Conclusie
adv.: mr. J. van Duijvendijk-Brand
adv.: mr. M.E. Bruning
1.Inleiding en samenvatting
de man) en verweerster in cassatie (hierna:
de vrouw) zijn als voormalige echtelieden verwikkeld in een omvangrijk echtscheidingsgeschil. Op een van de geschilpunten werd door uw Raad eerder beslist. [1] Het onderhavige cassatieberoep ziet op de rechterlijke verdeling ex art. 3:185 BW Pro van vier gemeenschappelijke onroerende zaken. Bij beschikking van 14 december 2018 heeft de rechtbank de zaken toegedeeld aan de man onder voorwaarde van ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor hypothecaire geldleningen en onder betaling van een vergoeding aan de vrouw wegens overbedeling, waarbij de vergoeding is gebaseerd op in 2018 verrichte taxaties. Tot een levering komt het echter niet. Op het hoger beroep van zowel de man als de vrouw heeft het hof geoordeeld dat nog geen verdeling heeft plaatsgevonden en heeft het deskundigen benoemd om de actuele waarde van de zaken (per taxatiedatum) te taxeren. Bij eindbeschikking van 19 juli 2022 heeft het hof de zaken toegedeeld aan de man met bepaling dat de man aan de vrouw een op de deskundigenrapporten met peildata in 2021 gebaseerd bedrag wegens overbedeling moet voldoen. In cassatie klaagt de man dat het hof de panden in hoger beroep ten onrechte opnieuw heeft verdeeld, zulks naar mijn mening tevergeefs. Ook wordt opgekomen tegen de daarbij door het hof gehanteerde waardepeildatum. De tegen dat laatste oordeel gerichte klachten treffen gedeeltelijk doel.
2.Feiten
- i) Partijen zijn op 18 mei 1998 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. Bij notariële akte, verleden op 28 november 2014, zijn de huwelijkse voorwaarden gewijzigd.
- ii) In de huwelijkse voorwaarden is elke gemeenschap van goederen uitgesloten.
- iii) Tussen partijen is sprake van een vijftal eenvoudige gemeenschappen, namelijk van de onroerende zaken gelegen aan: (1) [de voormalige echtelijke woning] , (2) [het bedrijfspand 1] , (3) [de vakantiewoning] , (4) [het bedrijfspand 2] , respectievelijk (5) [het appartementsrecht] .
- iv) Het huwelijk van partijen is ontbonden op 17 december 2019 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
3.Procesverloop
de panden).
(...)
(...)
tussenbeschikking van 11 juli 2018 [7] heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken. Zij heeft de behandeling van het verzoek van de man betreffende de verdeling van de panden op verzoek van partijen aangehouden teneinde hen in de gelegenheid te stellen hieromtrent in onderling overleg afspraken te maken.
eindbeschikking van 14 december 2018 [9] heeft de rechtbank vastgesteld (i) dat de man heeft verzocht de verdeling van de panden vast te stellen op de in zijn aanvullend verzoek d.d. 22 februari 2018 verzochte wijze, (ii) dat de vrouw daartegen geen verweer heeft gevoerd resp. dat partijen ter zitting toebedeling aan de man zijn overeengekomen, en (iii) dat partijen ter zitting van 28 juni 2018 zijn overeengekomen dat zij de panden zouden laten taxeren.
