Conclusie
advocaat: mr. M.S. van der Keur.
hierna: de voormalige bewindvoerder; en
beiden niet verschenen.
Inleiding en samenvatting
nietten laste mag worden gebracht van het vermogen van de rechthebbende. In hoger beroep heeft het hof
weleen vergoeding aan de opvolgende bewindvoerder toegekend, zij het een vergoeding die afwijkt van het forfaitaire bedrag dat is vastgesteld in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren. Verzoekster in cassatie, die een professionele bewindvoerder is, kan zich hiermee niet verenigen en stelt in cassatie aan de orde dat in de rechtspraak sprake is van rechtsverscheidenheid op dit punt, hetgeen leidt tot rechtsonzekerheid. Van rechtsverscheidenheid zou bovendien niet alleen sprake zijn wanneer het gaat om de beloning van aanvangswerkzaamheden voor opvolgende bewindvoerders, maar ook wanneer het gaat om die van opvolgende curatoren en mentoren en voorts wanneer het gaat om de vergoeding voor het opmaken van de eindrekening- en verantwoording voor de voormalige bewindvoerder. Met de onderhavige (proef)procedure verlangt verzoekster in cassatie opheldering over deze kwesties.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1gaat over de uitleg van het begrip ‘aanvangswerkzaamheden’ zoals bedoeld in artikel 3 lid 5 van Pro de Regeling en raakt zo de reikwijdte van de bepaling.
Onderdeel 2betreft de vaststelling van een beloning op grond van artikel 3 lid 6 van Pro de Regeling, welke rechtsgrond de rechter de ruimte geeft om bij ‘uitzonderlijke omstandigheden’ een hogere of lagere beloning dan de in de Regeling neergelegde forfaitaire vergoeding toe te kennen.
Onderdeel 3gaat over de hoogte van de beloning en stelt de eventuele aansluiting bij de forfaitaire beloning voor een bewindvoerder die voorafgaand aan het bewind budgetbeheer heeft gevoerd, aan de orde.
(…)
De kantonrechter is verder – in artikel 3 lid 6 van Pro de Regeling – de ruimte gelaten om af te wijken van de forfaitaire beloning van de bewindvoerder [18] (/curator/mentor) [19] en deze op een andere wijze vast te stellen, zij het alleen in het geval de beschermingsmaatregel niet alle goederen betreft of wegens uitzonderlijke omstandigheden in het specifieke geval die maken dat de Regeling niet onverkort kan worden toegepast. [20] Over de aanduiding ‘uitzonderlijke omstandigheden’ komt in de toelichting het volgende naar voren.
nietingegaan op de wijze van beloning van een professionele bewindvoerder in geval van ontslag en opvolging van een bewindvoerder. Er wordt geen onderscheid gemaakt in een eerste of een volgende bewind. Dat geldt niet voor (enkele) aanbevelingen van het LOK/LOVCK, de Aanbevelingen meerderjarigenbewind (hierna: de aanbevelingen), waarop de Regeling, althans op diens systematiek, voortbouwt. [23] Het loont dus om een blik te werpen op die (niet-bindende) aanbevelingen.
geenbeloning toekomt indien sprake is van een
verwijtbaarontslag. [32] In de laatste versie van de aanbevelingen (2018) is deze aanbeveling echter niet overgenomen. De reden daarvan is mij opnieuw onbekend gebleven.
geenbeloning werd toegekend. [33] Daarbij geldt wel dat in de meerderheid van de zaken waarin de beloning voor aanvangswerkzaakheden werd toegekend, sprake was van een ontslag wegens gewichtige redenen. In de volgende vier beschikkingen werd afgezien van het toekennen van een beloning van aanvangswerkzaamheden bij opvolging.
in dit gevalvoor risico en rekening van de bewindvoerder komen. [34]
op eigen verzoekontslagen bewindvoerder opvolgt, op grond van de beloningsregeling ten aanzien van de aanvangswerkzaamheden
welaanspraak maakt op die beloning.
Zoals het hof eerder heeft geoordeeld in zijn beschikking van 10 juni 2021 (ECLI:NL:GHSHE:2021:1770) [48] is de omstandigheid dat het ontslag van de bewindvoerder en de benoeming van de opvolgend bewindvoerder niet de keuze is van de rechthebbende geen uitzonderlijke omstandigheid in de zin van artikel 3 lid 6 van Pro de Regeling. Het is immers geenszins uitzonderlijk dat een bewindvoerder om alleszins billijke redenen (zoals bijvoorbeeld pensionering, ziekte, familieomstandigheden) ontslag verzoekt en moet worden opgevolgd, terwijl dat niet de keuze is van de rechthebbende. Het hof neemt bij dit oordeel voorts in aanmerking dat uit de hiervoor geciteerde totstandkomingsgeschiedenis van artikel 3 lid 6 van Pro de Regeling volgt dat niet te snel mag worden aangenomen dat van het forfaitaire systeem van de Regeling kan worden afgeweken. Het enkele feit dat de wisseling van bewindvoerder niet de keuze van de rechthebbende is, rechtvaardigt geen inbreuk op het forfaitaire systeem. Van overige bijzondere feiten of omstandigheden die tot de conclusie leiden dat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die een inbreuk op het forfaitaire systeem rechtvaardigen is niet gebleken. Bovendien staat vast dat de bewindvoerder daadwerkelijk aanvangswerkzaamheden heeft verricht en ook van een dusdanige aard en omvang dat deze een dergelijke vergoeding in redelijkheid rechtvaardigen. Het hof neemt hierbij verder nog in aanmerking dat indien er in deze zaak geen sprake zou zijn geweest van een bedrijfsovername door de bewindvoerder, de rechtbank in circa veertig lopende dossiers ook een andere bewindvoerder had moeten benoemen die evenzeer aanspraak had kunnen maken op een vergoeding voor aanvangswerkzaamheden.
