Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal cassatieberoep
ookde vermogensvermeerdering die is ontstaan door belegging van hetgeen uit overgespaarde inkomsten is bespaard maar onverdeeld gebleven, in de verrekening wordt betrokken (tenzij bij huwelijkse voorwaarden anders is overeengekomen). De leer is ontwikkeld in de jurisprudentie van Uw Raad [7] en neergelegd in de wettelijke regeling inzake verrekenbedingen van afdeling 2 van titel 8 van Boek 1 BW (art. 1:132–1:143 BW). [8] Art. 1:136 lid 1 BW Pro bepaalt: “Indien een goed onder aanwending van te verrekenen vermogen is verkregen, wordt het verkregen goed tot het te verrekenen vermogen gerekend voor het aandeel dat overeenkomt met het bij de verkrijging uit het te verrekenen vermogen aangewende gedeelte van de tegenprestatie gedeeld door de totale tegenprestatie. Indien een echtgenoot in verband met de verwerving van een goed een schuld is aangegaan, wordt het goed op de voet van de eerste volzin tot het te verrekenen vermogen gerekend voor zover de schuld daartoe wordt gerekend of daaruit is afgelost of betaald.” In dit verband wordt gesproken van de evenredigheidsmaatstaf van art. 1:136 BW Pro. Art. 1:141 BW Pro, dat uitsluitend geldt voor niet nagekomen
periodiekeverrekenbedingen, bepaalt in het eerste lid dat indien een verrekenplicht betrekking heeft op een in de huwelijkse voorwaarden omschreven tijdvak en over dat tijdvak niet is afgerekend, de verplichting tot verrekening over dat tijdvak in stand blijft en dat deze zich uitstrekt over het saldo, ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet verrekend is, alsmede over de vruchten daarvan. Deze bepalingen hebben ingevolge de overgangsbepaling van art. IV lid 1 onmiddellijke werking ten aanzien van huwelijkse voorwaarden die niet uitsluitend een finaal verrekenbeding bevatten.
nietinhoudt dat, wanneer de aan de echtgenoten in privé toebehorende, buiten de verdeling blijvende goederen geen inkomsten hebben opgeleverd maar tijdens het bestaan van het huwelijk wel in waarde zijn gestegen, een (periodiek) verrekenbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aldus zou moeten worden uitgelegd dat (ook) zodanige waardestijgingen moeten worden verrekend als waren zij voortgekomen uit overgespaarde inkomsten.
Onderdeel 1.1stelt voorop dat het hof in rov. 4.7 van de tussenbeschikking van 8 november 2016 heeft geoordeeld dat in de zaak die heeft geleid tot de hiervoor in 2.3 weergegeven beschikking van 10 juli 2009
uitsluitendde verrekening van de met overgespaard inkomen gefinancierde polis (kapitaalverzekering) aan de orde was en dat Uw Raad daarover heeft beslist “dat het bedrag dat tussen partijen moet worden verrekend, kan worden bepaald door de waarde van de kapitaalverzekering op de peildatum te delen door het totaalbedrag dat gevormd wordt door de waarde van de woning voor de verbouwing en het bedrag van de hypothecaire lening waarmee de verbouwing is gefinancierd, en het resultaat daarvan te vermenigvuldigen met de waarde van de woning op de peildatum”. Het hof heeft vervolgens in rov. 4.8 overwogen dat deze rekenmethodiek “volgens vaste rechtspraak (in beginsel) tevens geldt voor uit overgespaard inkomen gefinancierde verbouwingen, aflossingen en - mogelijk - rentebetalingen op een hypothecaire geldlening voor zover deze geen betrekking heeft op de echtelijke woning”. [13] Het onderdeel klaagt dat deze opvatting voor (i) de aflossingen gedaan op de voorhuwelijkse schulden van de vrouw (schulden bij de moeder van de vrouw en de moeder van de man), (ii) de betaalde rente die betrekking heeft op het zakelijk deel en (iii) de aan aflossing gelijk te stellen premiebetalingen/waarde kapitaalverzekeringen onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd is. De klacht wordt toegelicht in de onderdelen 1.1.1 en verder.
Onderdeel 1.1.2schetst in algemene zin de beleggingsleer. In
onderdeel 1.1.3worden kort de visies en verschillende opvattingen weergegeven die hebben bestaan over de vraag of en, zo ja, op welke wijze de beleggingsleer van toepassing is indien staande huwelijk uit overgespaarde inkomsten wordt afgelost op de hypothecaire lening die is afgesloten ter financiering van de verkrijging van de woning die tot het privévermogen van één der echtgenoten behoort. De onderdelen
1.1.4 t/m 1.1.6gaan specifiek in op de Conclusie van De Vries Lentsch-Kostense vóór de beschikking van 10 juli 2009.