In het dictum heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, als volgt beslist:
- [het bedrijfspand 1] ;
- [de vakantiewoning] ;
- [het bedrijfspand 2] ;
Grief 1van de man is gericht tegen de beslissing in het dictum onder 4.2.1 van de eindbeschikking (de verdeling van de panden). Daarmee is aangevoerd dat de rechtbank bij haar berekening van de overbedelingsschuld ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de geldleningen die zijn verkregen uit de ondernemingen van de man. [12] De man heeft het hof verzocht de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, ten aanzien van de verdeling van de onroerende zaken [de voormalige echtelijke woning] , [het bedrijfspand 2] en [de vakantiewoning] te bepalen dat op de door de taxateurs bepaalde waarde
zowel de hypothecaire als de overige geldleningenin mindering worden gebracht, dan wel dat de man en de vrouw de helft van de door de man ter beschikking gestelde – van Krebeco Invest B.V. geleende – bedragen dienen te vergoeden, zodat de man per saldo een bedrag van € 353.960,- dan wel een door het hof te bepalen bedrag dient te vergoeden en tot betaling van dit bedrag wordt veroordeeld. [13] De vrouw heeft verweer gevoerd. [14]
Grief IIIvan de vrouw is gericht tegen de verdeling van de panden op basis van ‘de door de makelaar bindend getaxeerde waarde’ (dictum onder 4.2.1). De vrouw stelt zich op het standpunt dat de panden alsnog moeten worden verdeeld op basis van ‘de actuele waarde op of rondom de datum van verdeling (zelf)’. [15] De vrouw heeft het hof verzocht de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschappen van onroerende zaken te gelasten in die zin dat de panden (immer) worden toegedeeld aan de man, onder de voorwaarden dat de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan deze onroerende zaken gekoppelde hypothecaire geldleningen en onder betaling aan de vrouw van een bedrag gelijk aan de helft van de waarde die gevormd wordt door het verschil tussen de
door een makelaar ten tijde of vlak voor de datum van verdeling getaxeerde actuele waardenvan de onroerende zaken en de hoogte van de hypothecaire geldleningen per moment van het verlijden van de notariële akte van verdeling. [16] De man heeft verweer gevoerd. [17]
tussenbeschikking van 31 oktober 2019 [18] (hierna:
TB1) heeft het hof met betrekking tot de verdeling van de onroerende zaken het volgende vastgesteld:
tussenbeschikking van 22 september 2020 [20] (hierna:
TB2) heeft het hof met betrekking tot de verdeling van de panden – voor zover van belang – het volgende overwogen:
De verdeling van de eenvoudige gemeenschappen
tussenbeschikking van 23 februari 2021 [21] (hierna:
TB3) heeft het hof met betrekking tot de verdeling van de panden als volg overwogen:
De verdeling van de eenvoudige gemeenschappen
de wijze van verdeling gelasttussen partijen, waarna de vier panden onder de daar genoemde voorwaarden aan de man zijn toegedeeld. Tot dusver is niet gesteld of gebleken dat aan die voorwaarden is voldaan, zodat verdeling niet heeft plaatsgevonden. Daarom is niet de datum van de bestreden beschikking van de rechtbank bepalend voor de waarde van de panden maar de datum van taxatie.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over o.m. de vraagstelling (dictum onder rov. 3. 2).
tussenbeschikking van 15 juli 2021 [22] (hierna:
TB4) heeft het hof deskundigen benoemd om een (aanvullend) onderzoek in te stellen en om schriftelijk bericht uit te brengen omtrent de vraag wat de huidige waarde in het economisch verkeer van de panden is.
In dit verband heeft het hof het volgende overwogen:
(deel)beschikking van 19 juli 2022 [24] (hierna:
de eindbeschikkingof
EB) heeft het hof als volgt overwogen:
- de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen en de afwikkeling van het huwelijkse vermogen;
deelt toe aan de man:
4.Juridisch kader
verplicht. [35] Het ligt in de rede om aan te nemen dat ook een door de rechter op de voet van art. 3:185 BW Pro vastgestelde verdeling de deelgenoten tot levering verplicht. [36]
rechtervastgestelde verdeling op de voet van art. 3:185 BW Pro heeft als peildatum voor de waardering in beginsel de datum van diens uitspraak te gelden. [38] Wanneer de verdeling (
toedeling) van de zaken in hoger beroep opnieuw aan de orde is en de appelrechter daarover opnieuw een beslissing heeft gegeven, geldt de datum van zijn uitspraak als tijdstip van verdeling en daarmee in beginsel ook als peildatum voor de waardering van de toe te delen zaken. [39] De waardepeildatum schuift dus (in beginsel) op, ook al zou het oordeel in eerste aanleg worden bekrachtigd. [40] Heeft de appelrechter zelfstandig de verdeling opnieuw vastgesteld en bestaat tussen partijen geen overeenstemming over de peildatum, dan moet de appelrechter de peildatum zelfstandig vaststellen, ook al was door partijen geen grief gericht tegen de door de rechter in eerste aanleg gehanteerde peildatum. [41] Heeft de rechter in eerste aanleg een zaak toegedeeld aan een der deelgenoten en hebben partijen in hoger beroep niet die
toedeling, maar (slechts) de
waardevan de zaak aan de orde gesteld, dan heeft echter de datum van de uitspraak in eerste aanleg te gelden als datum van verdeling (HR 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6176,
NJ2007/624, rov. 3.3). De appelrechter is in zo’n geval gebonden aan het oordeel van de eerste rechter dat in het concrete geval een andere waardepeildatum heeft te gelden dan de datum van verdeling, tenzij sprake is van een tegen dat oordeel gerichte grief. [42]
deelgenoten(art. 3:182 BW Pro) gaat het om het moment waarop de overeenkomst van verdeling tot stand komt. Te dien aanzien heeft uw Raad in 2013 als volgt overwogen:
LJNBB6176,
NJ2007/624 niet anders kan worden afgeleid, omdat in die zaak in hoger beroep niet langer de verdeling van de voormalige echtelijke woning aan de orde was, maar nog slechts de waardebepaling daarvan.
