dat de vrouw in staat is geweest om met haar inkomsten daadwerkelijk te voorzien in haar levensonderhoud.
onder 5 tot en met 7dat het hof niet, althans niet afdoende heeft gerespondeerd op de als essentieel aan te merken stelling van de man dat de vrouw slechts (bescheiden) parttime arbeid verricht, terwijl er geen beletselen zijn om meer te werken. Gelet op het cassatieverzoekschrift onder 2 gaat het kennelijk om het gestelde in de pleitnotities zijdens de man d.d. 13 december 2016, p. 1, laatste alinea, te weten:
gedeeltelijkin haar eigen levensonderhoud te voorzien (verweerschrift onder 20). Het hof heeft blijkens rov. 5.6 acht geslagen op de stellingen van de vrouw dat zij sinds 2009 15 uur per week bij Leonidas werkt, dat zij 62 jaar is, dat zij op haar huidige baan na geen recente werkervaring heeft, en dat zij haar leven in het teken heeft gesteld van haar gezin en de man is gevolgd in zijn baan naar het buitenland. Het hof heeft vervolgens in rov. 5.7 geoordeeld dat gezien de leeftijd van de vrouw en haar gebrek aan opleiding en werkervaring niet te verwachten valt dat zij binnen afzienbare tijd in staat is zich in redelijkheid meer inkomsten te verwerven om te kunnen voorzien in haar behoefte dan zij thans doet, zodat dit ook niet van haar kan worden verlangd.
onder 9berust op de lezing dat het hof in rov. 5.5 de man heeft aangerekend dat hij sinds april 2013 geen alimentatie meer heeft betaald en klaagt dat het hof in dat geval ten onrechte die omstandigheid mede aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd. Daartoe wordt aangevoerd dat het stoppen van de betaling zijn grondslag vond in de beschikking van de rechtbank Utrecht d.d. 3 april 2013 waarin was geoordeeld dat de onderhoudsverplichtingen van de man jegens de vrouw per 12 oktober 2010 zijn geëindigd in verband met het feit dat zij samenwoonde met een ander als ware zij gehuwd.
onder 12-14dat het hof voorbij is gegaan aan de essentiële stellingen van de man dat zijn privévermogen reeds verdampt is, dat hij geen hypotheek kan verkrijgen voor de aankoop van een woning zolang het echtscheidingsconvenant nog van kracht is en dat hij na beëindiging van de alimentatieverplichting ook slechts een beperkte hypotheek zal kunnen verkrijgen, als gevolg waarvan hij genoodzaakt is geld te lenen van zijn stamrechtvennootschap om de aankoop van een woning samen met zijn partner te financieren.
voortsdat het hof niet voorbij had mogen gaan aan de stellingen van de man dat door zijn ontslag bij [A] een pensioengat is ontstaan, dat een bedrag van € 472.800,- nodig zou zijn om dat pensioengat te dichten, dat dan van de ontslagvergoedingen die in de stamrechtvennootschap zijn gestort nog maar een bedrag van € 100.000,- zou resteren en dat gelet op het feit dat de man sinds 2009 al meer dan € 130.000,- uit zijn stamrechtvennootschap en uit Puro Consult heeft opgenomen ter aanvulling op zijn inkomen, het niet meer redelijk is om van hem te vergen dat hij doorgaat met die aanvullingen.
onder 15berust op de lezing dat het hof met zijn oordeel de pensioenvoorziening voor de man ondergeschikt heeft geacht aan de onderhoudsverplichtingen tegenover de vrouw en klaagt dat dit oordeel rechtens onjuist dan wel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.