Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1. [eiser 1] , uit [plaats] , eiser 1,
2.Vereniging Westend en Omwonenden Oisterwijk, uit Oisterwijk,
1.Feiten
Overige huisvestingsystemen
als volgtte veranderen.
2.Wettelijk kader
3.Ontvankelijkheid en relativiteitsvereiste
4.Gronden
5.Terinzagelegging
6.Natuurvergunning
7.Omgevingsvergunning voor de wijziging van een inrichting
moesten worden betrokken. Uit het vierde lid volgde dat het college in de motivering van de beslissing te kennen moest geven op welke wijze deze aspecten de inhoud van het besluit hebben beïnvloed. Het eerste lid, onder b, bevatte aspecten waar
rekening mee moest worden gehouden. Van deze aspecten kon gemotiveerd afgeweken worden. Het eerste lid, onder c, bevatte aspecten die het college
in acht moest nemenbij de beslissing. Dat betekent dat de aanvraag moest worden geweigerd, wanneer niet werd voldaan aan één van deze aspecten.
natuurspoorkunnen oordelen, omdat de emissiefactoren uit de Rav in het natuurbeschermingsrecht niet als toetsingskader staan voorgeschreven en daar als toetsingskader geldt dat significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden moeten zijn uitgesloten. In het
milieurechtstaan de emissiefactoren wel krachtens de wet voorgeschreven voor de bepaling van de ammoniakemissie van veehouderijen. Gelet daarop – en gelet op het toetsingsverbod uit artikel 120 van Pro de Grondwet – ziet de rechtbank geen mogelijkheid om te oordelen dat het college niet van de emissiefactoren uit de Rav uit mocht gaan voor de berekening van de ammoniakemissie bij veehouderijen. Dat de emissiefactoren uit de Rav in het milieurecht wel wettelijk waren voorgeschreven en in het natuurbeschermingsrecht niet en dat dit leidt tot twee verschillende toetsingskaders, vloeit enerzijds voort uit het doel van het natuurbeschermingsrecht, dat anders is dan het doel van het milieurecht. Anderzijds is het een keuze geweest van de (Europese) wetgever die de rechtbank dient te respecteren. De rechtbank stelt vast dat het college de ammoniakemissie in de bestaande en beoogde situatie in overeenstemming met de emissiefactoren uit de Rav heeft vastgesteld op 6.970 kg NH3 per jaar en 5.450,5 NH3 per jaar. Gelet daarop heeft het college redelijkerwijs kunnen vaststellen dat in de beoogde situatie sprake zal zijn van een afname van de ammoniakemissie. De rechtbank gaat ervan uit – gelet op de inhoud van het verweerschrift en de toelichting op zitting – dat het college periodiek zal controleren op de effectiviteit van deze specifieke emissiearme stalsystemen in de praktijk [16] en dat handhavend zal worden opgetreden indien de ammoniakemissie hoger blijkt te zijn.
6
416
8.Milieueffectrapport
9.Omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan
10.De omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk
- ten aanzien van eiser 1, vast op: € 1.777,60. Dit is opgebouwd uit een bedrag van € 1.750,00 voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,00 en een wegingsfactor 1) en € 27,60 voor de reiskosten (voor openbaar vervoer vanaf Oisterwijk naar Breda) van eiser 1 en zijn vrouw.
- ten aanzien van eiseressen 2, vast op: € 1.750,00. Dit is opgebouwd uit kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,00 en een wegingsfactor 1).
- verklaart het beroep van eiser 1 ongegrond;
- verklaart het beroep van eiseressen 2 gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover in de omgevingsvergunning niet expliciet is opgenomen dat het inpassingsplan onderdeel uitmaakt van de omgevingsvergunning;
- voorziet in zoverre zelf in de zaak en bepaalt dat aan de omgevingsvergunning als voorschrift wordt toegevoegd: “De landschappelijke inpassing moet worden gerealiseerd conform het landschappelijke inpassingsplan van [bedrijf 2] - en lanschapsarchitectuur van mei 2018.”;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 184,00 aan eiser 1 te vergoeden;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 365,00 aan eiseressen 2 te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser 1 tot een bedrag van € 1.777,60;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseressen 2 tot een bedrag van € 1.750,00.
betrekt het bevoegd gezagbij de beslissing op de aanvraag in ieder geval:
in acht:
betrekt het bevoegd gezag bijdie beslissing de bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet milieubeheer ter uitvoering van een EU-richtlijn of EU-verordening gestelde milieukwaliteitseisen op de bij die maatregel aangegeven wijze, voor zover de verplichting daartoe krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in die maatregel.