Conclusie
1.Overzicht van de zaak en de conclusie
arbeidskortingter zake van een
WGA-uitkering. Aan de orde is de uitleg van het begrip ‘loon uit tegenwoordige arbeid’ en de toepassing van het gelijkheidsbeginsel c.q. het discriminatieverbod. Het juridisch zwaartepunt in deze zaak is gelegen in dit laatste onderwerp.
(i)dat uitgaande van de wet de WGA-uitkering terecht niet is betrokken in de berekeningsgrondslag voor de arbeidskorting, omdat de uitkering niet als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking is aan te merken, maar
(ii)dat de ongelijke behandeling van een WGA-uitkering naar gelang deze direct (door het UWV) of indirect (via de werkgever) wordt betaald in strijd is met het gelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.
Belanghebbendeheeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld, gericht tegen oordeel (i).
zaaksoverstijgend belangin meer dan één opzicht, in het bijzonder wat betreft de kwestie van het gelijkheidsbeginsel. Het gaat in deze zaak weliswaar specifiek om een WGA-uitkering, maar de kwestie van het gelijkheidsbeginsel heeft mogelijk voor de arbeidskorting een uitstralingseffect naar andere socialezekerheidsuitkeringen. De zaak heeft dan ook de aandacht van de politiek getrokken (zie onderdeel 4). Ook kan de kwestie wellicht een uitstralingseffect hebben naar andere regelingen dan de arbeidskorting die onderscheid maken tussen loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en ander loon. Verder is deze zaak interessant uit oogpunt van wijze van toetsing aan het discriminatieverbod, omdat – maar nu loop ik op de inhoud vooruit – de ongelijke behandeling een gevolg is van een samenloop van een regeling in een wet in formele zin en een regeling in een ministeriële regeling. Dat roept de vraag op of getoetst moet worden aan het verdragsrechtelijke dan wel het grondwettelijke discriminatieverbod (10.1-10.11). Ook op andere punten maakt de (onvoorziene?) samenloop dat sprake is van een atypische situatie voor toetsing aan het discriminatieverbod (vgl. 10.31 en 10.42).
onderdeel 4). Vervolgens behandel ik in
onderdeel 5wat een WGA-uitkering is en hoe deze wordt (uit)betaald. Daarna komt in
onderdeel 6de arbeidskorting aan bod.
onderdeel 7concludeer ik – in verband met het incidentele cassatieberoep – dat, anders dan belanghebbende betoogt, de onderhavige WGA-uitkering niet is aan te merken als loon uit tegenwoordige arbeid.
onderdeel 8gegevens opgenomen over de samenvoegingsbepalingen van art. 9.1 en 9.4(1) URLB 2011. Aan de hand van die gegevens concludeer ik in
onderdeel 9dat de Staatssecretaris terecht erover klaagt dat het Hof heeft getoetst aan het gelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. De ongelijke behandeling van een directe en een indirecte WGA-uitkering voor de arbeidskorting vloeit namelijk niet voort uit goedkeurend, begunstigend beleid voor een indirecte WGA-uitkering, maar uit de samenloop van de wettelijke regeling voor de arbeidskorting met de samenvoegingsbepaling van art. 9.4(1) URLB 2011. Die bepaling brengt mee dat indien een WGA-uitkering wordt betaald via de werkgever bij wie de uitkeringsgerechtigde ook loon uit tegenwoordige dienstbetrekking geniet, samenvoeging van die uitkering met dat loon plaatsvindt tot één loon uit tegenwoordige dienstbetrekking (9.2-9.3). Die ‘omkatting’ werkt vervolgens (ook) door naar de arbeidskorting voor de inkomstenbelasting (9.4-9.6).
