ECLI:NL:CRVB:2026:128

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
24/2395 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 AOWArt. 43 PWArt. 45 PWArt. 4 PWArt. 19 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning AOW-pensioen naar gehuwdennorm bij geregistreerd partnerschap zonder duurzaam gescheiden leven

Betrokkene is op 20 mei 2020 een geregistreerd partnerschap aangegaan en vroeg op 28 april 2023 een AOW-pensioen aan. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende hem een pensioen toe volgens de gehuwdennorm, omdat hij niet duurzaam gescheiden leefde van zijn partner. De rechtbank vernietigde dit besluit en kende een ongehuwdenpensioen toe, stellende dat betrokkene en zijn partner een eigen leven leidden zonder intentie tot echtelijke samenleving.

De Svb ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, die oordeelde dat de rechtbank een onjuist toetsingskader hanteerde. De Raad stelde dat het geregistreerd partnerschap een andere juridische situatie schept en dat de feitelijke mate van contact en gezamenlijke activiteiten bepalend is voor duurzaam gescheiden leven. Gezien het frequente contact, gezamenlijke maaltijden, overnachtingen en vakanties concludeerde de Raad dat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven.

De Raad benadrukte dat het aan de wetgever is om keuzes te maken over de gevolgen van verschillende leefvormen binnen de AOW. Het hoger beroep van de Svb werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het bestreden besluit gehandhaafd, waardoor betrokkene recht houdt op het AOW-pensioen volgens de gehuwdennorm.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep handhaaft de toekenning van het AOW-pensioen aan betrokkene volgens de gehuwdennorm omdat geen duurzaam gescheiden leven is vastgesteld.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 26 september 2024, 23/5376 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank te Amstelveen (Svb)
[betrokkene] (betrokkene)
Datum uitspraak: 22 januari 2026

SAMENVATTING

In tegenstelling tot de rechtbank oordeelt de Raad dat betrokkene en zijn geregistreerd partner niet duurzaam gescheiden van elkaar leven. De mate van onderling contact staat aan het aannemen van duurzaam gescheiden leven in de weg. De Svb heeft aan betrokkene terecht een AOW-pensioen toegekend naar de norm voor een gehuwde. Het is naar het oordeel van de Raad aan de wetgever om keuzes te maken over de gevolgen van leefvormen in de AOW.

