Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal cassatieberoep
onderdeel 1zien op de beoordeling van de incidentele vordering van Kennemerland Beheer in rechtsoverwegingen 4.2 tot en met 4.4. Die overwegingen luiden:
geheleKroondossier aan de onteigeningsrechter moet worden overgelegd, omdat de rechterlijke toetsing van het onteigenings-KB anders niet behoorlijk kan worden uitgevoerd. Volgens haar volstond niet dat de Gemeente het volledige bij de Kroon aangeleverde dossier had overgelegd en ook alle (direct en indirect) met de Kroon gewisselde correspondentie. Voor dit standpunt beroept Kennemerland Beheer zich op art. 843a respectievelijk 22 Rv, art. 6 EVRM Pro en art. 3:2 respectievelijk Pro 8:42 Awb.
petitio principii, inhoudende dat de onteigenaar in álle gevallen het gehéle Kroondossier aan de onteigeningsrechter dient over te leggen.
volledigeKroondossier zag, geldt het volgende. Uit rechtsoverwegingen 4.2 (tweede helft), 4.3 en 4.4 volgt dat de rechtbank onder ogen heeft gezien dat de incidentele vordering van Kennemerland Beheer op meer stukken betrekking heeft dan door de Gemeente was overgelegd. In zoverre heeft de rechtbank die vordering op
inhoudelijkegronden afgewezen. Op zichzelf is uiteraard juist dat een niet-ontvankelijkverklaring daarbij niet goed past, maar bij een klacht volgens welke de rechtbank de vordering aan haar had moeten ontzeggen in plaats van haar niet-ontvankelijk te verklaren, heeft Kennemerland Beheer uiteraard geen belang. Ten overvloede nog: uit de overwegingen van de rechtbank is voldoende duidelijk dat wat betreft de niet door de Gemeente overgelegde stukken de rechtbank aan Kennemerland Beheer haar vordering heeft ontzegd; zoals gezegd heeft zij die vordering immers op inhoudelijke gronden afgewezen; de formulering naar de letter als een niet-ontvankelijkheid in rechtsoverweging 4.2 en ook in het dictum onder 5.2, doet hieraan niet af.
Subonderdelen 2.2 en 2.3bouwen hierop voort. De klacht onder 2.2 begrijp ik aldus dat de rechtbank heeft miskend dat de onteigeningsrechter geen ruimte toekomt verschillende bestemmingsplannen te interpreteren en op basis daarvan een afweging te maken tot welke uitleg met betrekking tot de geldende bestemming moet worden gekomen. De steller van het middel betoogt dat de opvatting van de rechtbank de ongewenste consequentie heeft dat voor het vaststellen van de bestemming steeds niet alleen de planregels van het vigerende bestemmingsplan, maar tevens die uit (een) voorgaand(e) bestemmingsplan(nen) dienen te worden geraadpleegd. Onder 2.3 wordt betoogd dat de beslissing van de rechtbank onvoldoende begrijpelijk is, omdat zij (1) niet voldoende heeft toegelicht waarom de hiervoor vermelde rechtsregel niet van toepassing zou zijn, althans die beslissing (2) op een onbegrijpelijke uitleg van de rechtspraak van de Afdeling berust.
nietautomatisch een eerder vastgesteld en onherroepelijk geworden bestemmingsplan. [7]
enigesteun bieden aan het standpunt dat Kennemerland Beheer in dit geding inneemt. Het bestemmingsplan 1e herziening bevat niet een schakelbepaling in de door de Afdeling bedoelde zin. Volgens de rechtspraak van de Afdeling is dit in verband met het rechtszekerheidsbeginsel wél vereist.
nadersteun biedt, althans wat betreft zijn interpretatie van het geldende recht. [15] De annotator spreekt immers van ‘de juridische aanname’ dat bij de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan, het voorheen geldende plan voor het betrokken plangebied zijn gelding verliest (behoudens de werking van schakelbepalingen). Intussen lijkt me ook duidelijk dat Nijmeijer met die aanname niet onverkort gelukkig is (‘dat is natuurlijk niet de bedoeling’). Hij prefereert het stelsel van de aanstaande Omgevingswet, omdat in dat stelsel het vergeten van een of meer planregels niet langer desastreuze gevolgen heeft.
