Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.[naam eiser] , te [woonplaats] ,
verder aangeduid als: eisers 1,
3.[naam eisers 2] , te [woonplaats] ,
1.1. De feitenEisers 1 wonen aan en exploiteren een boomkwekerij aan de [adres 2] te [woonplaats] . Eiseres 2 is gevestigd in [woonplaats] en houdt zich bezig met de handhaving en bevordering van de leefbaarheid in het leefgebied “ [naam leefgebied] ” te [woonplaats] . Vergunninghouder exploiteert een varkenshouderij aan de [adres 1] te [woonplaats] .
Dit betekent dat het college een zekere beoordelingsruimte heeft of een omgevingsvergunning al dan niet, in het belang van de bescherming van het milieu, moet worden geweigerd. Naar het oordeel van de ABRvS geeft dit toetsingskader aan het bevoegd gezag niet de ruimte om een omgevingsvergunning uitsluitend uit voorzorg te weigeren. Het college moet nagaan of het belang van de bescherming van het milieu eraan in de weg staat dat de vergunning wordt verleend. Dit betekent dat het aan het bevoegd gezag is de belangen te benoemen die zich verzetten tegen het toelaten van de aangevraagde milieuactiviteit. Alleen belangen waarover voldoende duidelijkheid en zekerheid bestaat, kunnen in dit verband een rol spelen. [10]
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op binnen zes maanden na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van vergunninghouder met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 345,- aan eisers 1 te vergoeden;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 345,- aan eiseres 2 te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres 1 tot een bedrag van € 1.897,50;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eisers 2 tot een bedrag van € 1.897,50.
betrekt het bevoegd gezagbij de beslissing op de aanvraag in ieder geval:
in acht:
betrekt het bevoegd gezag bijdie beslissing de bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet milieubeheer ter uitvoering van een EU-richtlijn of EU-verordening gestelde milieukwaliteitseisen op de bij die maatregel aangegeven wijze, voor zover de verplichting daartoe krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in die maatregel.