PROCESVERLOOP

De Svb heeft hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 30 oktober 2025. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.M. Mulder. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. A. Bijlsma.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Betrokkene is op 20 mei 2020 een geregistreerd partnerschap aangegaan met [naam partner] . Op 28 april 2023 heeft hij een AOW [1] -pensioen bij de Svb aangevraagd. In de aanvraag heeft betrokkene vermeld dat hij een partner heeft, maar niet samenwoont. Hierop is de Svb een onderzoek gestart naar de leefsituatie van betrokkene en zijn partner. Betrokkene en zijn partner hebben in dat kader elk een vragenformulier over hun leefsituatie ingevuld.
2. Met een besluit van 28 juni 2023 heeft de Svb aan betrokkene met ingang van 12 juli 2023 een AOW-pensioen toegekend naar de norm voor een gehuwde. Het bezwaar van betrokkene tegen dit besluit is met een besluit van 8 november 2023 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Volgens de Svb moet betrokkene als gehuwd worden aangemerkt omdat hij niet duurzaam gescheiden leeft van zijn partner. Er is weliswaar sprake van gescheiden huishoudens en financiën maar de frequentie van het contact onderling is van dusdanige aard dat het geregistreerd partnerschap nog wordt genoten. Betrokkene gaat ook regelmatig op vakantie met zijn partner. De contacten zijn niet alleen voor noodzakelijke zorg. Betrokkene onderneemt tijdens de contacten gezamenlijke activiteiten, waaronder samen koken en eten, aldus de Svb.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 28 juni 2023 herroepen en vervolgens zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat betrokkene vanaf 12 juli 2023 recht heeft op een ongehuwdenpensioen. Daarbij is een proceskostenveroordeling uitgesproken en is bepaald dat het griffierecht moet worden vergoed. De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van duurzaam gescheiden leven tussen betrokkene en zijn partner en heeft daartoe het volgende overwogen waarbij voor eiser betrokkene moet worden gelezen: “Op basis van de feiten en omstandigheden, zoals die blijken uit het dossier en naar voren zijn gebracht ter zitting, is naar het oordeel van de rechtbank in de situatie van eiser en [naam partner] nimmer een echtelijke samenleving ontstaan. Hoewel door de SVB op basis van het aangaan van een geregistreerd partnerschap in beginsel mag worden aangenomen dat – ook al wonen de partners niet op hetzelfde adres – sprake is van echtelijk samenleven, blijkt uit de specifieke feiten en bijzondere omstandigheden dat in de situatie van eiser vanaf 20 mei 2020 geen sprake is van echtelijk samenleven. Doorslaggevend hierbij is naar het oordeel van de rechtbank dat de feitelijke situatie, waarin elk van de partners vanuit de eigen woning zijn eigen leven vorm gaf, in de jaren voorafgaand aan het geregistreerd partnerschap en dat die vorm daarna ongewijzigd is gebleven. Eiser en [naam partner] leiden beiden een eigen leven als waren zij niet als partners geregistreerd. Dit is een gewilde en als bestendig bedoelde situatie, waarbij eiser en zijn partner nooit de wil hebben gehad een echtelijke samenleving, al dan niet op verschillende woonadressen, aan te gaan.”
De standpunten van partijen
4. De Svb is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens de Svb is de rechtbank van een onjuist toetsingskader van het begrip duurzaam gescheiden leven uitgegaan door de leefsituatie voor en na het geregistreerd partnerschap te vergelijken. Bepalend is de leefsituatie vanaf de datum van het geregistreerd partnerschap, omdat daarmee een juridische wijziging in de rechtspositie van betrokkene is ontstaan. Uit de leefsituatie concludeert de Svb dat er tussen de partners een dermate grote mate van contact is en tevens zorg (zoals het elkaar bijstaan bij levensvragen/bevoegdheid medische beslissingen te nemen/zeggenschap over de begraafplaats van de ander), dat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. De Svb acht het onwenselijk dat de rechtbank in gevallen als het onderhavige een ander toetsingskader hanteert dan andere rechtbanken en de Raad. Dat zorgt voor onduidelijkheid en rechtsonzekerheid bij andere aanvragers van een AOWpensioen.
5. Betrokkene vraagt om bevestiging van de aangevallen uitspraak. Daarbij heeft betrokkene onder meer gewezen op de knelpuntenbrieven van de Svb over de vereenvoudiging van complexe leefvormen in de AOW, het rapport Verkenning leefvormen in de AOW en de visie van het kabinet hierop in het regeerprogramma. Situaties zoals die van hem zijn al enige tijd als knelpunt aangemerkt en mogelijk volgt een voorstel van de wetgever tot oplossing, aldus betrokkene.