categorischtot gevolg heeft dat met de vaststelling van een nieuwe bestemmingsplan het oude zijn gelding heeft verloren, dan ontvalt aan de onteigening inderdaad de planologische grondslag. Maar dat is mij te eenvoudig. Bij de interpretatie van iedere rechterlijke beslissing, ook die van een hoogste rechter, geldt dat in het oog moet worden gehouden dat daarin een concreet geval is beslist. Dit geldt ook voor de rechtspraak van de Afdeling. Zelfs in het precedentenstelsel van de Anglo-Amerikaanse rechtsfamilie geldt dat afwijkende kenmerken van een nieuwe zaak tot
distinguishing interpretationkunnen leiden, waarmee een precedent dat op het eerste gezicht vanzelfsprekend van toepassing lijkt, dat bij nader inzien toch niet is. Welnu, afwijkende kenmerken van de voorliggende zaak ten opzichte van de door de Afdeling besliste zaken waarop Kennemerland Beheer zich beroept, zijn er mijns inziens in diverse opzichten. Intussen zijn er meer uitspraken van de Afdeling, die hetzelfde lijken te zeggen. Ook die zal ik daarom in mijn beschouwingen betrekken.
gedragsnormvoor de gemeenteraad als planregelgever bij het opstellen van ruimtelijke plannen, welke gedragsnorm onduidelijkheid over het toekomstige planologische regime moet voorkomen. In deze laatste categorie van uitspraken, lijkt de Afdeling ook steeds zorgvuldig te bewaken dat bij het herstel van wat in strijd met de bedoelde gedragsnorm heeft plaatsgevonden, niet de door Nijmeijer (hiervoor 3.21) bedoelde desastreuze gevolgen intreden. Dat lijkt mij alleszins terecht: in een dichtbevolkt land als Nederland beschermt het planologisch regime een veelvoud van wezenlijke belangen; het onbedoeld wegvallen van dat regime heeft inderdaad potentieel
desastreuzegevolgen. [19]
schijntweliswaar steun te vinden in de rechtspraak van de Afdeling, maar behoort toch niet te worden aanvaard. Wat Kennemerland Beheer bepleit is een mechanische toepassing van het uitgangspunt dat door het in werking treden van een bestemmingsplan aan een eerder bestemmingsplan de werking wordt ontnomen. Dat uitgangspunt functioneert in de rechtspraak van de Afdeling in een wezenlijk andere context dan in de zaak zoals die voorligt. Mijns inziens heeft de rechtbank terecht onderzocht of redelijkerwijs misverstand mogelijk was over de bedoeling van de gemeenteraad om wat betreft het perceel van Kennemerland Beheer de in het bestemmingsplan Badhoevedorp Lijnden-Oost opgenomen bestemming te handhaven. De door Nijmeijer (hiervoor 3.21) bedoelde desastreuze gevolgen kunnen en mogen worden vermeden in gevallen waarin de rechtszekerheid niet werkelijk in het geding is.
onderdeel 4en
onderdeel 5richten zich tegen de beslissing van de rechtbank in rechtsoverweging 4.22 dat de Kroon in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat het beroep van Kennemerland Beheer op zelfrealisatie niet slaagt. Naast die overweging, citeer ik ook de daaraan voorafgaande rechtsoverwegingen 4.17 tot en met 4.21:
Hertogin Hedwigepolder I. [24]
Hertogin Hedwigepolder Idoor de waarnemend Advocaat-Generaal juist een intensivering van de door de onteigeningsrechter aan te leggen toets was bepleit in gevallen van, kort gezegd, een zelfrealisatieverweer. [25] Uw Raad is hierin echter niet meegegaan; in plaats daarvan zegt het arrest het volgende:
Hertogin Hedwigepolder Iis in de literatuur kritisch ontvangen en (2) na het wijzen van het arrest is gebleken dat in het toekomstige stelsel van de Aanvullingswet grondeigendom van een volle toetsing sprake zal zijn.
Hertogin Hedwigepolder Iin de literatuur kritisch is ontvangen, verwijst de steller van het middel welgeteld naar één bron: de NJ-annotatie bij het arrest van E.W.J. de Groot. Uit zijn schriftelijke toelichting volgt dat hij het oog heeft op het slot van die annotatie:
sympathiseertmet de opvatting van waarnemend Advocaat-Generaal Van Oven. Eerlijk gezegd kan ik er niet meer van maken dan dit. De Groot presenteert ons vooral retorische vragen en ook zijn stellende zinnen zijn zeer voorzichtig geformuleerd (‘Ik meen… dat daar vraagtekens bij te stellen zijn’; ‘lijkt een volle toets… gewenst’).
