Conclusie
Bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen
Feiten 1, 2 en 4 (zaaksdossier 2)
Inleiding
Artikel 359a Sv
Zoals door de officier van justitie ter zitting is aangegeven, liep gelijktijdig aan het onderzoek Wolf het onderzoek Kampala op Bonaire. In het kader van dit onderzoek (Kampala) is de OVC-apparatuur in de woning van [verdachte] op Bonaire geplaatst (OVC = opnemen vertrouwelijke communicatie). De opbrengsten van dit onderzoek zijn in het kader van de interregionale rechtshulp zoals gebaseerd op artikel 36 en Pro 40 van Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden overgedragen aan de officier van justitie in het onderzoek Wolf. Uitgangspunt voor de overdracht van onderzoeksgegevens in zowel het nationale als het interregionale recht is dat enkel rechtmatig verkregen onderzoeksgegevens worden overgedragen. Het gegeven dat het overgedragen onderzoeksopbrengsten betreft, maakt dat de BOB (Bijzondere Opsporings Bevoegdheden) map van het onderzoek Kampala (met daarin de bevelen en machtigingen ex art 177q van het Wetboek van Strafvordering BES) geen onderdeel uitmaakt van het dossier Wolf, aldus de rechtbank.
zie bijlage) wat bevestigt dat Wolf en Kampala in feite één onderzoek vormen. Ook op het proces-verbaal van correctie van het RST staat als onderzoeksnaam “Wolf” in plaats van “Kampala” vermeld.
'oh, nu ligt het aan ons'(25 februari 2013). In een gesprek van 22 maart 2013 zegt cliënt:
'ik hoop dat het een beetje opschiet met die kleine. In het gesprek van 2 april 2013 waarin [betrokkene 2] aangeeft dat iets niet helemaal rond was, vraagt cliënt:
Wie? Wij of hun?Op 3 mei 2013 zegt cliënt:
Wij zijn nog met andere dingen bezig, maar eentje is helemaal mis gegaan. Aan [betrokkene 35] zou cliënt op 6 juni 2013 volgens de rechtbank verteld hebben dat hij een inkomst in Antwerpen heeft die hem 25 % aan douane kost. Eentje was gigantisch fout gegaan. Cliënt geeft in dat gesprek aan dat het heel lang geen probleem was, maar dat het bij de grote dingen mis ging. Het door cliënt genoemde percentage van 25 % is volgens de rechtbank in lijn met de 30 % die [betrokkene 8] noemt als percentage dat gevraagd wordt door havenmedewerkers waaronder politieagenten om het spul eruit te halen (26 mei 2013).
eerstemiddel bevat de klacht dat het hof bij de verwerping van het ten aanzien van feit 2 gevoerde bewijsuitsluitingsverweer wegens het onrechtmatig afluisteren van vertrouwelijke gesprekken in de woning van de verdachte is uitgegaan van de onjuiste rechtsopvatting dat aan niet gerechtvaardigde inbreuken op artikel 8 EVRM Pro nooit het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting kan worden verbonden, althans dat de verwerping van dit verweer ontoereikend is gemotiveerd nu het hof niet kenbaar aandacht heeft besteed aan het geldende toetsingskader, in het bijzonder de in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren en het subsidiariteitsvereiste.
NJ2021/169 m.nt. Jörg overwoog Uw Raad onder meer het volgende:
tweedemiddel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat – ondanks de omstandigheid dat de partij cocaïne de container met deklading niet bereikt heeft en dus ook nog niet was verscheept richting Antwerpen – sprake is van het voor een strafbare poging vereiste begin van uitvoering en het onder 2 primair tenlastegelegde dus kan worden bewezen, onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd is, nu de in dit verband door het hof vastgestelde handelingen van de verdachten naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet reeds gericht waren op de voltooiing van het binnen Nederlands grondgebied brengen van de cocaïne.
NJ2020/244. Uit dit arrest zou kunnen worden afgeleid dat het door de leverancier laten klaarzetten van een partij verdovende middelen ter uitvoer niet zonder meer een begin van uitvoering van de invoer daarvan in een ander land behelst. Volgens de steller van het middel is de onderhavige zaak vergelijkbaar met de casus uit dat arrest, in die zin dat ook in deze zaak de cocaïne nog niet onderweg was naar het land van bestemming, terwijl het hof verder slechts heeft vastgesteld dat de deklading was besteld en betaald en klaarstond in de haven zodat de cocaïne daarin verstopt kon worden, maar niet dat die cocaïne al eigendom was van de groep verdachten. Derhalve zou niet kunnen worden gezegd dat de verdovende middelen zich al in de machtssfeer van de betreffende verdachten bevonden op het moment dat deze inbeslaggenomen werden. Dit brengt volgens de steller van het middel mee dat ’s hofs oordeel dat het delict reeds aanving op het moment dat de drugs in de vrachtwagen werden vervoerd richting de haven in de Dominicaanse Republiek, niet zonder meer begrijpelijk is.