onderdeel 10. Ik start in 10.1-10.11 met mijn worsteling of aan het grondwettelijke dan wel het verdragsrechtelijke discriminatieverbod moet worden getoetst; ik meen uiteindelijk het laatste. Vervolgens zet ik uiteen dat de behandeling van een directe en een indirecte WGA-uitkering voor de arbeidskorting een ongelijke behandeling (10.12-10.16) van gelijke gevallen (10.17-10.25) inhoudt. Daarna ga ik in op de vraag of daarvoor een rechtvaardiging bestaat (10.26-10.47). Die vraag is niet gemakkelijk te beantwoorden enerzijds omdat de ongelijke behandeling niet kenbaar onder ogen is gezien door de wetgever en anderzijds omdat de geprivilegieerde behandeling van een indirecte WGA-uitkering geen zelfstandig belang dient, maar een neveneffect is van de samenvoegingsbepalingen. Gegeven dat er op zichzelf gerechtvaardigde belangen zijn gediend met art. 9.4(1) URLB 2011 en dat een ruime beoordelingsruimte geldt, kan goed worden verdedigd dat het verschil in behandeling de toets aan het discriminatieverbod doorstaat. Ik meen echter dat het dubbeltje naar de andere kant moet vallen, omdat naar mijn mening duidelijk geen redelijk evenwicht (meer) bestaat tussen de met art. 9.4(1) URLB 2011 behartigde belangen en de ongelijkheid voor de arbeidskorting, met name gelet op het toegenomen belang van die korting. Dit betekent dat het discriminatieverbod is geschonden. Ik betoog vervolgens echter (10.48-10.54) dat het rechtsherstel aan de wetgever moet worden overgelaten. Dit betekent dat het Hof ten onrechte heeft beslist dat belanghebbende recht heeft op toekenning van de arbeidskorting over de WGA-uitkering.
principale cassatieberoep gegrondis, en het
incidentele cassatieberoep ongegrondis.
2.De feiten en de oordelen van de feitenrechters
De feiten
3.Het geding in cassatie
Principaal beroep in cassatie
datbezwaar (tegen de aanslag dus) is gevolgd.
4.Aandacht in de politiek
5.Inleiding: WGA-uitkering
6.Arbeidskorting
Incidenteel beroep in cassatie; de WGA-uitkering toch loon uit tegenwoordige arbeid?
8.In verband met het principale beroep in cassatie: de samenvoegingsbepalingen
Inleiding
De hiervóór omschreven toestand is onbevredigend, daar bij de loonadministratie, ingeval de werkgever de uitkering betaalt, complicaties optreden, terwijl voorts een verschil in belastingheffing bestaat, al naargelang de uitkeringen door de werkgever of door het uitvoeringsorgaan worden betaald.Een afdoende oplossing is naar de mening van de ondergetekenden slechts te bereiken, indien ook de uitvoeringsorganen worden verplicht loonbelasting in te houden volgens het normale tarief.
In het ontwerp van wet tot coördinatie van bepalingen van loonbelasting en vereveningsheffing met die van sociale verzekeringswetten is deze methode dan ook gevolgd. De ruime omschrijving van het loonbegrip omvat ook de hierbedoelde uitkeringen, hetgeen met zich medebrengt, dat de uitvoeringsorganen als werkgever moeten worden aangemerkt. Hieraan zij toegevoegd, dat, indien de uitkeringen geheel door tussenkomst van de werkgever worden gedaan, uitsluitend deze de loonbelasting dient in te houden. Kent de werkgever een suppletie toe op een niet door zijn tussenkomst gedane uitkering, dan dient hij de loonbelasting over deze suppletie te berekenen met inachtneming van de uitkering, die de werknemer reeds heeft ontvangen.
Aldus wordt een ongelijkheid weggenomen, bestaande tussen de gevallen, dat wel en dat niet de uitkering door tussenkomst van de werkgever geschiedt.In het eerste geval zou over het gehele bedrag loonbelasting zijn ingehouden, terwijl in het tweede geval over de suppletie, daar zij in de regel beneden de belastingvrije grens blijft, geen loonbelasting verschuldigd zou zijn.
Ten einde de taak van de uitvoeringsorganen niet te zeer te verzwaren, waardoor het gevaar van een vertraging in de uitbetaling van de uitkeringen zou kunnen ontstaan, zullen bij uitvoeringsvoorschrift nadere regelen worden gegeven, die deze taak in administratief opzicht zullen verlichten. De hiervóór bedoelde methode leidt tot een rechtvaardige belastingheffing over de sociale-verzekeringsuitkeringen. Op alle uitkeringen zal op de normale wijze loonbelasting worden ingehouden, hetgeen met zich medebrengt, dat de aanslagen in de inkomstenbelasting, die thans vele moeilijkheden opleveren, achterwege kunnen blijven.”