toedelingaan de orde was – als een geval waarin in hoger beroep niet langer de ‘verdeling’ aan de orde was, (ii) de in rov. 4.2.2 (slot) gemaakte tegenstelling tussen ‘verdeling’ enerzijds en ‘waardebepaling’ anderzijds en (iii) de in rov. 4.2.3 gemaakte tegenstelling tussen ‘feitelijke verdeling met wederzijdse instemming’ enerzijds en ‘rechtens instemmen met de verdeling’ anderzijds, meen ik te kunnen afleiden dat in de visie van uw Raad het begrip ‘verdeling’ in titel 3.7 BW – in geval van het door de deelgenoten of de rechter beoogde opheffen van de onverdeeldheid door middel van toedeling tegen vergoeding van de overwaarde – beperkt is tot die juridische
toedelingals zodanig; voorts dat voor het aannemen van wilsovereenstemming tussen partijen tot een dergelijke juridische verdeling (toedeling) niet voldoende is dat partijen het goed met wederzijdse instemming hebben toegedeeld maar ook wilsovereenstemming moet bestaan over de financiële consequenties van die toedeling; ten slotte dat voor verdeling (toedeling) door de rechter niet vereist is dat de financiële consequenties vaststaan. [49]
opschortende voorwaardenverbonden, zoals die van financiering, ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor hypothecaire leningen [50] of ontbinding van de goederengemeenschap. [51] Die laatste voorwaarde houdt verband met de omstandigheid dat de gemeenschap in kwestie vatbaar moet zijn voor verdeling. [52] Over de rechtsgevolgen van een dergelijke constructie – met name het tijdstip van de totstandkoming van de verdeling – bestaat in de literatuur en de feitenrechtspraak verschil van inzicht.
totstandkoming van de overeenkomst van verdeling of de rechterlijke uitspraak.
vervulling van de opschortende voorwaarde.
5.Bespreking van het cassatiemiddel
p.i. onder 7).
subonderdelen 1.1 t/m 1.4behelzen een inleiding die uitmondt in de vaststelling dat de rechtbank de verdeling van de panden in de zin van de ‘obligatoire verdeling’ heeft vastgesteld (
subonderdeel 1.5). Zij bevatten geen klachten.
subonderdelen 1.7 en 1.8gaan uit van de lezing dat het hof – gelet op rov. 2.6 TB3 – in de beschikking van de rechtbank geen ‘vaststelling van de verdeling’ heeft gelezen, maar slechts het gelasten van de ‘wijze van verdeling’. Dit oordeel zou rechtens onjuist, althans niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd zijn. Volgens
subonderdeel 1.9zou het hof daarmee bovendien buiten de rechtsstrijd van partijen zijn getreden, nu ook de vrouw in grief III tot uitgangspunt neemt dat de panden door de rechtbank aan de man zijn toegedeeld. Deze klacht raakt ook aan rov. 4.4 TB1 (‘grief III ziet op de verdeling’) indien het hof die grief anders leest, aldus
subonderdeel 1.10.
leveringen niet de verdeling bepalend is voor de waardepeildatum. Dit oordeel zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en/of niet toereikend gemotiveerd zijn. Het middel verwijst daartoe naar de vaste rechtspraak van uw Raad volgens welke als waardepeildatum in beginsel de datum van verdeling geldt.
NJ1996/710 kennelijk slechts het oog op de daarin (in rov. 3.3) geformuleerde regel dat ter bepaling van de waardepeildatum in beginsel moet worden uitgegaan van de waarde ten tijde van de verdeling, maar uit hetgeen door partijen is overeengekomen en uit de eisen van redelijkheid en billijkheid anders kan voortvloeien. In de direct op deze verwijzing volgende rov. 4.21 TB2 onderzoekt het hof immers of partijen een afwijkende peildatum zijn overeengekomen en of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een afwijkende peildatum voortvloeit.
NJ2007/624 [70] ) het aan de orde stellen van de waarde van de verdeelde goederen in hoger beroep niet wordt beschouwd als het aan de orde stellen van de verdeling zelf. Dat geldt ook voor het aan de orde stellen van de overbedelingsvordering op andere gronden dan de waarde, aldus het middel.
