ECLI:NL:RBOVE:2026:3980

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
AK_25_690
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:51a AwbArt. 8:51b Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting

Deze bestuursrechtelijke tussenuitspraak betreft het beroep van eiseres tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zwolle tot intrekking, herziening en terugvordering van bijstandsuitkeringen, individuele inkomenstoeslag en energietoeslag over de periode van 2018 tot 2023.

De rechtbank stelt vast dat eiseres de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met haar ex-partner en door het niet melden van handelsactiviteiten. Het college heeft het recht op bijstand over de gehele periode ingetrokken en teruggevorderd, maar heeft onvoldoende gemotiveerd waarom dit over de hele periode geldt en waarom niet is onderzocht of een aanvullend recht op bijstand bestond.

Verder ontbreekt een deugdelijke belangenafweging over dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. De rechtbank geeft het college de gelegenheid om deze gebreken te herstellen binnen een termijn van zes weken en houdt de verdere beslissing aan tot de einduitspraak. De rechtbank oordeelt dat de gebruikte bewijsmiddelen, waaronder stelselmatige observaties, rechtmatig zijn verkregen en mogen worden gebruikt.

Uitkomst: De rechtbank stelt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en berekend, en geeft het college zes weken om de gebreken te herstellen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/690 T

tussenuitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres (hierna te noemen: [eiseres]),

gemachtigde: mr. L.J.T. Hoksbergen,
en

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle, het college

gemachtigde: [gemachtigde].

Samenvatting

1. Deze tussenuitspraak gaat over de intrekking, herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering, individuele inkomenstoeslag en energietoeslag die [eiseres] ontving. [eiseres] is het hier niet mee eens en zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of [eiseres] gelijk krijgt of niet.
1.1.
De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit van 17 januari 2025 niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en dat een deugdelijke motivering ontbreekt. [eiseres] krijgt daarom (deels) gelijk. Het college is naar het oordeel van de rechtbank wel terecht tot de conclusie gekomen dat [eiseres] de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het college heeft echter onvoldoende gemotiveerd waarom het recht op bijstand van [eiseres] over de gehele periode november 2022 tot 28 november 2023 is ingetrokken. Het college had aan de hand van de totale inkomsten van [eiseres] en haar ex-partner [naam 1] (hierna te noemen: [naam 1]) kunnen en moeten bezien of in deze periode een (aanvullend) recht op bijstand bestond. Daarnaast ontbeert het bestreden besluit een deugdelijke belangenafweging in het kader van de vraag of er dringende redenen bestaan om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Omdat de rechtbank zoveel mogelijk moet proberen om tot een uiteindelijke oplossing te komen van het geschil (finale geschilbeslechting) doet de rechtbank nog geen einduitspraak, maar een tussenuitspraak. Met deze tussenuitspraak stelt de rechtbank het college in de gelegenheid om de gebreken te herstellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De standpunten van partijen zijn weergegeven onder 4 en 5. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
1.3.
De verdragsbepalingen en de wettelijke regels die voor de beoordeling van het beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop
2. In het besluit van 29 februari 2024 (primaire besluit I) heeft het college het recht op bijstand van [eiseres] over de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022 herzien en over de periode van 1 april 2022 tot 28 november 2023 ingetrokken. Het college heeft van [eiseres] een bedrag van in totaal € 30.750,06 (periode 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022 € 2.073,74 en de periode van 1 april 2022 tot 28 november 2023 € 28.676,32) teruggevorderd. Daarvan wordt vanwege hoofdelijke aansprakelijkheid een bedrag van
€ 28.676,32 van zowel [eiseres] als van [naam 1] teruggevorderd.
2.1.
In het besluit van 29 februari 2024 (primaire besluit II) heeft het college het recht op bijstand van [eiseres] en [naam 1] over de periode van 1 februari 2018 tot en met
7 december 2021 over te onderscheiden maanden herzien en ingetrokken en van hen een bedrag van in totaal € 42.293,39 teruggevorderd.
2.2.
In het besluit van 29 februari 2024 (primaire besluit III) heeft het college [eiseres] laten weten dat zij hoofdelijk aansprakelijk is voor de terugvordering van € 29.288,60 als gevolg van de aan [naam 1] over de periode van 1 april 2022 tot en met
27 november 2023 ten onrechte verleende bijstand. Het bedrag van € 29.288,60 wordt mede van [eiseres] teruggevorderd.
2.3.
In het besluit van 10 mei 2024 (primaire besluit IV) heeft het college bepaald dat [eiseres] maandelijks een bedrag van € 417,00 moet aflossen op de totale vordering van
€ 102.332,05.
2.4.
[eiseres] heeft tegen voornoemde primaire besluiten bezwaar gemaakt.
2.5.
In het bestreden besluit van 17 januari 2025 heeft het college de bezwaren van [eiseres] ongegrond verklaard.
2.6.
[eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.7.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiseres], haar gemachtigde en de gemachtigde van het college.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. [eiseres] ontving sinds 1 februari 2018 een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden. Per 8 december 2021 kreeg [eiseres] een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande.
3.1.
Het college heeft op 15 november 2022 via het project Joint Social Fraud, een samenwerkingsverband van de gemeente, het Openbaar Ministerie en de politie Oost-Nederland, een melding ontvangen vanwege het vermoeden dat sprake is van zwart werken door [naam 1] en dat hij mogelijk inkomsten heeft. De Sociale Recherche IJssel-Vechtstreek (sociale recherche) heeft een onderzoek ingesteld. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in het rapport van 29 december 2023.
3.2.
Vervolgens is de besluitvorming gevolgd zoals hiervoor in de inleiding uiteen is gezet.

