Conclusie
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”, 2 “
medeplegen van zware mishandeling”, 3 tweede cumulatief/alternatief “
poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” en 4 en 5 telkens “
opzetheling”, werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek zoals bedoeld in art. 27 Sr Pro. Bij dat vonnis werden verder beslissingen ten aanzien van vorderingen van benadeelde partijen genomen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander zoals nader in het vonnis omschreven.
eerstemiddel behelst de klacht dat het onder 2 bewezen verklaarde “
zwaar lichamelijk letsel” niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, althans onvoldoende is gemotiveerd.
NJ2000/510). Uw Raad is blijkens hetzelfde arrest van oordeel ‘dat de beantwoording van de vraag of zeker letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, in belangrijke mate is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, en dat zijn oordeel dienaangaande in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst. Zo zal de cassatierechter kunnen ingrijpen indien uit de bestreden beslissing niets blijkt omtrent de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel’. [6]
NJ2001/620. Aldus zou de bewezenverklaring niet naar behoren met redenen zijn omkleed.
zwaar” lichamelijk letsel. [7]
- een jukbeenfractuur, waarbij uit een geneeskundige verklaring van de kaakchirurg bleek dat hij het jukbeen onder volledige narcose had gereponeerd, vervolgens had gefixeerd met een 4-gats titanium plaat en de genezingsduur op twee maanden werd gesteld; (HR 28 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1594 (art. 81 RO Pro));
- het slachtoffer had zijn neus op verschillende plaatsen gebroken en werd daaraan diezelfde avond geopereerd (HR 16 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF1235 (art. 81 RO Pro));
- het slachtoffer had een gebroken neus opgelopen, waarbij de genezingsduur geschat werd op zes weken. Ter zitting verklaarde hij twee maal aan zijn neus te zijn geopereerd, een periode van drie à vier weken door het incident niet te hebben kunnen werken en in de Ziektewet te hebben gezeten alsmede tot dat moment last en/of pijn aan zijn neus te ervaren (HR 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2432 (art. 81 RO Pro));
- een gecompliceerde neusfractuur; na twee manuele pogingen om de neus recht te zetten bleek chirurgisch ingrijpen noodzakelijk en was sprake van definitieve beschadiging van de neusslijmvliezen (HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:1865 (art. 81 RO Pro));
- een gebroken oogkas ten gevolge waarvan bij het slachtoffer verminderd zicht aan het linker oog werd geconstateerd en sprake was van een beschadigd netvlies (HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:862 (art. 81 RO Pro));
- uit de geneeskundige verklaring bleek een meervoudige kaakbreuk; daarvoor was een kaakchirurgische behandeling noodzakelijk (HR 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:2137 (art. 80a));
- een dubbelzijdige kaakbreuk, waardoor het slachtoffer meerdere malen een operatie diende te ondergaan, zijn kaken gedurende zes weken gefixeerd werden en hij ter terechtzitting nog een metalen plaat in zijn kaak had zitten (HR 14 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3795 (art. 81 RO Pro));
- het slachtoffer liep een gebroken en scheefstaande neus op ten gevolge waarvan hij binnen een week onder algehele narcose werd geopereerd. Het slachtoffer gaf verder aan veel pijn te hebben gehad aan het gezicht, drie weken niet naar school te zijn geweest, zes weken niet te hebben kunnen sporten en tien weken last te hebben gehad van hoofdpijnklachten (HR 20 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:603 (art. 81 RO Pro)).
NJ2001/620 was bewezen verklaard dat het slachtoffer ‘zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en een afgebroken voortand heeft bekomen’. Uit de bewijsmiddelen bleek dat een tandarts had vastgesteld dat het noodzakelijk was een kroon op de voortand te bevestigen. Uw Raad overwoog dat ‘s hofs oordeel dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel had bekomen niet zonder meer begrijpelijk was, ‘in het bijzonder gelet op de omstandigheid dat de gebezigde bewijsmiddelen voor wat betreft de gebroken neus van het slachtoffer niets inhouden omtrent de aard van de breuk, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel’. Daar kan uit worden afgeleid dat de vaststellingen inzake de afgebroken voortand de bewezenverklaring van zwaar lichamelijk letsel niet zonder meer konden dragen. Ik sluit mij daar bij de beoordeling van de voorliggende zaak bij aan. Wat de aard van het letsel betreft staat een afgebroken voortand niet op één lijn met vormen van letsel die blijkens de wetsgeschiedenis en rechtspraak zwaar lichamelijk letsel kunnen opleveren. Wat de noodzaak en aard van medisch ingrijpen alsmede het uitzicht op (volledig) herstel betreft kan met Machielse worden aangenomen dat de toename van de mogelijkheden van de tandheelkunde heeft geleid tot een afname van de gevallen waarin letsel aan het gebit nog zwaar lichamelijk letsel kan opleveren. [19]
NJ2014/530 volgt dat Uw Raad van oordeel was dat het door de raadsman aangevoerde (het verwijderen van een tatoeage zou naar de thans geldende stand van de techniek relatief pijnloos zijn en na verwijdering zou de kans bestaan op volledig herstel) niet in de weg stond aan het aannemen van zwaar lichamelijk letsel, mede gelet op de door het hof ‘als gevoelige plaatsen aangemerkte delen van het lichaam waarop de tatoeages zijn geplaatst, en in aanmerking genomen dat de tatoeages zonder medisch ingrijpen blijvend zullen zijn’. Wellicht mag uit dit arrest meer in het algemeen worden afgeleid dat, naar het oordeel van Uw Raad, van zwaar lichamelijk letsel sprake is als het letsel zonder medisch ingrijpen (naar zijn aard) zwaar lichamelijk letsel oplevert, en dat dit slechts anders ligt wanneer het letsel door een gebruikelijke, in het algemeen geestelijk en lichamelijk als weinig belastend ervaren operatie hersteld kan worden. Een tandheelkundige hersteloperatie kan (in het geval van zwaar lichamelijk letsel sprake is) in beginsel als zo’n operatie worden aangemerkt, een onder volledige narcose uitgevoerde jukbeen- of kaakoperatie naar het mij voorkomt niet.
tweedemiddel klaagt over de bewezenverklaring van “
opzetheling van de kentekenplaten” (feit 5).
“een bewezenverklaring voor opzetheling van een auto zegt niet iets over de gedachten van requirant met betrekking tot de kentekenplaten”.
weten” dat een goed door misdrijf is verkregen in de zin van deze bepaling is voorwaardelijk opzet begrepen. [30] Voorwaardelijk opzet in dit verband vereist blijkens rechtspraak van Uw Raad de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat een goed van misdrijf afkomstig is. Daarbij zal het moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. [31]
derdemiddel aangeduide klacht komt op tegen de bewezenverklaring van “
het medeplegen van poging tot afpersing” (feit 3, tweede cumulatief/alternatief) op de grond dat “
dit niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid”.