Hertogin Hedwigepolder Iwat betreft de kwestie van de intensiteit van de aan te leggen toets in nog andere literatuur is bekritiseerd. Mijn bevindingen zijn als volgt:
Hertogin Hedwigepolder I‘in de vakliteratuur kritisch is ontvangen’, grotendeels te ontbreken. Het enige wat we mijns inziens overhouden is de conclusie van oud-collega Van Oven (hoewel die aan het arrest vóórafgaat en in ieder geval niet in strikte zin kan gelden als een ontvangst ervan), en de sympathie die Van Oven bij NJ-annotator De Groot heeft geoogst. Let wel, de opvatting van beiden wens ik zéér serieus te nemen. Sterker, ook mij is die opvatting tot op grote hoogte sympathiek. Dat is voor mij echter allerminst voldoende om nu te bepleiten dat uw Raad inderdaad, conform het onderdeel, alsnog de koers verlegt. Continuïteit in de rechtspraak van uw Raad is een zelfstandige waarde: de praktijk moet ervan uit kunnen gaan dat de hoogste rechter niet zo maar van gedachten verandert.
ex nunc. [30] Over de intensiteit van de toetsing zegt diezelfde memorie het volgende:
altijdde noodzaak en urgentie van de onteigening vól zal toetsen; dat zal nog moeten blijken.
Hertogin Hedwigepolder Iin de ene schaal van de balans en de argumenten van het onderdeel in de andere schaal, houd ik het erop dat voor de door de steller van het middel bepleite koerswijziging onvoldoende aanleiding bestaat.
met zoveel woordenaan het evenredigheidsbeginsel te toetsen, was de rechtbank niet. Ook in zoverre faalt onderdeel 3.
waaromin het licht ervan de beslissing van de rechtbank onbegrijpelijk is en/of onvoldoende gemotiveerd. Reeds daarom kan het onderdeel geen doel treffen.
subonderdeel 6.1aan dat de beslissing van de rechtbank in rechtsoverweging 4.23 onbegrijpelijk is, omdat de omstandigheid dat de Gemeente bereid is gebleken met Kennemerland Beheer in verdere onderhandeling te treden impliceert dat er voldoende basis voor verder overleg was en dat daaruit ‘noodzakelijkerwijs’ volgt dat de Gemeente niet heeft uitgesloten dat overeenstemming kon worden bereikt over het sluiten van een erfpachtovereenkomst. Kennemerland Beheer verwijt de rechtbank niet te zijn ingegaan op de ‘essentiële stelling’ [36] dat in het licht van de reeds bereikte overeenstemming over de erfpacht geen redelijke grond denkbaar is waarom de Gemeente niet met het voorstel van Kennemerland Beheer over de canonvaststelling zou willen instemmen, althans haar beslissing in het licht van die stelling onvoldoende te hebben gemotiveerd.
onderhandelen, maar ook dat dit er niet aan kan afdoen dat het beroep op zelfrealisatie faalt omdat (a) de Gemeente toch het perceel zelf in ontwikkeling wil brengen en (b) partijen ook (nog) geen overeenstemming hebben bereikt, onder andere over de canon.
Varkens in noodvan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) en de uitspraak van de Afdeling in de zaak
Haghoek Rosarium Westeres [37] daagt
subonderdeel 6.2uw Raad uit de regel te verlaten dat een noodzaakverweer al in de administratieve procedure naar voren moet zijn gebracht. De steller van het middel betoogt dat de beslissing van de rechtbank dat het noodzaakverweer al in de administratieve procedure naar voren had moeten worden gebracht, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is.
belanghebbendedie beroep instelt tegen een milieu- of ruimtelijk ordeningsbesluit niet langer niet-ontvankelijk mag worden verklaard als hij geen zienswijze heeft ingediend tegen een eerder ontwerp. [41] Dat betekent dat de bestuursrechter in die gevallen alsnog zijn beroep in behandeling moet nemen en dat art. 6:13 Awb Pro hem niet kan worden tegengeworpen. Ook oordeelt de Afdeling dat een ingediende zienswijze die zich beperkt tot bepaalde onderdelen van een ontwerpbesluit niet langer in de weg staat aan een beroep tegen het gehele besluit. Deze lijn geldt – in afwachting van actie van de wetgever – niet alleen voor Aarhusbesluiten, maar voor alle besluiten waarop de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing is en die worden genomen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Wet milieubeheer, Wet ruimtelijke ordening, Tracéwet, Wet geluidhinder, Wet natuurbescherming, Ontgrondingenwet, Waterwet, Wet bodembescherming, Wet luchtvaart, Mijnbouwwet, Kernenergiewet, Wet inzake de luchtverontreiniging, Wet bescherming Antarctica en andere wetten en regelingen op het gebied van het milieu en de ruimtelijke ordening. Kortom, deze nieuwe lijn in de rechtspraak van de Afdeling beslaat de gehele linie van het omgevingsrecht. [42]
niet-belanghebbendendie, indien zij tijdens de voorbereidingsprocedure een zienswijze hebben ingediend, willen procederen tegen omgevingsbesluiten. [43]