Het standpunt van het college

De herziening, intrekking en terugvordering over de periode van 1 februari 2018 tot en met 7 december 2021
4. Het college heeft het recht op bijstand van [eiseres] en [naam 1] over de periode van 1 februari 2018 tot en met 7 december 2021 over te onderscheiden maanden herzien en ingetrokken. [eiseres] en [naam 1] ontvingen in deze periode bijstand naar de norm voor gehuwden. [naam 1] en [eiseres] hebben geen melding gemaakt van:
het in de periode van 1 augustus 2021 tot en met 7 december 2021 verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden door [naam 1] bij [bedrijf] en de van [bedrijf] ontvangen gelden;
het gokken door [naam 1], de gokinkomsten/stortingen en de van derden ontvangen gelden in de periode van 1 februari 2018 tot en met 30 november 2021;
de oncontroleerbare inkomsten in de periode 6 oktober 2021 tot en met
30 november 2021 die het college heeft aangemerkt als verzwegen inkomsten. [naam 1] betaalde de huur van twee woningen, waarvan het totaal hoger was dan de bijstandsuitkering die men maandelijks ontving;
e inkomsten van [naam 1] uit een hennepkwekerij in de periode
22 november 2021 tot en met 30 november 2021.
Volgens het college had het [eiseres] en [naam 1] redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat zij melding hadden moeten maken van deze activiteiten, omdat deze onmiskenbaar van belang zijn voor het recht op bijstand. Het college heeft over voornoemde periode van [naam 1] en [eiseres] een bedrag van in totaal € 42.293,39 teruggevorderd.
De herziening, intrekking en terugvordering over de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022 en de periode van 1 april 2022 tot 28 november 2023.
4.1
Het college heeft het recht op bijstand, energietoeslag en individuele inkomenstoeslag van [eiseres] over de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022 (periode I) herzien en over de periode van 1 april 2022 tot 28 november 2023 (periode II) ingetrokken. [eiseres] heeft in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting niet gemeld dat zij handelde in (merk)kleding (periode I) en dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met [naam 1] (periode II). Het college vordert van [eiseres] de over periode I te veel betaalde bijstand terug tot een bedrag van € 2.073,74. Over periode II vordert het college een bedrag van € 28.676,32 van zowel [eiseres] als van [naam 1], omdat zij beiden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de terugbetaling van dit bedrag. Gebleken is dat [eiseres] en [naam 1] in de betreffende periode feitelijk (weer) een gezamenlijke huishouding voerden.
Dringende redenen
4.2.
Volgens het college vormt de financiële en sociale situatie van [eiseres] geen dringende reden om van terugvordering af te zien. Niet aannemelijk is gemaakt dat de terugvordering onaanvaardbare financiële of sociale gevolgen heeft. Het college heeft er in dit verband op gewezen dat de terugvordering pas bij de invordering financiële gevolgen heeft, waarbij [eiseres] wordt beschermd door de regels over de beslagvrije voet. Het college heeft, met inachtneming van de persoonlijke omstandigheden van [eiseres] en de menselijke maat, de aflossingscapaciteit van [eiseres] vastgesteld op € 417,00 per maand. Zij blijft beschikken over een inkomen waarmee zij in haar kosten van bestaan en die van haar kinderen kan voorzien.
Het college wijst er in dit verband nog op dat [naam 1] hoofdelijk aansprakelijk is voor de aflossing van een groot deel van de vordering en dat ook voor hem een aflossingsverplichting geldt. De aflossing komt derhalve in de praktijk niet volledig voor rekening van [eiseres]. Verder hanteert het college een kwijtscheldingsbeleid waarin is bepaald dat kwijtschelding kan worden verleend nadat tien jaar is afgelost.
Ook wat [eiseres] over haar sociale en psychische problemen heeft aangevoerd, en onderbouwd met een brief van haar behandelaar, vormt voor het college geen dringende reden om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. [eiseres] heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar huidige mentale toestand het gevolg is van, of in onaanvaardbare mate verergerd is door de terugvordering. Het college heeft psychiater Buiten (Buiten) onderzoek laten doen naar de psychische gevolgen voor [eiseres] van het besluit tot terugvordering. Buiten heeft een rapport uitgebracht en volgens het college blijkt daaruit dat [eiseres] psychische problemen ondervindt en de terugvordering voor haar impactvol is, maar dat niet is gebleken van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Toetsing van de dringende redenen aan het evenredigheidsbeginsel, leidt het college niet tot een ander oordeel. Volgens het college is duidelijk dat [naam 1] het grootste aandeel heeft gehad in de totstandkoming van de terugvordering, maar kan niet worden gezegd dat [eiseres] hier niet ook een aanzienlijk aandeel in heeft gehad. Zij heeft immers net zo goed bewust de inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van de jarenlange werkzaamheden van [naam 1] bij [bedrijf]. Zij had daar volgens haar eigen verklaring weet van, net als van het weer voeren van een gezamenlijke huishouding en van de handel in (merk)kleding. Deze bevindingen samen hebben betrekking op het overgrote deel van de vordering, aldus het college.
De medeterugvordering
4.3.
Het college vordert van [eiseres] de ten onrechte aan [naam 1] verleende bijstand over de periode van 1 april 2022 tot 28 november 2023 mede terug tot een bedrag van € 29.288,60. Volgens het college voerden [eiseres] en [naam 1] feitelijk een (verzwegen) gezamenlijke huishouding en had de bijstand in deze periode dus naar de norm voor gehuwden moeten worden verleend. Volgens het college zijn er geen dringende redenen of bijzondere omstandigheden om af te zien van medeterugvordering. Het college meent dat niet kan worden gezegd dat [eiseres] geen enkel persoonlijk verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de schending van de inlichtingenverplichting in deze periode. Zij heeft immers geen melding gemaakt van het weer voeren van een gezamenlijke huishouding en de door haar verrichte handel in (merk)kleding. Het college ziet geen reden om af te zien van medeterugvordering.

Het standpunt van [eiseres]