NJ1915, p. 481 was de verdachte veroordeeld wegens het medeplegen van een poging tot het uitvoeren van een zwart ruinpaard uit Nederland naar Duitsland. Het hof had vastgesteld dat de verdachte met het paard de Duitse grens tot op ongeveer twintig meter was genaderd en dat de voorgenomen uitvoer van het paard naar Duitsland niet was voltooid door de komst van de marechaussee. In cassatie werd geklaagd dat niet kon worden gezegd dat de verdachte reeds een begin van uitvoering had gegeven aan het voorgenomen misdrijf. Uw Raad verwierp het cassatieberoep en overwoog hiertoe dat het uitvoeren van goederen ‘krachtens het algemeene spraakgebruik mede omvat het met voorzegde bedoeling ondernomen vervoer in de richting der grens’.
NJ1916, p. 595 had het hof vastgesteld dat de verdachte in een kastje op de locomotief van een voor vertrek naar Duitsland gereedstaande trein 5 kilogram rijst aanwezig had gehad. Het voorgenomen misdrijf was niet voltooid doordat de rijst werd ontdekt voor de trein vertrok. In cassatie werd geklaagd dat met het verbergen en het aanwezig hebben van de rijst op een stilstaande locomotief de voorgenomen uitvoer van de rijst naar Duitsland nog niet was aangevangen. A-G Besier stelde in zijn conclusie voor dit arrest dat van poging tot uitvoeren eerst sprake is ‘wanneer althans het vervoer in de richting naar de grens is begonnen’. Hij concludeerde tot vernietiging, aangezien de trein enkel gereedstond om te vertrekken; het vervoer was derhalve nog niet begonnen. Uw Raad overwoog echter dat het ‘uitvoeren’ is begonnen, ‘zoodra met gezegd vervoer een aanvang is gemaakt, hetgeen, bij gebruikmaking van een vervoermiddel, geacht kan worden het geval te zijn wanneer de goederen met het oog op de te maken reis daarin zijn ingeladen’. Uw Raad verwierp het cassatieberoep.
NJ1987/276 m.nt. ’t Hart. Het hof had de verdachte veroordeeld wegens uitlokking van het medeplegen van een poging tot het binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 10 kg heroïne. De bewezenverklaarde uitvoeringshandelingen waren het in Nederland kopen van een personenauto voor dit transport, het met die auto naar Turkije rijden, en het daar die auto in de handen van een ander spelen gevolgd door de retourvlucht van de een en de terugreis van de ander met de auto met heroïne. Het delict was niet voltooid, doordat de heroïne was ontdekt bij binnenkomst in Duitsland vanuit Oostenrijk. In cassatie werd geklaagd dat de bewezenverklaarde handelingen waren aan te merken als voorbereidingshandelingen en dat geen sprake was van een begin van uitvoering. A-G Meijers stelde in zijn conclusie bij dit arrest dat het geen twijfel leed dat deze handelingen, ‘in samenhang met elkaar en met de gemaakte afspraken beschouwd, als uitvoeringshandelingen kunnen worden aangemerkt’. Hij vond dat juist bij ‘een langetermijnoperatie als een in Nederland opgezet heroïnetransport van Turkije naar Nederland’ de feitenrechter het begin van uitvoering al in een vroeg stadium van het handelen kon aannemen. Uw Raad oordeelde dat het cassatiemiddel faalde en verwees daarbij naar de conclusie van de A-G.