NJ1996, 35 met noot MB. De lijn uit dit arrest vat ik nog eens kort samen: een oordeel over de noodzaak tot onteigenen vergt doorgaans een toetsing van de aan het onteigeningsbesluit ten grondslag gelegde afweging van belangen. Liet men nu achterwege zijn bezwaren kenbaar te maken in de administratieve fase, voorafgaand dus aan het onteigenings-KB – en juist in die fase voorziet de Onteigeningswet in de mogelijkheid om bezwaren in te dienen, bij titel IV-onteigeningen zelfs tweemaal! – dan kan en hoeft in een later stadium – de fase van de rechtbankprocedure – op die bezwaren geen acht meer te worden geslagen (bijzondere omstandigheden daargelaten: zie daarvoor HR 26 november 1997, Gemeente Leeuwarden/[K],
NJ1998, 205). De ratio van deze eis tot concentratie van bezwaren in de eerst mogelijke (formele) fase is duidelijk: bezwaren zijn meestal een vertaling van belangen; in de fase voordat een besluit tot stand komt, de afwegingsfase, kunnen de besluitnemende (bijv. in casu de gemeenteraad) of een goedkeurende instantie (de Kroon) met het onder het ingediende bezwaar doorschemerend belang nog rekening houden. Wie weet voert dat tot een ander besluit, in voor de belanghebbende/bezwaarmaker gunstiger zin. Men brenge zich in dit verband eens voor ogen hetgeen de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op dit punt voorschrijft in de artt. 3:2 (het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur van een adequate inventarisatie van feiten en belangen) en 3:4, eerste lid (abvbb van een behoorlijke afweging van belangen). Het eerstgenoemde Awb-artikel staat natuurlijk uitdrukkelijk in functie van het tweede. Maar deze instructie aan het besluitnemend overheidsorgaan heeft een impliciete keerzijde, in die zin dat zij ook een aanwijzing bevat voor de justitiabele: hij zorge zijn belang zo tijdig en adequaat mogelijk naar voren te brengen. Niet voor niets wemelt het in het bestuursrecht (en in het onteigeningsrecht!) van de kenbaarheidsaanwijzingen (tervisielegging, bekendmaking in kranten, persoonlijke bekendmaking soms, (overbetekening e.d.).’
Hedwigepolder I, heeft uw Raad de regel nader geformuleerd, als volgt: [45]
4.Bespreking van het cassatiemiddel in het incidenteel beroep
onderdeel 1is onjuist het oordeel van de rechtbank dat de aard van de onteigeningsprocedure zich niet zonder meer verzet tegen een vordering op grond van art. 843a Rv. Onder verwijzing naar art. 2 Ow Pro voert de steller van het middel aan dat het toepassen van art. 843a Rv als grondslag voor een incidentele vordering in een onteigeningsprocedure zich niet verdraagt met de eigen aard van die procedure, omdat dit kan leiden tot vertraging in de onteigeningsprocedure.
onder 2.1) en een motiveringsklacht (
onder 2.2). De rechtsklacht sluit aan bij de klacht in onderdeel 1, namelijk dat onjuist is de overweging van de rechtbank dat de Gemeente geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die in deze zaak tot het oordeel zouden moeten leiden dat de incidentele vordering zich niet verhoudt tot de in de onteigeningsprocedure gewenste voortvarendheid. De motiveringsklacht voert aan dat het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk is, dan wel onvoldoende gemotiveerd in het licht van een aantal stellingen, waaruit volgens de steller van het middel volgt dat Kennemerland Beheer geen (rechtens te respecteren) belang heeft gehad bij haar incidentele vordering, terwijl toepassing van art. 843a Rv tot aanzienlijke vertraging in de procedure leidt. Omdat het instellen van een incidentele vordering, waarbij geen (rechtens te respecteren) belang bestaat, zich niet verhoudt tot de in een onteigeningsprocedure gewenste voortvarendheid, had de rechtbank die stellingen niet onbesproken mogen laten, zo zegt de klacht.
rechtheeft. [53] Weliswaar kan dat recht ook in een afzonderlijke procedure aanhangig worden gemaakt, maar als reeds een procedure tussen partijen aanhangig is, is om meerdere redenen een incident veelal doelmatiger: (1) het is niet nodig dat een andere rechter dan die reeds over de aanhangige zaak moet oordelen, zich in het dossier verdiept, (2) een inhoudelijke afstemming van het rechterlijke oordeel over het inzagerecht en dat in het hoofdgeschil is gewaarborgd en (3) ook de voortgang van beide procedures wordt door dezelfde rechter bewaakt en op elkaar afgestemd.
desbetreffendeart. 843a-incident in verband met de bijzonderheden van het individuele geval in strijd is met de aard van het onteigeningsgeding. De uitzondering van art. 2 Ow Pro functioneert aldus op vergelijkbare wijze als een toets aan de beginselen van de goede procesorde, die eveneens de rechter tot maatwerk in staat stelt. Aldus kan het door Sluysmans bedoelde ‘strooien van zand in de machine’ (hiervoor 4.6) effectief worden tegengegaan.