De herziening, intrekking en terugvordering over de periode van 1 februari 2018 tot en met 7 december 2021.
5. [eiseres] stelt dat het college ten onrechte heeft aangenomen dat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Zo had [eiseres] geen weet van de inkomsten van [naam 1] bij [bedrijf]. [naam 1] heeft zelf verklaard dat het een hobby is en dat hij een lening van zijn broer heeft ontvangen. Verder zijn de verklaringen van buurtgenoten over de werkzaamheden van [naam 1] niet gebaseerd op eigen waarnemingen. Volgens [eiseres] kunnen de gestelde werkzaamheden in de kickboksschool dan ook niet worden bewezen.
[eiseres] stelt verder dat er onvoldoende grond is om aan te nemen dat sprake is van inkomsten uit gokken. [naam 1] heeft juist verklaard dat hij een vriend hielp bij het gokken. Niet staat vast dat deze inkomsten al zouden zijn gestart op 1 februari 2018, aldus [eiseres]. Daarnaast heeft [eiseres] over de bijschrijvingen van derden verklaard dat dit geld van haar moeder was. Over deze bedragen kon [eiseres] dus niet beschikken en zij kunnen daarom niet als basis dienen voor de gehele periode van terugvordering. Het recht op bijstand over te onderscheiden maanden in de periode van 1 februari 2018 tot en met
7 december 2021 is dan ook ten onrechte herzien, ingetrokken en teruggevorderd, aldus [eiseres].
De herziening, intrekking en terugvordering over de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022 en de periode van 1 april 2022 tot 28 november 2023.
5.1.
[eiseres] stelt dat het college ten onrechte de bijstandsuitkering, de energietoeslag en de individuele inkomenstoeslag die zij ontving over de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022 heeft herzien en over de periode van 1 april 2022 tot 28 november 2023 heeft ingetrokken, omdat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting zou hebben geschonden. Het college heeft ten onrechte aangenomen dat [eiseres] handelde op Marktplaats en Vinted. [eiseres] verkocht slechts incidenteel kleding via internet en het ging ook nog eens om tweedehands kleding. Van stelselmatige verkoop in de periode van
1 januari 2022 tot 1 april 2022 is geen sprake. De herziening van de bijstandsuitkering over deze periode kan dan ook geen standhouden, aldus [eiseres].
[eiseres] betwist verder dat zij met [naam 1] een gezamenlijke huishouding voerde. De observaties en waarnemingen die het college hieraan ten grondslag heeft gelegd, bestrijken slechts een beperkte periode en zijn onvoldoende bewijs om de gehele periode van de intrekking op te baseren.
Verder stelt [eiseres] dat de duur en intensiteit van de cameraobservaties die in het kader van het strafrechtelijk onderzoek zijn gedaan, in strijd zijn met artikel 8 van Pro het EVRM. [1] Deze camerabeelden mogen niet als bewijs worden gebruikt in het onderzoek naar bijstandsfraude. [eiseres] verwijst ter onderbouwing van haar betoog naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 13 september 2016. [2] Evenmin kan de vaststelling van de politie dat [naam 1] uit de woning van [eiseres] kwam, dienen als bewijs dat hij zijn hoofdverblijf bij [eiseres] had. Verder bewijzen de verklaringen van de buurtbewoners volgens [eiseres] evenmin dat [naam 1] zijn hoofdverblijf bij haar had. Uit de algemene verklaringen volgt namelijk geen eenduidig beeld dat [naam 1] voortdurend aanwezig was op het adres [adres 1].
5.2.
Verder stelt [eiseres] dat het college ten onrechte de volledige aan haar en aan [naam 1] betaalde bijstand terugvordert. Als uitgegaan moet worden van een gezamenlijke huishouding in de periode van 1 april 2022 tot 28 november 2023 dan had bij de berekening van het terugvorderingsbedrag rekening moeten worden gehouden met het feit dat zij recht hadden op bijstand naar de norm voor gehuwden.
De dringende redenen
5.3.
[eiseres] stelt dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom van haar een dergelijk groot bedrag wordt teruggevorderd. [eiseres] had geen weet van de activiteiten van [naam 1]. [eiseres] beroept zich in dit verband op de menselijke maat en zij wijst op de mentale situatie waarin zij zich jaren heeft bevonden. Zij verwijst daarbij naar het rapport van Buiten van 10 januari 2025 en naar een brief van Dimence van 9 januari 2024. [eiseres] draagt de zorg voor haar minderjarige kinderen. Zij kan zich vanwege de zorg voor haar kinderen, haar werk en haar psychische problemen moeilijk staande houden. Volgens [eiseres] zijn er dan ook dringende redenen op grond waarvan het college aanleiding had moeten zien om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
[eiseres] stelt in dit verband dat de termijn om terug te vorderen moet worden beperkt tot vijf jaar. Zij verwijst in dit verband naar het Wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid van de toenmalige minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [naam 2]. In het geval van [eiseres] kan de terugvordering niet op een langere periode zien dan van 1 februari 2018 tot en met 1 februari 2023, zo stelt zij.
De medeterugvordering
5.4.
[eiseres] stelt verder dat het college haar ten onrechte hoofdelijk aansprakelijk acht voor de terugvordering van € 29.288,60 als gevolg van de aan [naam 1] over de periode van 1 april 2022 tot 28 november 2023 ten onrechte verleende bijstand. Dit bedrag wordt ten onrechte mede van [eiseres] teruggevorderd. Volgens [eiseres] kan haar geen verwijt worden gemaakt. Zij voerde geen gezamenlijk huishouding en ook handelde zij niet in kleding. De medeterugvordering kan dan ook niet hierop worden gebaseerd, aldus [eiseres]. Daarnaast zijn er dringende redenen op grond waarvan van de medeterugvordering moet worden afgezien. [eiseres] wordt door deze medeterugvordering en de andere terugvorderingen zwaar geraakt en zij heeft vele jaren nodig om dit bedrag terug te betalen.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank beoordeelt de herziening, intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering, de energietoeslag en de individuele inkomenstoeslag over de te onderscheiden perioden aan de hand van de beroepsgronden die [eiseres] heeft aangevoerd. Kort gezegd komt het betoog van [eiseres] erop neer dat het college ten onrechte heeft aangenomen dat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Daar zal de rechtbank eerst op ingaan. Daarna zal de rechtbank ingaan op wat [eiseres] heeft aangevoerd over de dringende redenen die volgens haar aanleiding geven om van (mede)terugvordering af te zien.
De schending van de inlichtingenverplichting
7. De totale te beoordelen periode loopt van 1 februari 2018 tot 28 november 2023. Deze periode omvat de volgende te onderscheiden perioden: de periode van 1 februari 2018 tot en met 7 december 2021, de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022 en de periode van 1 april 2022 tot 28 november 2023.
7.1.
Intrekking en herziening van bijstand zijn voor de betrokkene belastende besluiten. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Deze bewijslast brengt in dit geval met zich dat het college aannemelijk moet maken dat, en in welk opzicht, [eiseres] gedurende de gehele te beoordelen periode de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan hetzij het recht op bijstand over die periode niet kan worden vastgesteld dan wel dat zij in die periode geen of minder recht op bijstand heeft.
De periode van 1 februari 2018 tot en met 7 december 2021
7.2.
Het college heeft aan zijn standpunt dat [eiseres] in deze periode de inlichtingenverplichting heeft geschonden de volgende bevindingen ten grondslag gelegd. De rechtbank zal deze, voor zover bestreden, hieronder afzonderlijk bespreken.
a)
