Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer],
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
konverschijnen en de suggestie dat hij alsnog zou hebben geprobeerd om te verschijnen als hij daartoe de gelegenheid zou hebben gehad, wordt door de rechtbank dan ook niet serieus genomen. Het niet verschijnen heeft dus niets te maken met de wijze van behandeling door de rechtbank. De rechtbank heeft door de terugwijzing kennis kunnen nemen van de grieven. In deze grieven heeft de gemachtigde van eiser in wezen zijn beroepsgronden herhaald. De rechtbank stelt ook op grond van deze grieven vast dat de gemachtigde van eiser, indien hij door de rechtbank wel in de gelegenheid zou zijn gesteld om schriftelijk te reageren over hetgeen in het proces-verbaal van de zittingen is gerelateerd, geen nieuwe argumenten om zijn beroepsgronden te onderbouwen naar voren zou hebben gebracht. De rechtbank acht dan ook niet onaannemelijk dat indien de gemachtigde van verweerder haar mondeling gegeven toelichting op schrift had gesteld, gemachtigde van eiser zou hebben afgezien van het instellen van hoger beroep, althans niet had gegriefd dat de rechtbank artikelen 5 en 6 EVRM zou hebben geschonden omdat de gemachtigde geen nadere termijn zou hebben gekregen om te reageren op het standpunt van verweerder.
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
vertrekkenmaar verweerder heeft gemotiveerd dat de oplegging van een lichter middel niet heeft geleid
tot zelfstandige medewerkingaan de overdracht. Het
medewerkenaan een overdracht moet ook blijken uit de verklaringen die iemand voorafgaand aan de oplegging van de maatregel heeft afgelegd. Daarnaast heeft verweerder in de maatregel gemotiveerd dat eiser tweemaal niet is verschenen op vertrekgesprekken zonder dit aan verweerder door te geven. De rechtbank overweegt dat ook deze gedragingen vallen onder het niet meewerken aan de overdracht. Verweerder heeft in de lichter middel-overweging gemotiveerd dat de oplegging van een lichter middel niet heeft geleid tot zelfstandige medewerking en dit is dus ook juist en de rechtbank begrijpt dat daarom geen lichter middel is opgelegd maar besloten is om enkele dagen voor de geplande overdracht eiser in bewaring te stellen. De rechtbank betrekt hierbij dat in het bewaringsgehoor is doorgevraagd over eisers gezondheidsproblemen en de familie in Nederland. Hoewel dit niet uitdrukkelijk is benoemd is duidelijk dat verweerder dit geen omstandigheden acht die zouden moeten leiden tot het afzien van de maatregel. De rechtbank acht in dit kader tot slot van belang dat de overdracht reeds was gepland op het moment dat eiser in bewaring werd gesteld waardoor de bewaring niet onnodig lang heeft geduurd. De rechtbank acht dit zorgvuldig. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting van 18 maart 2025 aangegeven uit de uitspraak van de rechtbank van 7 november 2024 af te leiden dat de rechtbank twijfelde of de maatregel vanwege de lichter middel-motivering zou moeten worden opgeheven en daarom op dit punt heeft gegriefd. De rechtbank overweegt dat de nadere toelichting zoals gegeven ter zitting van 18 maart 2025, niet tot een andere beoordeling van de maatregel leidt. Anders dan gemachtigde oordeelt de rechtbank dat het gehoor voldoende blijkt geeft van de verplichting om te onderzoeken of volstaan kan worden met een lichter middel. Eiser heeft verklaard, in antwoord op vragen, met welke medische problemen hij kampt. In reactie daarop is aangegeven welke zorg in het DTC wordt geboden. Vervolgens is gevraagd of sprake is van omstandigheden die moeten meebrengen dat wordt volstaan met een lichter middel. De rechtbank acht dit een terechte vraag. De oplegging van de maatregel kan immers onevenredig bezwarend blijken te zijn ondanks dat de in het DTC geboden medische voorzieningen volstaan en niet aan oplegging van de maatregel in de weg staan. Door het stellen van deze vraag wordt dan ook nagegaan of dit zo is en alsnog moet worden volstaan met een lichter middel. Eiser heeft verder verklaard dat een broer van hem in Nederland woont. De rechtbank overweegt dat verweerder hierin geen aanleiding heeft hoeven te zien om hier nadere vragen over te stellen of om te betrekken bij de lichter middel-motivering. Eiser verbleef op een AZC in afwachting van de overdracht aan Bulgarije. In de maatregel is gemotiveerd dat eiser tweemaal zonder kennisgeving heeft verzuimd om te voldoen aan zijn vertrekplicht. Het tweemaal niet verschijnen op een meldplicht en gelet op de twee zware gronden die terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, zijn redenen geweest voor verweerder om eiser niet toe te staan om langer in het AZC te verblijven in afwachting van de feitelijke overdracht. Hieruit is ook duidelijk dat verweerder het noodzakelijk acht om eiser -kort voor die reeds geplande overdracht en kort voor het verstrijken van de uiterste overdrachtstermijn- in bewaring te stellen om de overdracht te kunnen effectueren. Verweerder hoeft dan niet verder te onderzoeken of eiser wellicht die laatste paar dagen alsnog bij een broer in plaats van op het AZC kan verblijven. Verweerder hoeft dit ook niet nader te motiveren omdat evident is dat het gegeven dat een broer van eiser in Nederland verblijft, en waarbij eiser dus tot aan de oplegging van de maatregel niet heeft verbleven, geen relevante omstandigheid is die kan nopen tot de oplegging van een lichter middel gelet op de overige concrete omstandigheden. De stelling van eiser dat verweerder nader moet motiveren op welke wijze eiser voor de twee vertrekgesprekken waar hij niet is verschenen is uitgenodigd omdat het gemachtigde verbaast dat eiser niet is verschenen slaagt niet. Er zijn geen indicaties dat eiser niet op de hoogte is geweest van deze twee gesprekken. Eiser heeft dit in ieder geval niet zelf verklaard toen hem dit is voorgehouden in het gehoor dat is voorafgegaan aan de oplegging van de maatregel. Eiser heeft hierop alleen verklaard dat hij niet terug wil naar Bulgarije. De rechtbank concludeert dan ook dat verweerder niet heeft hoeven te volstaan met de oplegging van een lichter middel en dat verweerder voldoende heeft onderzocht of dat kon en voldoende heeft gemotiveerd waarom verweerder de maatregel in plaats van een lichter middel heeft opgelegd.
Beslissing
mr.M.M.M.F. Roijen, griffier.