Principaal cassatieberoep; volgt ongelijke behandeling uit beleid of uit de samenvoegingsbepalingen?
ofvroegere dienstbetrekking”. Het lijkt mij echter in de rede te liggen dat de samenvoeging tot loon uit vroegere dienstbetrekking betrekking heeft op de in een tussenzin van art. 9.4(1) URLB 2011 beschreven situatie “alsmede indien hij loon uit meer dan een vroegere dienstbetrekking verstrekt”. [72] Bovendien moet acht worden geslagen op de samenhang met art. 9.1 URLB 2011 (zie 8.5 voor de tekst). Daarin is bepaald dat de werkgever wordt geacht de uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringswetten te verstrekken die door zijn tussenkomst worden uitbetaald. Het ligt niet in de rede dat wat de werkgever geacht wordt te verstrekken, zou maken dat wat daadwerkelijk loon uit dienstbetrekking is via samenvoeging verwordt van loon uit tegenwoordige dienstbetrekking naar loon uit vroegere dienstbetrekking. Het (in systematische zin) ‘bijkomende’ zou dan ‘dominant’ zijn. Tot slot, gelet op dit laatste maar ook gezien het dwingende karakter van art. 9.4(1) URLB 2011 – zie ook 8.23 – ligt het bovendien niet in de rede dat het de bedoeling is geweest een keuzemogelijkheid voor de werkgever te creëren.
nietvia het begrip ‘loon uit tegenwoordige arbeid’ van art. 8.1(1)(e) Wet IB 2001 doorwerkt naar de arbeidskorting, [74] de samenvoeging nog steeds langs een andere weg doorwerkt naar de arbeidskorting. Art. 8.11 Wet IB 2001 bepaalt immers dat – tot een bepaald bedrag aan arbeidsinkomen – de arbeidskorting ten minste de volgens art. 22a Wet LB toegekende arbeidskorting bedraagt (zie de tekst geciteerd in 6.1 en zie 6.7 voor de achtergrond van deze minimumregel). Aangezien op loon uit tegenwoordige dienstbetrekking de witte loonbelastingtabel wordt toegepast (art. 25(2) Wet LB in samenhang met art. 3(1) Regeling loonbelasting- en premietabellen 1990) en in die tabel de arbeidskorting is verwerkt, is ter zake een WGA-uitkering die is samengevoegd tot loon uit een (tegenwoordige) dienstbetrekking de arbeidskorting toegepast voor de loonbelasting. De aldus bepaalde arbeidskorting werkt vervolgens door naar de arbeidskorting in de inkomstenbelasting via de minimumregel.
10.Schending discriminatieverbod op regelgevingsniveau?
Welk toetsingskader (welk discriminatieverbod)?
een zekere beoordelingsruimtetoe. Het gaat erom of hij in redelijkheid mocht aannemen dat de gevallen die hij verschillend heeft behandeld, met het oog op de toepassing van de desbetreffende regeling niet als gelijke gevallen zijn aan te merken. Alleen als de besluitgever daarvan
in redelijkheidniet mocht uitgaan, en de gevallen voor de toepassing van artikel 1 van Pro de Grondwet daarom als gelijke gevallen moeten worden aangemerkt, is een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het verschil in behandeling vereist. (…).”
een ruime beoordelingsvrijheidtoekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in geval van bevestigende beantwoording van deze vraag, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. Indien het – zoals in dit geval – niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras en etnische afkomst, dient het oordeel van de wetgever daarbij te worden geëerbiedigd,
tenzij het evident van redelijke grond ontbloot is0.4
directterug te voeren op een onderscheid dat de arbeidskortingsregeling van art. 8.11 jo art. art. 8.1(1)(e) Wet IB 2001 maakt. Die regeling onderscheidt wel tussen arbeidsinkomen en overig inkomen, en het onderscheidt wel – in dit kader – tussen loon uit tegenwoordige arbeid en ander loon. Maar uit dat onderscheid vloeit het verschil in behandeling tussen een directe WGA-uitkering en een indirecte WGA-uitkering niet direct voort. Naar haar aard is een WGA-uitkering – ongeacht of zij direct door het UWV of indirect via de werkgever wordt betaald – immers niet aan te merken als loon uit tegenwoordige arbeid (zie 7.2-7.3). Kortom, in het opzicht van dit een en ander wordt het verschil in behandeling niet veroorzaakt door de formele wetgever.
directterug te voeren op een onderscheid dat de arbeidskortingsregeling maakt (10.4), terwijl anderzijds de URLB-gever evenmin daarvoor direct verantwoordelijk is te houden (10.6). Dat neemt niet weg dat, als gezegd, de samenloop van de arbeidskortingsregeling en de samenvoegingsregeling wel zorgt voor het verschil in behandeling. En er zal toch bepaald moeten worden wat het toetsingskader is, gelet op de relevantie daarvan voor de beoordeling of het discriminatieverbod is geschonden.