het in de periode van 1 augustus 2021 tot en met 7 december 2021 verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden door [naam 1] bij [bedrijf] en de van [bedrijf] ontvangen gelden
7.3.
Het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden kan voor het recht op bijstand van belang zijn. Dit hangt niet af van de bedoeling waarmee die werkzaamheden worden verricht. Het maakt ook niet uit of uit die werkzaamheden inkomsten worden genoten. Voor het recht op bijstand moet namelijk niet alleen rekening worden gehouden met het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook met het inkomen waarover de betrokkene redelijkerwijs kan beschikken. Dit volgt uit artikel
31, eerste lid, in verbinding met artikel 32, eerste lid, van de Participatiewet (PW). Het gaat om werkzaamheden waar gewoonlijk een beloning tegenover staat of waarvoor de betrokkene redelijkerwijs een beloning kan bedingen. Dit is vaste rechtspraak. [3]
7.4.
Bedragen die contant zijn gestort en bedragen die zijn overgemaakt door derden naar een bankrekening van een bijstandontvanger worden in beginsel beschouwd als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, is het inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW als zij door de betrokkene kunnen worden gebruikt voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan. Ook dit is vaste rechtspraak. [4]
7.5.
De onderzoeksbevindingen bieden naar het oordeel van de rechtbank een toereikende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat de activiteiten die [naam 1] voor [bedrijf] verrichtte, op geld waardeerbaar waren. Van belang zijn met name de verklaringen van [naam 1] zelf, maar ook wat zijn vader, broer en [eiseres] hebben verklaard. [naam 1] opende één á twee keer in de week de sportschool en bleef dan totdat zijn broer, de eigenaar van de sportschool, aanwezig was. [naam 1] had een eigen sleutel van de sportschool en fungeerde als gastheer. Ook verzorgde hij sportlessen en warming-ups en assisteerde hij bij trainingen. Dat gebeurde twee á drie keer in de week, maar soms ook vier keer per week. Daarnaast presenteert [naam 1] zich op de website van de sportschool en op sociale media als trainer bij [bedrijf]. De werkzaamheden van [naam 1] voor [bedrijf] gaan dan ook verder dan alleen activiteiten van hobbymatige aard, zoals [eiseres] naar voren heeft gebracht. Gelet op de aard, de omvang, de duur en het terugkerende karakter van de werkzaamheden, zijn deze op geld waardeerbaar. Van de werkzaamheden bij [bedrijf] had [eiseres] melding moeten maken bij het college. Zij heeft dat niet gedaan.
De stelling van [eiseres] dat zij geen weet had van de werkzaamheden van [naam 1], volgt de rechtbank niet. Zo heeft zij tijdens het verhoor op 28 november 2023 ten overstaan van de sociaal rechercheurs verklaard dat [naam 1] zijn broer wel eens helpt bij [bedrijf], dat hij daar optreedt als gastheer en dat hij ook wel eens lesgeeft. Ook heeft zij verklaard dat [naam 1] zijn broer heeft geholpen met het opstarten van de kickboksschool.
7.6.
[naam 1] heeft daarnaast met regelmaat bedragen gestort gekregen op zijn bankrekening, afkomstig van [bedrijf]. Ook dit is bij het college niet gemeld. De stelling van [eiseres] dat het hier ging om bedragen die [naam 1] van zijn broer had geleend, leidt niet tot een ander oordeel. Een geldlening is in artikel 31, tweede lid, van de PW niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Bovendien worden periodieke betalingen van derden, waaronder familieleden, aan een betrokkene als inkomen aangemerkt als daarover vrij kan worden beschikt en maakt de vorm van die betalingen geen verschil. Dit volgt uit vaste rechtspraak. [5] Niet is gebleken dat niet vrijelijk kon worden beschikt over deze bedragen. Dit alles betekent dat [eiseres] de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het gaat hier om gegevens waarvan haar redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.
b)
het gokken door [naam 1], de gokinkomsten/stortingen en de van derden ontvangen gelden in de periode van 1 februari 2018 tot en met 30 november 2021
7.7.
Niet in geschil is dat [naam 1] en [eiseres] in de periode waar het hier om gaat geen melding hebben gemaakt van de (online) gokactiviteiten van [naam 1]. Dit hadden zij wel moeten doen, omdat het gaat om feiten die van belang zijn voor het recht op bijstand. Gokken is immers een activiteit waarmee inkomsten worden verkregen die iemand voor het bekostigen van zijn levensonderhoud kan gebruiken. Zij hebben dan ook de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden. De PW verplicht het college bij schending van de inlichtingenverplichting over te gaan tot herziening dan wel intrekking en terugvordering van de bijstand als dit heeft geleid tot een te hoog verleend bedrag aan bijstand.
7.8.
De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak [6] is het bij online gokactiviteiten voor de vaststelling van het recht op bijstand van belang welke inkomsten er zijn uit het gokken. De ontvangen inkomsten zijn immers van invloed op het recht op bijstand omdat de bijstandsgerechtigde de inkomsten uit gokken vrij kan besteden voor zijn levensonderhoud. Dat, voor zover [eiseres] dit heeft beoogd te stellen, bij de vaststelling van de inkomsten uit gokken rekening moet worden gehouden met de inlegkosten, wordt door de rechtbank niet gevolgd. Volgens rechtspraak van de CRvB [7] is bij de vaststelling van het in het kader van de PW in aanmerking te nemen inkomen geen plaats voor verrekening van verwervingskosten. De inleg is bij gokken met verwervingskosten gelijk te stellen. Een andere uitleg zou ertoe leiden dat een betrokkene zou kunnen beschikken over een inkomen boven de bijstandsnorm, te weten de inkomsten uit zijn gokactiviteiten én de verleende bijstand. Om die reden kunnen de inlegkosten bij gokactiviteiten niet in mindering worden gebracht op de ontvangen bedragen.
7.9.
Het college heeft de inkomsten van [naam 1] uit de online gokactiviteiten in de te beoordelen periode vastgesteld aan de hand van de afschriften van zijn bankrekening en creditcard, waarop betalingen/inzetten zijn te zien naar gokplatforms en bijschrijvingen en uitbetalingen van gokwinsten. Bij gokken in een fysiek casino, wat [naam 1] ook heeft gedaan, wordt er op grond van vaste rechtspraak [8] van uitgegaan dat, behoudens tegenbewijs, de winst gelijk is aan de inleg. Bij verzwegen gokactiviteiten in een gokinstelling kan de betrokkene aan de hand van pinopnames in een gokinstelling de omvang van de door hem verrichte gokactiviteiten en de daarmee verkregen bedragen aannemelijk maken. In het geval van [naam 1] ontbreekt die informatie, zodat het college de omvang van de inkomsten van het gokken in het casino niet heeft kunnen vaststellen. De stelling van [eiseres] dat [naam 1] een vriend hielp met het gokken, leidt de rechtbank, bij gebreke van enige onderbouwing, niet tot een ander oordeel.
7.10.
Vaststaat verder dat zowel [naam 1] als [eiseres] kasstortingen en bedragen van derden op hun rekening hebben ontvangen in de periode dat zij ook een bijstandsuitkering ontvingen. Zij hebben het college hierover in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting niet geïnformeerd. Zoals overwogen in 7.4, worden kasstortingen en bijschrijvingen door derden op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel beschouwd als in aanmerking te nemen middelen. Als deze een terugkerend of periodiek karakter hebben, aangewend kunnen worden voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, zoals in het geval van [naam 1] en [eiseres], is voorts sprake van inkomsten die op de bijstand in mindering moeten worden gebracht. Het ligt dan op de weg van [naam 1] en [eiseres] om aannemelijk te maken dat geen sprake is van inkomen. [9] Daar is [eiseres] niet in geslaagd. Dat het in haar geval (ook) zou gaan om geld dat van haar moeder was, omdat haar moeder niet over een eigen bankpas beschikt, heeft zij niet nader onderbouwd. De bedragen werden bijgeschreven op de bankrekeningen van [naam 1] en [eiseres] en het college heeft deze stortingen en bijschrijvingen dan ook terecht aangemerkt als middelen en inkomsten.