individuele gevalafwijken van de Regeling.
-Er is expliciet aandacht besteed aan beloning van de opvolgende bewindvoerder na ontslag wegens gewichtige redenen en massa-ontslagen (namelijk: beloning).
- Ontslag op eigen verzoek / Pensionering vormt geen uitzonderlijke omstandigheid.
- Het betreft een beloning voor werkzaamheden die ten behoeve van de rechthebbende zijn gemaakt, en derhalve geen bedrijfsvoeringskosten.
- De rechtsvorm van de onderneming van de bewindvoerder is irrelevant voor de beloningsregeling.
-Het daadwerkelijk verrichten van aanvangswerkzaamheden rechtvaardigt een vergoeding.
-Feit dat beloningsregeling voor de rechthebbende nadelig is rechtvaardigt geen afwijking van het forfaitaire systeem.
-Bedrijfskosten/ ondernemingsrisico
-Economische waarde overname bewind overstijgt kosten aanvangswerkzaamheden
- Minder werkzaamheden bij aanvang overnemen bewindvoering.
de benoemingvan een bewindvoerder, niet bij de instelling van het bewind en maakt de Regeling bovendien geen onderscheid tussen een eerste of een volgende benoeming. [51] Omdat de beloning van een opvolgende bewindvoerder in de Regeling – samengevat weergegeven – niet expliciet is uitgesloten en met de Regeling bedoeld is daaronder het overgrote deel van de situaties te scharen, is het volgens het onderdeel niet aannemelijk dat de beloning van een opvolgende bewindvoerder na een ontslag op eigen verzoek buiten de reikwijdte van de Regeling valt. [52] De rechter komt bovendien enkel een discretionaire bevoegdheid toe om af te wijken van de forfaitaire beloning indien sprake is van uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 3 lid 6 van Pro de Regeling. [53]
eenprofessionele bewindvoerder overeenkomstig artikel 3 lid 1 van Pro de Regeling diens beloning vast. Er bestaat geen discussie over de vraag of een opvolgende professionele bewindvoerder een jaarbeloning ingevolge art. 3 lid Pro 2 t/m 4 van de Regeling toekomt. In geschil is enkel de vraag of de werkzaamheden die deze bewindvoerder bij aanvang van zijn bewindvoering verricht, onder ‘aanvangswerkzaamheden’ als bedoeld in artikel 3 lid 5 onder Pro a van de Regeling vallen.
Gelet op het hierboven geschetste juridische kader, is de visie van het hof op de begrenzing van het begrip aanvangswerkzaamheden – te weten dat de aanvangswerkzaamheden betrekking lijken te hebben op de start van het (eerste) bewind – niet aangetroffen in overige rechtspraak of regelgeving. Indien bovendien wordt aangenomen dat aanvangswerkzaamheden zijn gekoppeld aan de instelling van het bewind en zodoende niet aan de benoeming van bewindvoerders, zoals het hof heeft geconcludeerd, is de consequentie dat alle professionele opvolgende bewindvoerders worden uitgezonderd van de beloning voor aanvangswerkzaamheden, ongeacht de reden van het ontslag/de opvolging (o.m. ontslag op verzoek van de bewindvoerder of de rechthebbende; al dan niet ambtshalve wegens gewichtige redenen). [57] Dat lijkt me niet juist.
in voorkomendegevallen een vergoeding toekent voor aanvangswerkzaamheden. Ook een opvolgend bewindvoerder heeft aanvangswerkzaamheden, die soms meer en soms minder tijd vergen. Uitgangspunt is dan de forfaitaire beloning van lid 5 van artikel 3 van Pro de Regeling. De Regeling biedt de rechter ook ruimte om in individuele gevallen maatwerk te leveren en af te wijken van de forfaitaire beloning. In het geval sprake is van heel weinig aanvangswerkzaamheden omdat een goed lopend bewind wordt overgenomen, kan de kantonrechter vanwege uitzonderlijke omstandigheden afwijken van de forfaitaire beloning in die zin dat minder uren vergoed worden. Een afwijking naar boven kan in uitzonderlijke omstandigheden ook bijvoorbeeld indien sprake is van slecht bewind van de voorganger dat veel meer inspanningen vergt van de opvolgende bewindvoerder. De Regeling is bedoeld om een eenvoudige afhandeling mogelijk te maken. Het uitgangspunt dient te zijn dat als er aanvangswerkzaamheden zijn een forfaitaire beloning wordt toegekend. De beloning van de opvolgende bewindvoerder scharen onder de uitzonderlijke omstandigheden van artikel 3 lid 6 van Pro de Regeling zoals het hof in rechtsoverweging 5.12 doet is naar mijn mening onjuist gelet op de ratio van die bepaling: ruimte laten voor maatwerk in uitzonderlijke omstandigheden. De aanvankelijke term “bijzondere omstandigheden” is vervangen door “uitzonderlijke omstandigheden” om te benadrukken dat niet te snel van de Regeling mag worden afgeweken. Terecht merkt het middel op dat een eigen verzoek tot ontslag en opvolging (wegens pensioen) van een bewindvoerder niet onder die uitzonderlijke omstandigheden valt.
