Conclusie
Het cassatieberoep
Feiten en achtergronden
De cassatiemiddelen
eerste middelbehelst de klacht dat de bewezenverklaring onder 1 primair en 2 primair ten aanzien van het opzet onvoldoende met redenen is omkleed. De steller van het middel voert daartoe aan dat de rechtbank haar oordeel dat bij de verdachte sprake was van voorwaardelijk opzet ten onrechte heeft gebaseerd op omstandigheden die zich hebben voorgedaan ruim voordat het ongeval heeft plaatsgevonden en niet op omstandigheden ten tijde van het ongeval. De vaststellingen dat de verdachte ’s nachts onder invloed van alcohol, na het krijgen van een waarschuwing en zonder geldig rijbewijs op een “80 kilometerweg” is gaan rijden, zijn volgens de steller van het middel onvoldoende om aan te nemen dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zo zeer gericht op een dodelijk ongeval dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard. Volgens hem is veeleer sprake van bewuste schuld.
tweede middelbehelst de klacht dat het hof niet in zijn beoordeling heeft betrokken dat de verdachte zelf ook levensgevaar heeft gelopen en het onwaarschijnlijk is dat hij de kans op het verlies van zijn eigen leven ook op de koop toe heeft genomen.
De bewijsvoering
Aan de bespreking van de middelen voorafgaande beschouwingen
NJ2004,323. Ten laste van de verdachte was doodslag bewezen verklaard. In deze zaak had de verdachte in zijn auto, een zware terreinwagen, gereden nadat hij in de loop van de middag en de avond ongeveer veertig glazen bier had gedronken. Het hof stelde vast dat de verdachte op zeer gevaarzettende wijze had gereden. Met onverminderde snelheid had hij het slachtoffer, dat deel uitmaakte van een groepje van drie fietsers, doodgereden. Het hof overwoog in een nadere bewijsoverweging ten aanzien van het voorwaardelijk opzet van de verdachte op de dood van het slachtoffer het volgende:
Uit de wijze van rijden van de verdachte met zijn zware terreinauto kan bezwaarlijk anders volgen dan dat hij zich niet heeft bekommerd om de mogelijke gevolgen daarvan voor andere verkeersdeelnemers, meer in het bijzonder zwakkere weggebruikers, zoals fietsers. Dat vindt bevestiging in de omstandigheid dat de verdachte, voordat hij ging rijden, dermate veel alcohol had gedronken dat hij absoluut niet meer in staat moest worden geacht zijn auto naar behoren te besturen. De verdachte heeft zich aldus door zijn wijze van rijden willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zijn handelen de dood van het slachtoffer tot gevolg zou hebben. Die gedachtegang geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl zij evenmin onbegrijpelijk is.”
Bespreking van de middelen
het eerste middelwordt betoogd dat in de bestreden uitspraak de omstandigheden tijdens het ongeval bij het beoordelen van het voorwaardelijk opzet ten onrechte buiten beschouwing zijn gelaten. De omstandigheden dat de verdachte ’s nachts onder invloed van alcohol en zonder geldig rijbewijs heeft gereden, nadat hij was gewaarschuwd, kunnen het bewijs van het voorwaardelijk opzet volgens hem niet dragen. De steller van het middel betoogt dat veeleer sprake is van bewuste schuld.
tweede middelbehelst de klacht dat het hof niet in zijn beoordeling heeft betrokken dat de verdachte zelf ook levensgevaar heeft gelopen en het onwaarschijnlijk is dat hij de kans op het verlies van zijn eigen leven ook op de koop toe heeft genomen. De steller van het middel betoogt dat een auto en een motor gelijkwaardige verkeersdeelnemers zijn.