7.11.
De rechtbank stelt tot slot vast dat [eiseres] geen beroepsgronden heeft aangevoerd tegen het standpunt van het college dat in de periode van 6 oktober 2021 tot en met
30 november 2021 sprake was van door [naam 1] verzwegen inkomsten vanwege de maandelijkse huur van twee woningen die door hem werd betaald, waarvan het totaal hoger was dan de bijstandsuitkering, alsmede dat in de periode 22 november 2021 tot en met 30 november 2021 sprake was van de exploitatie van en inkomsten uit een hennepkwekerij. Op de zitting heeft [eiseres] dit desgevraagd bevestigd.
De periode van 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022
7.12.
Het college heeft het recht van bijstand over deze periode herzien, omdat [eiseres] in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen melding heeft gemaakt van handelsactiviteiten op Marktplaats en Vinted. Het college heeft op basis van de van Marktplaats en Vinted gevorderde en verkregen gegevens vastgesteld dat in de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022 inkomsten uit verkopen zijn genoten. [eiseres] stelt dat sprake is van incidentele verkoop van privégoederen die niet bij het college hoeft te worden gemeld.
7.13.
Voor een betrokkene die bijstand ontvangt, is het niet verboden om goederen via internet te verkopen. Maar hij moet die verkoop en de daaruit verkregen inkomsten wel tijdig melden bij de bijstandverlenende instantie. De opbrengst van incidentele verkoop van privégoederen, al dan niet via internet, wordt in het algemeen niet als inkomen aangemerkt. De opbrengst daarvan hoeft in beginsel niet te worden gemeld bij de bijstandverlenende instantie. Dit is vaste rechtspraak. [10] Of sprake is van incidentele verkoop van privégoederen is afhankelijk van de aard, de omvang en de regelmaat van de verkoopactiviteiten. Indien geen sprake is van incidentele verkoop van privégoederen moeten de activiteiten op Marktplaats worden aangemerkt als handel. Dit is ook vaste rechtspraak. [11]
7.14.
Uit onderzoek door de sociale recherche is gebleken dat in de periode van januari 2019 tot november 2022 op Marktplaats en Vinted veelvuldig advertenties zijn geplaatst. Daarnaast heeft [eiseres] betalingen ontvangen uit de verkopen van (merk)kleding op Marktplaats en Vinted. [eiseres] heeft in dit verband verklaard dat zij kleding verkocht afkomstig uit de voormalige winkel van haar schoonmoeder. Gelet op de aard, omvang en regelmaat van de verkoopactiviteiten, heeft het college terecht geconcludeerd dat geen sprake is geweest van incidentele verkoop van privégoederen, maar van handel. Hiervan had [eiseres] melding moeten maken bij het college en dat heeft zij ten onrechte niet gedaan.
De periode van 1 april 2022 tot 28 november 2023
7.15.
Het college heeft aan de intrekking van het recht op bijstand, energietoeslag en individuele inkomenstoeslag van [eiseres] over deze periode ten grondslag gelegd dat zij in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting niet heeft gemeld dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met [naam 1]. [eiseres] betwist dat daarvan sprake was. Zij voert ook aan dat de duur en intensiteit van de cameraobservaties die in het kader van het strafrechtelijk onderzoek zijn gedaan, in strijd zijn met artikel 8 van Pro het EVRM en niet als bewijs mogen worden gebruikt. De rechtbank zal hier eerst op ingaan. Daarna zal de rechtbank ingaan op de vraag of het college terecht heeft aangenomen dat sprake is van een gezamenlijke huishouding.
7.16.
Uit de gedingstukken blijkt dat na overleg met de officier van justitie op 30 maart 2023 is besloten het onderzoek strafrechtelijk voort te zetten in verband met de combinatie van illegale samenwoning, hennepteelt en het vermoeden dat het benadelingsbedrag meer dan € 50.000,00 bedraagt. In het kader van dit strafrechtelijke onderzoek vonden onder meer stelselmatige cameraobservaties als bedoeld in artikel 126g Sv [12] plaats bij het adres [adres 1]. De officier van justitie heeft hiervoor op 24 april 2023 een bevel tot stelselmatige observatie afgegeven voor een periode van drie maanden. Aangezien de stelselmatige observaties zijn gedaan nadat daarvoor door de officier van justitie toestemming is verleend op grond van eerdergenoemd artikel van het Sv, berust de inbreuk die is gemaakt op het recht op respect voor het privéleven van [eiseres] op een voldoende duidelijke en voorzienbare en met waarborgen omklede wettelijke grondslag. In de rechtspraak wordt niet snel aangenomen dat door derden verkregen bewijs niet door een bestuursorgaan mag worden gebruikt. [13] Dit mag alleen niet als sprake is van bewijs dat is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in deze zaak aan dit criterium is voldaan. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het college de bevindingen van het strafrechtelijk onderzoek mocht betrekken bij het onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstandsuitkering.
7.17.
De verwijzing van [eiseres] naar de uitspraak van de CRvB van 13 september 2016 treft geen doel, omdat in de zaak die heeft geleid tot die uitspraak sprake was van het gebruik van een camera in het kader van een bestuursrechtelijk onderzoek, dat niet berustte op een voldoende duidelijke en voorzienbare en met waarborgen omklede wettelijke grondslag.
7.18.
Van een gezamenlijke huishouding is sprake als twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
7.19.
Vaststaat dat uit het huwelijk van [eiseres] en [naam 1] kinderen zijn geboren. Voor de beantwoording van de vraag of [eiseres] en [naam 1] een gezamenlijke huishouding voerden, is dan, anders dan onder 7.18 vermeld, slechts bepalend of zij in de te beoordelen periode, in dit geval van 1 april 2022 tot 28 november 2023, hun hoofdverblijf in dezelfde woning op het adres [adres 1] hadden. [14]
7.20.
Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven is. Dit moet aan de hand van concrete feiten en omstandigheden worden vastgesteld. Als aannemelijk is dat betrokkenen op hetzelfde adres hun hoofdverblijf
hadden, maakt het niet uit of zij stonden ingeschreven op verschillende adressen.
7.21.
Vaststaat dat [eiseres] met de kinderen woonde in de woning op het adres [adres 1]. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de onderzoeksbevindingen, in onderlinge samenhang bezien, een toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat [naam 1] in de te beoordelen periode eveneens zijn hoofdverblijf had op het adres [adres 1] en dat sprake was van het voeren van een gezamenlijke huishouding met [eiseres].