Onderdeel 1.1.4stelt dat De Vries Lentsch-Kostense in punt 14 van haar Conclusie schrijft dat naar haar mening als uitgangspunt moet worden aangenomen dat het aan de - tijdens het huwelijk gedane - aflossingen toe te rekenen gedeelte van de waardestijging die de woning sedert de huwelijksdatum heeft doorgemaakt, in de verrekening moet worden betrokken, en dat Uw Raad deze regel heeft overgenomen in rov. 4.2.3 van de beschikking van 10 juli 2009.
Onderdeel 1.1.5geeft vervolgens weer hoe deze regel volgens De Vries Lentsch-Kostense moet worden uitgewerkt:
onderdeel 1.1.6wordt geschetst hoe De Vries Lentsch-Kostense is ingegaan op de bijzonderheden van de zaak die heeft geleid tot de beschikking van 10 juli 2009, te weten dat de woning in kwestie vrij van hypotheek door de man ten huwelijk was aangebracht, dat er tijdens het huwelijk een hypothecaire lening was afgesloten met het oog op een verbouwing én dat aan deze lening een kapitaalverzekering was gekoppeld waarvan de premies uit overgespaard inkomen waren betaald. Het onderdeel stelt dat de Conclusie van De Vries Lentsch-Kostense uitmondt in een berekeningsmethodiek (onder punt 30) die Uw Raad in rov. 4.3.2 van de beschikking van 10 juli 2009, hiervóór weergegeven in 2.3, heeft overgenomen.
niet, zoals in de onderhavige zaak, op de aflossingen op de schulden waarmee de verwerving van de woning is gefinancierd. Indien en voor zover het hof zou hebben geoordeeld dat zich in deze zaak het geval voordoet dat de globale methode tot een “onaanvaardbaar resultaat” leidt, klaagt het onderdeel dat het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd is, nu het geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang die tot dat oordeel heeft geleid.
bedrijfsmatige deelvan [a-straat 1] . Het hof heeft partijen in rov. 4.17 van de tussenbeschikking van 8 november 2016 voorgesteld om de zaak te beslechten door het maken van een relatief eenvoudige berekening, te weten de berekening die is gehanteerd in het arrest van Uw Raad van 25 april 2008. Partijen hebben met dit voorstel uitdrukkelijk niet ingestemd. Derhalve stond het hof voor de vraag welke berekeningswijze
welmoet worden gehanteerd. Het hof heeft daarbij verschillende (globale) periodes onderscheiden waarbij een nieuwe periode blijkens rov. 4.12 van de tussenbeschikking van 8 november 2016 aanvangt bij een (langdurige) verbouwing die heeft plaatsgevonden. De tijdvakken waarin de verbouwingen hebben plaatsgevonden lopen niet (helemaal) parallel met de momenten waarop aflossingen zijn gedaan en waarop nieuwe hypothecaire geldleningen zijn afgesloten. Bij zóveel verschillende momenten is het ondoenlijk om berekeningen te maken waarbij rekening wordt gehouden met alle momenten waarop een nieuw gegeven zich aandient. In zoverre kunnen berekeningen die worden gemaakt in complexe zaken als de onderhavige per definitie geen maatwerk opleveren. Het komt daarbij steeds aan op een berekening die zoveel als mogelijk is rekening houdt met de wijzigingen die zich in een bepaalde periode hebben voorgedaan. Dat een (grote) verbouwing daarbij als een (slot)moment wordt aangemerkt, acht ik niet onbegrijpelijk, nu daarvoor veelal financiering nodig is die langs verschillende wegen kan worden verkregen. Dat vervolgens
per periodeeen rekenmethodiek wordt aangehouden die neerkomt op: de (geschatte) investering uit overgespaard inkomen gedeeld door de totale investeringen, vermenigvuldigd met de waarde op
eenaan het slot van
eenperiode vastgestelde peildatum, acht ik niet onjuist. Een dergelijke methodiek houdt namelijk rekening met een hoeveelheid gebeurtenissen binnen een bepaalde periode.