NJ2011/95 had het hof de verdachte veroordeeld wegens het medeplegen van een poging tot invoer van heroïne. De toedracht die uit de bewijsmiddelen bleek, was dat de verdachte ‘geld, navigatiemateriaal en een GSM met SIM-kaart’ had ontvangen van een derde en dat hij ‘met een auto is afgereisd naar Roemenië en/of Hongarije met de bedoeling aldaar een hoeveelheid van 59 kg heroïne in ontvangst te nemen voor vervoer naar Nederland, maar dat hij onverrichterzake is teruggekeerd omdat hij de vrachtauto waarin de heroïne zich zou bevinden niet heeft kunnen vinden’. In cassatie werd geklaagd dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat sprake was van een begin van uitvoering. In het licht van de geschetste toedracht overwoog Uw Raad dat ’s hofs oordeel dat sprake was van een begin van uitvoering van het binnen Nederland brengen van heroïne niet zonder meer begrijpelijk was en dat hieraan niet afdeed ‘dat de verdachte, zoals het Hof heeft overwogen, wel de intentie tot zodanige invoer van heroïne had’. In zijn conclusie voor dit arrest wees A-G Vellinga erop dat de verdachten, ondanks hun ‘op invoer gerichte inspanningen’ er helemaal niet in waren geslaagd de heroïne te bemachtigen en deze dus niet ‘in een voertuig (konden) brengen met bestemming Nederland’.
NJ2016/318 m.nt. Rozemond had het hof de verdachte veroordeeld wegens het medeplegen van een poging tot invoer van hasjiesj. Het hof had vastgesteld dat de verdachte en haar mededaders een voertuig hadden gekocht en op naam gesteld, dat voertuig hadden laten voorzien van een dubbele bodem, zich ter beschikking hadden gesteld om als koerier verdovende middelen te vervoeren, door mededaders gegeven aanwijzingen hadden opgevolgd, het voertuig in ontvangst hadden genomen en dat voertuig naar Marokko hadden gereden. Het vertrek vanuit Marokko naar Nederland werd afgeblazen omdat de verdachte vermoedde dat een in Nederland ontdekt drugstransport een eerder uit Marokko vertrokken transport betrof dat werd uitgevoerd door een ander stel. In cassatie werd geklaagd dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, had geoordeeld dat sprake was van een begin van uitvoering. Uw Raad leidde uit ’s hofs overwegingen af dat het oordeel dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan een strafbare poging tot het binnen het grondgebied van Nederland brengen van hasjiesj bij uitstek erop was gebaseerd dat het begin van uitvoering was gesitueerd ‘op het moment dat de verdachte met een speciaal daartoe geprepareerde auto naar Marokko vertrok’. Uw Raad achtte dat oordeel ‘zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat ook van de overige bewezenverklaarde gedragingen niet kan worden gezegd dat deze naar hun uiterlijke verschijningsvorm reeds in voldoende concrete mate gericht waren op de voltooiing van de invoer in Nederland van hasjiesj’.
NJ2020/244 – het arrest waar de steller van het middel zich op beroept – was de verdachte veroordeeld wegens het medeplegen van een poging tot invoer van cocaïne. Het hof had vastgesteld dat de verdachte en de medeverdachte contact hadden gezocht met een leverancier van cocaïne in Colombia, dat zij hadden onderhandeld over een concrete te leveren hoeveelheid te leveren cocaïne en dat daarbij een prijs was overeengekomen. Het hof had voorts vastgesteld dat de verdachte en de medeverdachte contact hadden onderhouden met de uiteindelijke afnemers van die cocaïne in Nederland, dat het bedrag was vastgesteld dat de verdachte voor zijn bemiddelende diensten zou ontvangen en dat de verdachte en de medeverdachte twee ontmoetingen hadden gehad met een pseudodienstverlener aan wie zij bij de tweede ontmoeting – door het tellen van een groot geldbedrag – hun kredietwaardigheid zouden aantonen. Tot slot had het hof vastgesteld dat de cocaïne reeds op zee dreef en dus al onderweg was naar Nederland. In cassatie werd geklaagd over ’s hofs oordeel dat sprake was van een begin van uitvoering en over ’s hofs vaststelling dat de cocaïne reeds op zee dreef en dus al onderweg was naar Nederland. Die laatste vaststelling achtte Uw Raad niet zonder meer begrijpelijk, ‘nu uit de bewijsvoering niet meer kan worden afgeleid dan dat de partij op zee lag voor de kust van het land van herkomst’. Het oordeel van het hof dat sprake was van een begin van uitvoering van het binnen Nederland brengen van cocaïne was volgens Uw Raad niet zonder meer begrijpelijk omdat uit de bewijsvoering volgde dat ‘de kredietwaardigheid van de afnemers nog moest worden aangetoond, voordat de invoer van de cocaïne in Nederland daadwerkelijk (verder) in gang zou worden gezet.’