Het college heeft de conclusie dat [naam 1] zijn hoofdverblijf op het adres [adres 1] had onder meer gebaseerd op getuigenverklaringen van vijf buurtbewoners van het adres [adres 1]. Deze verklaringen zijn voldoende gespecificeerd, gedetailleerd en overtuigend. De buurtbewoners hebben [naam 1] en [eiseres] herkend van de foto’s die zijn getoond. Zo heeft een buurtbewoner op de vraag wie er op het adres [adres 1] wonen, geantwoord dat [naam 3] en [naam 4] en hun twee kinderen op dit adres wonen. De betreffende buurtbewoner woont sinds april 2022 in de [adres 1] en weet niet beter dan dat zij daar wonen. De gezinssamenstelling is sinds april 2022 niet veranderd. De buurtbewoner heeft verder verklaard dat hij [naam 1] zowel dagelijks als een paar keer per week ziet. Een andere buurtbewoner heeft op de vraag wie er op het adres [adres 1] wonen, geantwoord dat [naam 3] en [naam 4] met hun twee kinderen op het adres wonen. De buurtbewoner heeft ook de namen van de kinderen genoemd. De buurtbewoner woont sinds maart 2001 in de [adres 1] en heeft verklaard dat de gezinssamenstelling sinds 2016 is zoals die nu is. De buurtbewoner heeft verklaard dat [naam 1] wisselend aanwezig is op het adres [adres 1]. Weer een andere buurtbewoner heeft bij het zien van een foto van [naam 1] en [eiseres] verklaard dat dit de buurman en buurvrouw van [adres 1] zijn. Op dit adres woont een gezin met twee kinderen en de gezinssamenstelling is sinds februari 2018 onveranderd . Een andere buurtbewoner heeft verklaard dat op het adres [adres 1] een gezin woont, bestaande uit een man, een vrouw en twee kinderen en dat de gezinssamenstelling sinds 2016 onveranderd is. Deze buurtbewoner heeft verder verklaard dat hij [naam 1] constant op het adres [adres 1] ziet. Een andere buurtbewoner heeft desgevraagd verklaard dat een man, een vrouw en twee kinderen op het adres [adres 1] wonen. De gezinssamenstelling is sinds december 2014 onveranderd. De buurtbewoner heeft verklaard dat [naam 1] altijd dan wel heel vaak aanwezig is en dat hij dat weet, omdat [naam 1] altijd de kinderen naar school brengt en ook weer van school haalt.
De sociaal rechercheurs hebben daarnaast een huisbezoek aan het adres [adres 2] afgelegd, in aanwezigheid van [naam 1]. Onder meer is vastgesteld dat in de woning geen post of administratie op naam van [naam 1] in de woning aanwezig was. De aangetroffen documenten, bankpassen, tankpassen en het rijbewijs stonden op naam van andere personen. [naam 1] kon desgevraagd geen aantoonbaar persoonlijk bezit tonen. Op de vraag waar [naam 1] zijn apneuapparaat heeft liggen, antwoordde hij dat het apparaat op het adres [adres 1] ligt. Ook is buurtonderzoek verricht en hebben buren van [adres 2] die zicht hadden op de woning (anoniem) een verklaring afgelegd. Zij hebben onder meer verklaard dat op het adres [adres 2] meerdere personen komen. [naam 1] werd herkend van een foto en verklaard is dat hij sinds twee jaar niet meer gezien is in de woning. Een buurtbewoner gaf aan [naam 1] niet te herkennen van de foto.
Verder is uit waarnemingen en observaties bij zowel de [adres 1] als bij [adres 2] naar voren gekomen dat (de auto van) [naam 1] vrijwel alleen is waargenomen in (de buurt van) de [adres 1].
Het college heeft het standpunt dat [naam 1] zijn hoofdverblijf had op het adres [adres 1] voorts mede kunnen baseren op de verklaring van [eiseres] dat [naam 1] sinds de zomer van 2022 voornamelijk bij haar verblijft, omdat het slecht met haar ging en hij een goede vader is voor de kinderen. Verder heeft het college terecht van betekenis geacht dat de politie heeft vastgesteld dat [naam 1] op 3 november 2022 om 2:00 uur ’s nachts uit de woning aan de [adres 1] kwam en tevens op een later op 28 november 2023 door de politie op het adres [adres 1] is aangehouden.
7.22.
Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [naam 1] in de periode vanaf 1 april 2022 tot 28 november 2023 zijn hoofdverblijf had op het adres [adres 1], zodat sprake was van een gezamenlijke huishouding met [eiseres]. Zij heeft hiervan geen melding gemaakt bij het college, zodat zij de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Nu sprake was van een gezamenlijke huishouding, had [eiseres] in voornoemde periode geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande.
De gevolgen van de schending van de inlichtingenverplichting
8. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, als hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.
8.1.
Als na een schending van de inlichtingenverplichting de door de betrokkene gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is de bijstandverlenende instantie gehouden om, indien mogelijk, schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand heeft, op basis van de vaststaande feiten. Het eventuele nadeel voor de betrokkene dat voortvloeit uit de resterende onzekerheden, komt daarbij wegens schending van de inlichtingenverplichting voor zijn rekening.
Vaststellen van het recht op bijstand
8.2.
Het college heeft het recht op bijstand van [eiseres] over de gehele te beoordelen periode van 1 februari 2018 tot 28 november 2023 over te onderscheiden maanden herzien en ingetrokken. [eiseres] heeft in dit verband aangevoerd dat het college de bijstand voor de periode waarin het college een gezamenlijke huishouding heeft aangenomen, de periode van april 2022 tot 28 november 2023, ten onrechte volledig heeft ingetrokken. Niet is beoordeeld of een resterend recht op bijstand naar de norm voor gehuwden bestond op grond waarvan het recht op bijstand in deze periode kon worden herzien in plaats van ingetrokken.
8.3.
Deze beroepsgrond slaagt en daarvoor acht de rechtbank het volgende van belang.
8.4.
Zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld, heeft het college terecht geconcludeerd dat [naam 1] op geld waardeerbare werkzaamheden voor [bedrijf] heeft verricht en dat [eiseres] dit in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting niet heeft gemeld. Voor [eiseres] is dit van betekenis geweest voor haar recht op bijstand over de periode van 1 augustus 2021 tot en met 7 december 2021. Voor de periode van april 2022 tot 28 november 2023, zijn de werkzaamheden van [naam 1] echter óók relevant, ondanks het feit dat de werkzaamheden van [naam 1] niet direct aan de intrekking van het recht op bijstand van [eiseres] over deze periode ten grondslag zijn gelegd. Het betreft immers de periode waarvan [eiseres] stelt mogelijk een recht op aanvullende bijstand te hebben, berekend naar de norm voor gehuwden, en op grond waarvan het recht op bijstand kon worden herzien in plaats van ingetrokken.
8.5.
Het college heeft onder meer aan de hand van de verklaringen van [naam 1] de omvang van de op geld waardeerbare activiteiten voor [bedrijf] en de inkomsten die daarmee zijn of konden worden verworven, over de periode 1 augustus 2021 tot
28 november 2023, schattenderwijs vastgesteld. Het college is voor deze periode uitgegaan van gemiddeld 48 uur per maand tegen een halfjaarlijks geïndexeerd bruto minimumuurloon. Tegen deze door het college gehanteerde systematiek en de berekening zijn op zichzelf geen gronden aangevoerd.
8.6.
De hiervoor genoemde periode van 1 augustus 2021 tot 28 november 2023 beslaat dus ook de periode waarin [eiseres] een gezamenlijke huishouding voerde met [naam 1], namelijk de periode van april 2022 tot 28 november 2023. Het college heeft de inkomsten van [naam 1] uit zijn werkzaamheden voor [bedrijf] gedurende de periode van april 2022 tot 28 november 2023 als volgt geschat. Over de periode april tot en met juni 2022 € 530,88 per maand, over de periode juli tot en met december 2022
€ 540,48 per maand, over de periode januari 2023 tot en met juni 2023 € 595,20 per maand en over de periode juli 2023 tot en met november 2023 € 613,92 per maand. Het college heeft daarnaast over de periode april 2022 tot 28 november 2023 in een afzonderlijk overzicht [15] alle inkomsten van zowel [naam 1] als [eiseres] per maand in kaart gebracht. In dit overzicht zijn de geschatte inkomsten van [naam 1] uit zijn werkzaamheden voor [bedrijf] echter niet in aanmerking genomen.
8.7.