onderdeel 1.1.9het volgende aangevoerd met betrekking tot de rente:
onderdeel 1.1.10het volgende aangevoerd met betrekking tot de waarde van de polissen/kapitaalverzekeringen, die het hof voor het eerst in aanmerking heeft genomen vanaf het moment van de herfinanciering in 1997 bij ABN AMRO:
Onderdeel 1.2neemt tot uitgangspunt dat het hof in zijn tussenbeschikking van 8 november 2016 van oordeel is dat de in de hiervoor genoemde beschikking van Uw Raad van 10 juli 2009 aangereikte rekenmethodiek is aan te merken als een “harde subregel” die onder alle omstandigheden, ook onder omstandigheden die zich in deze zaak voordoen, toegepast
moetworden. Het onderdeel klaagt dat het hof in dat geval heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het hof heeft geoordeeld dat de door hem gehanteerde methodiek het meest aangewezen is, ook voor een situatie als de onderhavige, is dat oordeel volgens het onderdeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk. Het onderdeel betoogt dat ook de tussenbeschikking van 1 augustus 2017 niet in stand kan blijven, nu deze geheel voortbouwt op de door het hof in zijn eerste tussenbeschikking gekozen rekenmethodiek, en het komt daarnaast op tegen de rechtsoverwegingen 2.5 en 2.7 van de eindbeschikking van 3 juli 2018. Onderdeel 1.2 wordt toegelicht in de onderdelen 1.2.1 e.v.
onderdelen 1.2.1 t/m 1.2.4stellen voorop dat Uw Raad in de beschikking van 10 juli 2009, deels onder verwijzing naar eerdere rechtspraak, de volgende drie “harde subregels” heeft geformuleerd:
nietpassend zou zijn. Het onderdeel expliciteert niet hoe het hof die feiten en omstandigheden precies in zijn beoordeling had moeten betrekken en tot welke slotsom dit dient te leiden. Het onderdeel stelt dat de man in de procedure heeft voorgesteld om het gehele aanwezige vermogen (inclusief privévermogen) af te rekenen alsof partijen in gemeenschap van goederen waren gehuwd. Voor zover het onderdeel betoogt dat de feiten en omstandigheden die het opsomt tot geen andere conclusie kunnen leiden dan dat bij het einde van het huwelijk bij helfte moet worden verdeeld, ziet het eraan voorbij dat partijen ervoor hebben gekozen om op huwelijkse voorwaarden met een Amsterdams verrekenbeding te trouwen. In haar verweerschrift stelt de vrouw als volgt dat de door het hof en de deskundige vastgestelde cijfers een ander beeld laten zien dan het onderdeel doet voorkomen:
onderdeel 1.2.7, dat zich richt tegen de tussenbeschikking van 1 augustus 2017, uitsluitend voort op de voorgaande klachten.
1.2.8 t/m 1.2.10keren zich tegen het hiervoor in 1.27 weergegeven oordeel in rov. 2.5 van de eindbeschikking dat het hof geen reden ziet om terug te komen van zijn bindende eindbeslissingen in de tussenbeschikking van 6 november 2016 inzake de berekeningswijze en van de in de tussenbeschikking van 1 augustus 2017 bepaalde vraagstelling aan de te benoemen deskundige Van der Waaij.
Onderdeel 1.2.8bouwt uitsluitend voort op de voorgaande klachten.
Onderdeel 1.2.9stelt dat de man steeds een rekenmethodiek heeft bepleit in lijn met het hiervoor in 2.4 genoemde arrest [.../...] .
Onderdeel 1.2.10stelt dat dhr. Breederveld in zijn notitie aan de man, overgelegd als productie 142 bij de akte van 19 februari 2018, heeft gewezen op de bijzondere omstandigheden van de onderhavige zaak en de relevante juridische verschillen “met de door het hof kennelijk tot uitgangspunt genomen beschikking van Uw Raad van 10 juli 2009”. [25] Volgens het onderdeel had de analyse van dhr. Breederveld het hof tot het inzicht moeten brengen dat aan de gekozen rekenmethodiek “zo veel fouten en onnauwkeurigheden kleven dat deze methode leidt tot een onjuiste toepassing van de beleggingsleer” en dat het hof “om die reden dus wel had moeten terugkomen van zijn eerdere (eind)beslissing”, temeer nu in de notitie een rekenmethodiek is aangereikt “die op basis van de beschikbare gegevens kon worden uitgevoerd die wél leidt tot een redelijk resultaat”. Het onderdeel betoogt in wezen opnieuw dat de door het hof gehanteerde rekenmethodiek onjuist is. Bij de bespreking van de vorige klachten kwam naar voren dat het hof in deze (complexe) zaak een aantal periodes heeft onderscheiden waarbij een nieuwe periode steeds aanvangt bij een (langdurige) verbouwing die heeft plaatsgevonden, en dat de gehanteerde methode naar mijn mening niet onjuist is. Het onderdeel kan tegen die achtergrond evenmin tot cassatie leiden.
met bedrijfswoningheeft en dat er in het rapport ook geen rekening is gehouden met ‘woonbestemming’, aangezien deze bestemming nimmer op de onroerende zaak heeft gezeten. Dat deze bestemming ook nooit op het complex is komen te rusten, volgt ook uit de randnummers 11 en 12 van het beroepschrift, waar wordt opgemerkt dat er een bestemmingswijziging is verkregen voor een woonfunctie “in de vorm van een bedrijfswoning” en dat er in 1997 “een (bedrijfs)woning” is gerealiseerd door een ingrijpende verbouwing. In andere woorden: het gaat om een bedrijfswoning. Dit heeft de deskundige niet miskend.