directis terug te voeren op een onderscheid dat de arbeidskortingsregeling maakt, maar dat dit niet betekent dat het verschil in behandeling niet toerekenbaar is aan de formele wetgever. Immers, de gekozen wetgevingstechniek brengt mee dat de ‘omkatting’ van een indirecte WGA-uitkering voor de loonbelasting doorwerkt naar de arbeidskorting in de inkomstenbelasting, te weten het hanteren van het begrip ‘loon uit tegenwoordige arbeid’ alsook de regel dat de arbeidskorting als uitgangspunt ten minste de voor de loonbelasting toegekende arbeidskorting bedraagt. Of vanuit een ander perspectief: de formele wetgever hád ervoor kunnen kiezen om de doorwerking uit te schakelen. Daaraan doet niet af dat (i) dit mogelijk wetstechnisch gecompliceerd was geweest, en (ii) dat het voorkomen van doorwerking wellicht zou betekenen dat doelen die met de samenvoegingsregels worden beoogd niet meer volledig kunnen worden bereikt. Deze factoren nemen niet weg dat gekozen had kunnen worden voor uitschakeling van de doorwerking, maar zijn elementen die in aanmerking (hadden) kunnen worden genomen bij de afweging om de doorwerking al dan niet uit te schakelen.
directe belangdat art. 9.4(1) URLB 2011 dient, is aldus het beperken van administratieve lasten van werkgever. Ik merk op dat met dat directe belang ook een indirect belang is gemoeid, namelijk het belang dát de werkgever meewerkt aan doorbetaling van socialezekerheidsuitkeringen. Een werkgever is daartoe immers niet verplicht (zoals belanghebbende in deze zaak heeft ondervonden). Het zojuist genoemde
indirecte belangdat de werkgever meewerkt, is gelegen zowel bij de werknemer (want hij wordt niet geconfronteerd met geen of minder bijheffing in de inkomstenbelasting) als de fiscus (want die hoeft niet of minder bij te heffen in de inkomstenbelasting).
rocket science. In par 7.6 van het Handboek (8.21) staat een praktische instructie voor de verwerking, aan de hand van een stappenplan. Die instructie laat zien dat de handmatige verwerking een kwestie is van twee grootheden opzoeken in de loonbelastingtabellen en een optel- en aftreksom. Met andere woorden, het gaat om een “geringe administratieve lastenverlichting”, zoals het Hof (rov. 5.4.4) – in cassatie onbestreden – heeft geoordeeld. Bedacht dient verder te worden dat een werkgever niet verplicht is om via zijn tussenkomst een socialezekerheidsuitkering uit te betalen. Een werkgever die de administratieve lasten als prohibitief ervaart, kan medewerking aan de tussenkomst weigeren. Wel komt dan het in 10.38 vermelde indirecte belang in het gedrang. Verder kan aangenomen worden dat in vergelijking tot de situatie ten tijde van de invoering van de arbeidskorting relatief meer werkgevers gebruikmaken van loonadministratiesoftware. Dit vindt steun in het – in cassatie niet bestreden – oordeel van het Hof (rov. 5.4.4) dat “de meeste werkgevers tegenwoordig over een voldoende geavanceerde loonadministratie beschikken en de goedkeuring dus geen relevante overweging kan zijn bij de afweging of de werkgever wil meewerken aan de verloning en uitbetaling van de WGA-uitkering.” Dit betekent dat de groep werkgevers voor wie sprake is van een geringe administratieverlichting, in de loop der tijd kleiner is geworden. Ook dat doet af aan het gewicht dat toekomt aan de belangen die met art. 9.4(1) URLB 2011 zijn gediend.
nietduidelijk laat afleiden dat de discriminatie op de eerste manier dient te worden opgeheven. Het past immers geenszins bij het doel van de arbeidskorting dat een WGA-uitkering daarvoor meetelt, nu het niet om loon uit tegenwoordige arbeid gaat. Het ligt daarom bezien vanuit dat doel niet voor de hand dat het wél meetellen van een indirecte WGA-uitkering wordt uitgebreid naar een directe WGA-uitkering. Korter gezegd: proliferatie van het neveneffect lijkt mij niet de aangewezen weg. Bovendien zou zo’n uitbreiding nieuwe afbakeningsvragen oproepen, bijvoorbeeld of uitbreiding alleen geldt voor degenen die – naast de uitkering – regulier loon genieten, en afbakening ten opzichte van andere socialezekerheidsuitkeringen of meer in het algemeen ten opzichte van ander inkomen uit niet-tegenwoordige arbeid. De in 4.5 aangehaalde brief laat goed zien welke beleidsmatige keuzes gepaard gaan met het ontwarren van de tot discriminatie leidende samenloop van de arbeidskortingsregeling en de samenvoegingsregeling.