Van betekenis is verder dat de rechtbank bij uitspraak van heden (ZWO 24/3455) in het beroep van [naam 1] heeft geoordeeld dat het college terecht heeft geconcludeerd dat [naam 1] een hennepkwekerij exploiteerde alsook dat het college terecht heeft aangenomen dat in de periode van 6 oktober 2021 tot en met oktober 2022 sprake is geweest van verzwegen en oncontroleerbare inkomsten, gerelateerd aan de huur van twee woningen. Het college heeft terecht gesteld dat het recht op bijstand van [naam 1] in die periode niet is vast te stellen. In zoverre kan dan ook niet over de periode tot en met oktober 2022 worden vastgesteld of [eiseres] met inachtneming van de gezamenlijke huishouding met [naam 1] en de dan geldende gehuwdennorm, recht op aanvullende bijstand had.
8.8.
Voor de periode van november 2022 tot 28 november 2023 geldt echter het volgende. Het college heeft het recht op bijstand van [eiseres] over de gehele periode van november 2022 tot 28 november 2023 ingetrokken, terwijl de geschatte inkomsten [16] van [naam 1] uit zijn werkzaamheden voor [bedrijf], opgeteld bij zijn overige inkomsten én de inkomsten van [eiseres] zoals weergegeven in het inkomstenoverzicht [17] , niet iedere maand de bijstandsnorm voor gehuwden lijken te overstijgen. Als voorbeeld noemt de rechtbank de maand november 2022, waarin sprake is van geschatte inkomsten uit werkzaamheden voor [bedrijf] van € 540,48 en overige inkomsten van € 392,17, dus een totaal aan inkomsten van € 932,65. In zoverre lijkt het erop dat in voornoemde periode voor enkele maanden kan worden vastgesteld dat recht op (aanvullende) bijstand bestond. Het college had in dat geval voor de betreffende maanden moeten beoordelen hoe de bijstand in verband met de inkomsten van [eiseres] en van [naam 1] moest worden herzien. Het college heeft dit niet gedaan. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende is gemotiveerd.
8.9.
Tegen de herziening en intrekking van de bijstand over de periode die buiten de periode valt waarin het college een gezamenlijke huishouding heeft aangenomen, heeft [eiseres] geen andere gronden aangevoerd dan dat geen sprake zou zijn geweest van een schending van de inlichtingenverplichting. Daar is de rechtbank vanaf 7. op ingegaan.
De (mede)terugvordering en de dringende redenen
De terugvordering
8.10.
Het college is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit staat in artikel 58, eerste lid, van de PW.
8.11.
Uit 8.8 volgt dat de intrekking over een aantal maanden in de periode november 2022 tot 28 november 2023 mogelijk niet in stand blijft, namelijk die maanden waarin de totale inkomsten van [eiseres] én [naam 1] de bijstandsnorm voor gehuwden niet overstegen. Daarom blijft ook de terugvordering over die maanden mogelijk niet in stand. Van een terugvordering kan immers pas sprake zijn als het recht op bijstand is herzien of ingetrokken. Of, en zo ja hoeveel, bijstand van [eiseres] over de betreffende periode moet worden teruggevorderd, zal het college nog nader moeten onderzoeken en motiveren. Ook op dit punt kleeft er daarom een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek aan het bestreden besluit.
8.12.
De intrekking en herziening over de overige maanden van de gehele periode in geding blijven wel in stand. Over die maanden heeft het college voldoende onderzocht en gemotiveerd dat [eiseres] ten onrechte dan wel te veel bijstand heeft ontvangen.
De medeterugvordering
8.13.
De rechtbank heeft in de uitspraak van heden met kenmerk ZWO 24/3455 geoordeeld dat [naam 1] de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Artikel 59, tweede lid, van de PW brengt in dat geval mee dat het college bevoegd was om de aan [naam 1] in de periode van april 2022 tot 28 november 2023 verleende bijstand mede van [eiseres] terug te vorderen. In de uitspraak met kenmerk ZWO 24/3455 heeft de rechtbank ook geoordeeld dat het college ondanks de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand van [naam 1] had kunnen vaststellen over de periode van november 2022 tot 28 november 2023. Daarom is geoordeeld dat het bestreden besluit dat ziet op de intrekking en terugvordering van bijstand over deze periode in strijd is met artikel 3:2 en Pro artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld het gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.
8.14.
Dit betekent dat ook de beslissing op het bezwaar van [eiseres] in strijd is met artikel 3:2 en Pro artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, voor zover het de (mede)terugvordering in zijn geheel betreft, omdat de (mede)terugvordering ondeelbaar is.
De dringende redenen
8.15.
Als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de PW.
8.16.
In de uitspraken van 10 december 2024 heeft de CRvB [18] een ruimere invulling gegeven aan het begrip ‘dringende redenen’ als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW. De CRvB overweegt dat de wetgever de bijstandverlenende instantie een discretionaire bevoegdheid heeft gegeven bij de beslissing of sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien. Bij de gebruikmaking daarvan moet de bijstandverlenende instantie een belangenafweging maken. Dat brengt, voor zover hier van belang, mee dat het besluit om van die bevoegdheid gebruik te maken moet zijn gebaseerd op een evenwichtige belangenafweging. Tegenover het belang van de overheid bij een juiste vaststelling van het recht op uitkering en terugbetaling van wat te veel ontvangen is, staat het belang van de betrokkene dat hij door een dergelijk belastend overheidsbesluit niet onevenredig wordt geraakt. In dat verband moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij dienen alle relevante feiten en omstandigheden te worden betrokken, waaronder de vraag wat het eigen aandeel van het bestuursorgaan is in de redenen voor herziening en/of terugvordering. Gedacht kan worden aan eigen fouten van het bestuursorgaan die aan een herziening of terugvordering ten grondslag liggen. Van belang is ook het aandeel van de betrokkene in de ontstane situatie: is sprake van een bewuste schending van de inlichtingenverplichting, een onoplettendheid, of een situatie waarin betrokkene geen verwijt kan worden gemaakt, maar hij wel heeft moeten begrijpen dat hij te veel aan uitkering ontving. [19]
8.17.
De rechtbank is van oordeel dat het college in het bestreden besluit een onvoldoende evenwichtige afweging van de betrokken belangen heeft gemaakt. Het college heeft wel onderzoek verricht naar de gevolgen van de terugvordering voor [eiseres], maar heeft onvoldoende oog gehad voor de oorzaak van de terugvordering en wat daarin het aandeel van [eiseres] is geweest. Zo is uit de gedingstukken niet gebleken dat [eiseres] weet had van de (aan gokken te relateren) inkomsten van [naam 1] en zijn inkomsten gerelateerd aan de huur van twee woningen. Ook valt niet uit de gedingstukken op te maken dat [eiseres] weet had van de exploitatie van de hennepkwekerij door [naam 1]. De feiten en omstandigheden waar het college de intrekking, herziening en terugvordering van het recht op bijstand van [eiseres] over de periode van 1 februari 2018 tot 7 december 2021 op baseert, zijn dus veelal [naam 1] aan te rekenen. Het aandeel van [eiseres] in de ontstane situatie is tijdens deze periode beperkter. De rechtbank is van oordeel dat het college dit onvoldoende heeft betrokken in de afweging. Het college heeft dit desgevraagd op de zitting ook erkend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet (deels) van terugvordering is afgezien. Ook op dit punt heeft het bestreden besluit een motiveringsgebrek.
8.18.
Het betoog van [eiseres], onder verwijzing naar het wetsvoorstel van toenmalige minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [naam 2], dat de zogeheten terugkijktermijn moet worden beperkt tot vijf jaar, volgt de rechtbank niet. Het college is niet gehouden om op de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel vooruit te lopen.