Subonderdeel 3.3voegt daaraan nog toe dat uit HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4279,
NJ2013/201 niet kan worden afgeleid dat uw Raad van zijn eerdere rechtspraak op dit punt is teruggekomen. [71]
subonderdelen 3.5 en 3.6. Bovendien zou het oordeel van het hof niet te verenigen zijn met rov. 2.5 EB, waarin het hof overweegt dat partijen het erover eens zijn dat de panden aan de man kunnen worden toegedeeld, maar: ‘
De (over)waarde van de onroerende zaken houdt partijen echter verdeeld (grief 1 van de man en grief III van de vrouw). In dat kader hebben de benoemde deskundigen taxatierapporten uitgebracht’ (
subonderdeel 3.7). Onbegrijpelijk zou zijn dat het hof in rov. 2.4 EB overweegt dat op dit moment nog aan het hof voorliggen ‘
verzoeken van partijen om de verdeling te gelasten van de eenvoudige gemeenschappen’ als daarna vermeld. Het hof heeft voorts ten onrechte geen gehoor gegeven aan de terechte vingerwijzing van de man dat, nu de toedeling van de panden in appel niet in geschil is, de datum van uitspraak van de rechtbank heeft te gelden als datum van verdeling (in TB3) en evenmin aan de rechtens juiste suggestie van de man om door de benoemde deskundigen ook de waarde per 14 december 2018 te laten vaststellen (in TB4), aldus
subonderdeel 3.8. De slotsom is dat nu de ‘verdeling zelf’ door geen der partijen in hoger beroep aan de orde is gesteld, het hof met zijn oordeel ook buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden (
subonderdeel 3.9).
subonderdeel 4.1). Zoals in onderdeel 3 is betoogd, was in dit geval ‘de verdeling zelf’ in hoger beroep niet aan de orde. Daarom was het hof aan het oordeel van de rechtbank over de peildatum gebonden, tenzij daartegen voldoende kenbaar was gegriefd (
subonderdeel 4.2). Grief III van de vrouw behelst geen voldoende kenbare grief tegen de vaststelling van de peildatum door de rechtbank (
subonderdelen 4.3-4.5). Door de peildatum toch opnieuw vast te stellen, is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. Indien het hof in grief III een grief heeft gelezen die gericht is tegen de door de rechtbank vastgestelde peildatum, berust dit oordeel op een onbegrijpelijke uitleg van de grief en is het onvoldoende gemotiveerd (
subonderdeel 4.5). Voor zover het hof in grief III wel een grief heeft kunnen lezen tegen de door de rechtbank vastgestelde peildatum en het opschuiven van de peildatum zou hebben gebaseerd op het slagen van die grief, is zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd (
subonderdeel 4.6).
subonderdeel 5.2is het niet de man die te berde heeft gebracht dat de afspraak met betrekking tot een bindende taxatie (uitsluitend) blijkt uit het proces-verbaal, maar de vrouw die heeft betoogd dat het proces-verbaal wat betreft de verklaring van haar advocaat op dit punt onjuist is, op grond waarvan zij tevergeefs aanpassing van het proces-verbaal aan de rechtbank heeft gevraagd. De man heeft daartegen het verweer gevoerd dat het proces-verbaal niet onjuist is en dat de afspraak wel gemaakt is en dat dit (ook) uit het proces-verbaal blijkt.
De eerdere inschatting van de panden was niet bindend. Er moet nog bindend getaxeerd worden’ en ‘
Taxaties van de panden moeten er zijn, dan weet de vrouw wat zij kan overnemen’) moeten worden gelezen tegen de achtergrond van de door partijen in het geding gebrachte formulieren ‘verdelen en verrekenen’, waarin de man geschatte waarden heeft opgegeven met de aantekening dat het nog niet tot een taxatie is gekomen, en de vrouw in de kolom ‘waarde’ steeds ‘pm’ heeft ingevuld. Tegen die achtergrond bezien kunnen de opmerkingen van de advocaat van de vrouw moeilijk anders worden begrepen dan dat partijen alsnog hebben afgesproken dat de in gezamenlijke opdracht door de makelaars uit te brengen taxaties bindend zouden zijn, aldus het subonderdeel.
subonderdelen 6.2 en 6.3). Volgens de man volgt uit HR 22 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2515,
NJ1996/710 dat als de waardepeildatum in hoger beroep opschuift in het nadeel van de deelgenoot aan wie de goederen worden toegedeeld als gevolg van verwijtbaar handelen van de andere deelgenoot, dit een omstandigheid is die kan leiden tot het oordeel dat op grond van de redelijkheid en billijkheid de door de rechter in eerste aanleg vastgestelde waardepeildatum gehandhaafd moet worden. Voor zover het hof dit heeft miskend – en rov. 4.20 TB2 (slot) wijst daarop [76] – geeft zijn oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting (
subonderdeel 6.4). Indien het hof dit niet heeft miskend, is het oordeel, gelet op de gemotiveerde stellingen van de man op dit punt, niet toereikend gemotiveerd (
subonderdeel 6.5).