Dit onderdeel van de klacht slaagt.
uitzonderlijke omstandigheden’ en niet categorisch een hogere of lagere beloning dan de in de Regeling neergelegde forfaitaire vergoeding toekennen. En dergelijke uitzonderlijke omstandigheden zijn door het hof niet vastgesteld noch (toereikend) gemotiveerd. [59] Bedrijfsbeëindiging vanwege pensioen is een voorzienbare en regelmatig voorkomende omstandigheid waardoor het hof had moeten motiveren waarom toch sprake zou zijn van een uitzonderlijke omstandigheid, of sprake was van een andere uitzonderlijke omstandigheid die afwijking van de forfaitaire beloning rechtvaardigt. [60] De omstandigheid dat de beloning voor de extra aanvangswerkzaamheden ten laste komt van de rechthebbende of de gemeente, vormt evenmin een uitzonderlijke omstandigheid. [61] Andere uitzonderlijke omstandigheden zijn door het hof ook niet vastgesteld. [62] Ook heeft het hof volgens de klager niet (toereikend) gemotiveerd dat de opvolgende bewindvoerder zo weinig aanvangswerkzaamheden heeft verricht, dat handhaving van de forfaitaire beloning volstrekt onredelijk zou zijn. [63] In dat kader is het hof niet ingegaan op essentiële stellingen. [64]
op andere wijzevast te stellen, het toelaat om - indien op grond van de Regeling geen beloning is vastgesteld - deze alsnog op grond van lid 6 te bepalen. Het gaat dan immers niet om het afwijken van het op grond van de Regeling vastgestelde forfaitaire bedrag door deze te verhogen dan wel te verminderen, maar om het vaststellen van een beloning die de bewindvoerder op grond van de Regeling anders niet toekomt.
in het specifieke gevalde beloning van de bewindvoerder op andere wijze vast te stellen. De uitzonderlijke omstandigheden die zouden nopen tot het vaststellen van de beloning op grond van artikel 3 lid 6 van Pro de Regeling worden door het hof niet genoemd. Het hof volstaat in rechtsoverweging 5.12 met te stellen dat de opvolgende bewindvoerder aanspraak kan maken op een beloning op grond van artikel 3 lid 6 van Pro de Regeling. Enige motivering ontbreekt.
Uit de bewoordingen van rechtsoverweging 5.13 valt af te leiden dat het hof een algemene regel geeft voor de beloning van een opvolgende bewindvoerder na ontslag en opvolging op eigen verzoek. Gelet op de toelichting bij artikel 3 lid 6 van Pro de Regeling - uitzonderlijke omstandigheden in het specifieke geval – miskent het hof hiermee de regeling.
Ook dit onderdeel van de klacht slaagt.
onderdeel 1niet slaagt – bij het vaststellen van de hoogte van de beloning niet een eigen belangenafweging had moeten maken, maar had moeten aansluiten bij de forfaitaire beloning voor een bewindvoerder die voorafgaand aan het bewind budgetbeheer heeft gevoerd (gebaseerd op zes in plaats van acht uur werk), aangezien (ook) in dat geval een bewindvoerder gemiddeld minder tijd hoeft te besteden aan de aanvangswerkzaamheden. Het hof heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het niet aansluit bij dit in de Regeling geregelde geval. [65] Ook heeft het hof niet vastgesteld dat een opvolgende bewindvoerder slechts de helft van de werkzaamheden verricht en/of de helft van de gebruikelijke tijd kwijt is en de forfaitaire vergoeding daarom gebaseerd wordt op vier uur werk in plaats van op acht uur (overeenkomstig art. 3 lid 5 van Pro de Regeling). [66] Voor zover het hof daartoe is gekomen omdat het hof het niet redelijk achtte méér kosten ten laste van de rechthebbende of de gemeente te laten komen, is dat een onjuist dan wel onbegrijpelijk oordeel. Die omstandigheid kan er volgens de klager namelijk niet toe leiden dat van een opvolgende bewindvoerder mag worden verwacht dat hij werkzaamheden verricht zonder dat daar een adequate beloning tegenover staat – hetgeen het uitgangspunt van de Regeling is. [67]
eeneindrekening- en verantwoording (zie randnummer 3.8).