Conclusie en gevolgen

9. Zoals hiervoor is overwogen, is het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb, voor zover het de intrekking over de gehele periode van november 2022 tot 28 november 2023 en de terugvordering in zijn geheel betreft, omdat de terugvordering ondeelbaar is. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak.
9.1.
De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om de gebreken te herstellen, moet het college beoordelen of voor [eiseres] een recht op (aanvullende) bijstand bestond in de periode van november 2022 tot 28 november 2023. Het college zal, afhankelijk van de uitkomst van deze beoordeling, ook een nieuwe berekening van het (mede) terug te vorderen bedrag moeten maken. Ook moet het college een nieuwe belangenafweging maken van alle relevante feiten en omstandigheden die [eiseres] in het kader van de dringende redenen heeft aangedragen en die in onderlinge samenhang bezien. Meegewogen moet worden of [eiseres] een (vol) verwijt kan worden gemaakt van het schenden van de inlichtingenverplichting. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
9.2.
Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om verdere vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank [eiseres] in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
9.3.
Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. [20]
9.4.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
  • draagt het college op binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;
  • stelt het college in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, voorzitter, en mr. E. Hoekstra en
mr. A. Stockmann-Dutkusu, leden, in aanwezigheid van A. van den Ham, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke verdragsbepalingen en wettelijke regels.
(Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Artikel 8
1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 7:12
1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:3 van Pro het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied.
Artikel 8:51a
1. De bestuursrechter kan het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De vorige volzin vindt geen toepassing, indien belanghebbenden die niet als partij aan het geding deelnemen daardoor onevenredig kunnen worden benadeeld.
2. De bestuursrechter bepaalt de termijn waarbinnen het bestuursorgaan het gebrek kan herstellen. Hij kan deze termijn verlengen.
Artikel 8:51b
1. Het bestuursorgaan deelt de bestuursrechter zo spoedig mogelijk mede of het gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen of te laten herstellen.
2. Indien het bestuursorgaan overgaat tot herstel van het gebrek, deelt het de bestuursrechter zo spoedig mogelijk schriftelijk mede op welke wijze het gebrek is hersteld.
3. Partijen kunnen binnen vier weken na verzending van de mededeling bedoeld in het tweede lid, schriftelijk hun zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld, naar voren brengen. De bestuursrechter kan deze termijn verlengen.
Artikel 8:80a
1. Als de bestuursrechter artikel 8:51a toepast, doet hij een tussenuitspraak.
2. De tussenuitspraak vermeldt zoveel mogelijk op welke wijze het gebrek kan worden hersteld.
3. De artikelen 8:72, vierde lid, tweede volzin, aanhef en onder a, 8:77, 8:78, 8:79 en 8:119 zijn van overeenkomstige toepassing.
Participatiewet
Artikel 3
(…)
2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een aanverwant in de eerste graad, een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;
(…)
3. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
4. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
(…)
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander;
(…)
Artikel 17
1. De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
(…)
Artikel 31
1. Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.
(…)
Artikel 54
(…)
3. Het dagelijks bestuur herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het dagelijks bestuur een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
(…)
Artikel 58
1. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
(…)
8. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Artikel 59
1. Onverminderd artikel 58 kunnen Pro kosten van bijstand, indien de bijstand aan een gezin wordt verleend, van alle gezinsleden worden teruggevorderd.
2. Indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 17, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, kunnen de kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4, bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.
(…)
4. De in het eerste, tweede en derde lid bedoelde personen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van kosten van bijstand die worden teruggevorderd.

Voetnoten

1.(Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450.
5.zie de uitspraak van de CRvB van 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138
6.Zie de uitspraak van de CRvB van 18 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:748.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 30 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1789.
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 4 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2334.
10.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 8 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM9097.
11.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 12 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:996, en van 5 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3513.
12.Wetboek van Strafvordering.
13.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 19 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1636.
14.Zie in dit verband artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW.
15.Pagina 35 en 36, rapport van 29 december 2023 van Sociale Recherche.
16.Pagina 100 en 101, rapport van 29 december 2023 van de Sociale Recherche.
17.Pagina 35 en 36, rapport van 29 december 2023 van de Sociale Recherche.
19.ECLI:NL:CRVB:2024:2195, rechtsoverwegingen 4.9.5 en 4.9.6.
20.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2877.