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het incidenteel cassatieberoep
ter zake van het bedrijfsmatige deelvan [a-straat 1] , evenals de verbouwingen en aflossingen, is te beschouwen als investering in [a-straat 1] . Het onderdeel doet een beroep op het arrest [.../...] , hiervoor genoemd in 2.4. Daarin is onder meer geoordeeld dat de rentebetalingen, waar het de echtelijke woning betreft, kosten van de huishouding zijn die niet als onverteerd vermogen voor verrekening in aanmerking komen. Het onderdeel doet een beroep op dat oordeel. Het hof heeft het in de bestreden passage evenwel over de rentebetalingen ter zake van het
bedrijfsmatige deelvan [a-straat 1] . Het hiervoor weergegeven oordeel in [.../...] is daarop niet van toepassing. Het oordeel dat de rentebetalingen in dit geval voor verrekening in aanmerking komen is niet onjuist in het licht van hetgeen Uw Raad heeft overwogen in het eveneens hiervoor in 2.4 genoemde arrest [.../...] . Daarin ging het om staande huwelijk door de man verworven aandelen in besloten vennootschappen waarin het bedrijf en het pensioen van de man waren ondergebracht. De aandelen waren gefinancierd met geleend geld. Uw Raad heeft toen overwogen dat niet alleen de aflossingen op de hoofdsom van de geldlening, voor zover voldaan uit overgespaard inkomen, maar ook rente en andere kosten in de beschouwing dienen te worden betrokken. Deze regel is herhaald in [.../...] , zij het met de hiervoor weergegeven uitzondering waar het de echtelijke woning betreft. Het oordeel van het hof is evenmin onbegrijpelijk. De verwijzing naar de hiervoor meermaals aangehaalde uitspraak van Uw Raad van 10 juli 2009 en de in 2.4 genoemde uitspraak van 19 november 2010 gaat niet op, nu het daar om geheel andere situaties ging. Het onderdeel werkt de klacht op dit punt naar mijn mening ook niet genoegzaam uit. De slotsom is dat het onderdeel niet tot cassatie kan leiden.
Stamrecht
een verknocht goedwas in de zin van art. 1:94 lid 3 BW Pro. Vaststond dat de man zijn aanspraak op periodieke uitkeringen niet had verzilverd. Uw Raad overwoog als volgt:
verrekeningmoet worden betrokken, is het allereerst van belang om na te gaan of dat geldbedrag valt onder het inkomensbegrip zoals dat is gedefinieerd in de huwelijkse voorwaarden. Indien bijvoorbeeld het inkomensbegrip in de huwelijkse voorwaarden strikt is gedefinieerd als ‘inkomsten uit vermogen’, dan is duidelijk dat een ontvangen ontslagvergoeding niet in de verrekening hoeft te worden betrokken. Of die ontslagvergoeding vervolgens wordt ingebracht in een stamrecht-bv is dan verder niet van belang.
netto-inkomen(inkomen onder aftrek van de daarover verschuldigde belasting, enz.), onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding, overblijft, onderling te verrekenen, zou dat betekenen dat de netto-ontslagvergoeding aan het eind van het kalenderjaar waarin belasting is betaald
geheelvoor verrekening in aanmerking zou komen.
besteedbaarinkomen” en er nog geen stamrechtuitkering had plaatsgevonden, dat de aanspraken van (in die zaak:) de man geheel als privévermogen waren aan te merken en geen deel uitmaken van het tussen hem en de vrouw te verrekenen vermogen. [33] Zie ook hof Den Bosch 26 februari 2003, ECLI:NL:GHSHE:2003:AF6150, waarin als volgt is overwogen:
daaromniet voor verrekening in aanmerking komt. Op het tegen dit oordeel door de vrouw gerichte grief oordeelde het hof als volgt:
diebenadering niet juist is. De klacht dat het hof ten onrechte bepalend heeft geacht in hoeverre het stamrecht tijdens het huwelijk (tot de peildatum) tot uitkering is gekomen slaagt, zij het dat die niet het door het onderdeel beoogde resultaat heeft. Na verwijzing dient de zaak op het punt van het stamrecht van de man naar mijn mening te worden afgewikkeld conform de lijn van het hof Den Bosch in de hiervoor in 3.14 weergegeven beschikking.