binnen en buiten het grondgebied van Nederlandbrengen van drugs – in aanvulling op voornoemde omstandigheden – het maken van een reisbeweging (richting de grens) vereist is’. [14]
derdemiddel klaagt dat het onder 2 primair bewezenverklaarde, voor zover inhoudende dat sprake is van een poging tot het binnen het grondgebied van Nederland brengen van 550 kilogram cocaïne, niet uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid, althans dat dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk is, nu het hof als startpunt van het vertrek van de lading heeft genomen het moment dat de lading van de plek waar deze is opgeslagen richting de haven werd vervoerd, terwijl uit de gebezigde bewijsvoering blijkt dat de vrachtwagen die onderweg was naar de haven van vertrek 366 kilogram cocaïne vervoerde.
vierdemiddel bevat de klacht dat het onder 2 primair bewezenverklaarde ‘medeplegen’ van het binnen Nederlands grondgebied brengen van 550 kilogram cocaïne niet (zonder meer) uit de bewijsvoering kan worden afgeleid, nu hetgeen het hof aan die bewezenverklaring ten grondslag heeft gelegd in de kern niets méér inhoudt dan dat de verdachte een financieel belang zou hebben bij deze partij cocaïne en door zijn medeverdachten op de hoogte is gehouden over het verloop van het kennelijk beoogde transport ervan, waaraan hij zelf echter geen intellectuele en materiële bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd.
NJ2018/50, waaruit zou volgen dat het aan een ander verschaffen van gelegenheid en/of (financiële) middelen op zichzelf geen bijdrage van voldoende gewicht is. De steller van het middel wijst er voorts op dat de aanwezigheid van de verdachte in (ik begrijp: het Europese deel van) Nederland en op de Dominicaanse Republiek in de maanden mei en juni 2012 wellicht redengevend is voor het bewijs van medeplegen van het transport als bewezen onder 1, maar dat het verband tussen zijn aanwezigheid aldaar en het beoogde (veel latere) transport als bewezen onder 2 primair – dat de periode van 1 november 2012 tot en met 14 april 2013 beslaat – niet (zonder meer begrijpelijk) is gelegd nu het hof niet heeft vastgesteld dat het beoogde transport van 550 kilogram cocaïne toen al werd voorbereid door de verdachte en de medeverdachten.
NJ2015/390 m.nt. Mevis overwoog Uw Raad onder meer het volgende: [18]
NJ2017/459 m.nt. Rozemond. Volgens Uw Raad kon uit de bewijsvoering niet meer worden afgeleid dan dat de verdachte de medeverdachte tegen een door een derde in het vooruitzicht gestelde beloning op Schiphol had opgewacht en dat de verdachte wist dat zij een zending met een naar hij aannam niet-toegestane inhoud bij zich zou hebben. Uw Raad overwoog dat ’s hofs kennelijk oordeel dat die intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht was, en niet slechts bestond uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, niet zonder meer begrijpelijk was, ook niet als daarbij in aanmerking werd genomen dat het hof het afhalen van de vrouw als ‘uitvoeringshandeling’ had aangemerkt. [21]
NJ2018/50. In deze zaak had het hof de verdachte veroordeeld wegens het gedurende een periode van meer dan vier maanden medeplegen van het opzettelijk telen van hennep. Uw Raad leidde uit de bewijsmotivering af dat het hof in het bijzonder in aanmerking had genomen ‘dat (i) de verdachte wist dat de hennepplantage in haar woning aanwezig was, (ii) zij aan de opbouw en exploitatie van de kwekerij geen einde heeft gemaakt hoewel dat als enig eigenaar van de woning in haar macht lag, (iii) zij heeft toegestaan dat de kwekerij werd gefinancierd uit gemeenschappelijke gelden en (iv) zij profiteerde of zou profiteren van de opbrengsten van de kwekerij.’ Uw Raad oordeelde dat deze omstandigheden ‘niet zonder meer voldoende (zijn) om te kunnen aannemen dat de verdachte het opzettelijk telen van hennepplanten heeft medegepleegd nu zij in de kern niet meer inhouden dan dat de verdachte aan een ander gelegenheid en middelen heeft verschaft voor het telen van hennepplanten in haar woning, hetgeen op het eerste gezicht duidt op gedragingen die met medeplichtigheid in verband worden gebracht, en dat zij heeft geprofiteerd of zou profiteren van de opbrengst van dat telen’.