Het oordeel van de Raad

6. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de toekenning van een AOW-pensioen naar de norm van een gehuwde heeft vernietigd aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6.1.
In geschil is of vanaf 12 juli 2023 sprake is van duurzaam gescheiden leven. In dat kader heeft de Svb in het bijzonder de vraag opgeworpen of de rechtbank een juist toetsingskader heeft aangelegd.
6.2.
Als hoofdregel heeft betrokkene, omdat hij een geregistreerd partnerschap is aangegaan, recht op een pensioen naar de norm voor een gehuwde. Uit artikel 1, tweede lid, aanhef en onder d, van de AOW volgt dat de als partner geregistreerde gelijkgesteld wordt met een gehuwde. Dit is slechts anders als sprake is van een uitzonderingssituatie: op grond van artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW wordt voor de toepassing van de AOW als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
6.3.
Volgens betrokkene is sprake van een gewilde verbreking – meer precies: een gewilde niet-totstandkoming – van de huwelijkse samenleving. In een gewilde situatie legt de Raad het begrip duurzaam gescheiden leven als volgt uit. Gehuwde mensen leven pas duurzaam gescheiden als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
a. ten minste één van hen wil de huwelijkse samenleving verbreken;
b. ieder van hen leidt afzonderlijk een eigen leven alsof hij of zij niet met de ander is gehuwd;
c. ten minste één van hen bedoelt deze situatie als blijvend. [2]
6.4.
Of aan deze voorwaarden wordt voldaan, moet blijken uit de feitelijke omstandigheden. Daarvoor is niet voldoende dat betrokkenen hun hoofdverblijf niet hebben in dezelfde woning. De huwelijkse samenleving kan namelijk bestaan zonder dat de echtgenoten samenwonen. Voor de beoordeling of mensen duurzaam gescheiden leven is verder niet van belang om welke redenen zij de huwelijkse samenleving niet (of nog niet, niet meer of niet opnieuw) hebben verbroken. [3]
6.5.
In het algemeen kan worden aangenomen dat na het sluiten van een huwelijk betrokkenen de intentie hebben om voor elkaar zorg te dragen in een echtelijke samenleving. Er kan echter niet helemaal worden uitgesloten dat onder omstandigheden vanaf de huwelijksdatum van duurzaam gescheiden leven kan worden gesproken. Dat moet dan wel ondubbelzinnig uit de omstandigheden blijken. [4] Deze uitgangspunten zijn van overeenkomstige toepassing op het aangaan van een geregistreerd partnerschap. [5]
6.6.
Anders dan de rechtbank heeft overwogen is niet doorslaggevend dat de feitelijke situatie, waarin elk van de partners vanuit de eigen woning zijn eigen leven vorm gaf, ten opzichte van de jaren voorafgaand aan het geregistreerd partnerschap ongewijzigd is gebleven. Door het aangaan van een geregistreerd partnerschap wordt op betrokkene een andere bepaling van de AOW en daarmee een ander toetsingskader van toepassing. Er is dan geen sprake meer van ongehuwden die mogelijk een gezamenlijke huishouding voeren zoals bedoeld in artikel 1, derde lid sub a, waarvan een hoofdverblijf in dezelfde woning een element is (artikel 1, vierde lid van de AOW). Na het aangaan van het geregistreerd partnerschap is artikel 1, derde lid onder b van de AOW van toepassing. Beoordeeld moet dan worden of betrokkene vanaf 12 juli 2023 duurzaam gescheiden leefde van zijn partner op basis van alle feiten en omstandigheden. De grond dat ongehuwden in overigens dezelfde feiten en omstandigheden niet zouden zijn aangemerkt als personen met een gezamenlijke huishouding, kan dus geen doel treffen. Ook een beroep op de twee-woningenregel kan niet slagen. [6] De Raad is wat betreft de vraag of sprake is van duurzaam gescheiden leven van oordeel dat niet ondubbelzinnig is gebleken dat betrokkene en zijn partner ieder afzonderlijk een eigen leven leiden alsof zij niet gehuwd zijn. In het bijzonder de mate van hun onderling contact staat daaraan in de weg. Betrokkene en zijn partner hebben wekelijks een à twee keer telefonisch contact en ontmoeten elkaar gemiddeld een keer per twee weken. Zij koken en eten dan samen en blijven bij elkaar overnachten. Ook gaan betrokkene en zijn partner samen op vakantie. Dat betekent dat naar de maatstaf van de vaste rechtspraak geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. Het beroep van betrokkene op de uitspraak van de Raad van 14 december 2012 [7] kan daar niet aan afdoen nu de feiten en omstandigheden anders waren: onder meer was er de wens een huis na te laten aan een ander dan de pleegzoon met schulden en was er minder intensief contact.
6.7.
Voor wat betreft het Eindrapport “Verkenning leefvormen in de AOW” [8] en de discussie hierover, wordt allereerst gewezen op wat is overwogen in de uitspraak van 23 december 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:3355). Er is weliswaar bij de wetgever aandacht voor de verschillende leefvormen binnen de AOW maar het eindrapport van de Minister heeft niet tot enige standpuntbepaling of voorgenomen wetswijziging geleid. Eerder oordeelde de Raad dat onder deze omstandigheden de wetgever aan zet is. [9] Er is geen aanleiding daar thans anders over te oordelen. In oktober 2025 heeft de minister een kostenbaten analyse naar de Tweede Kamer gestuurd. [10] Ook dit rapport heeft niet tot een standpuntbepaling of voorgenomen wetswijzigingen door de wetgever geleid. De Minister wijst in de begeleidende brief op de samenhang van het partnerbegrip in de AOW met het partnerbegrip in andere wetten. “Bij invoering van het objectief partnerbegrip in de AOW is het relevant om ook te kijken naar het partnerbegrip in de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO). De AIO is bedoeld voor AOWgerechtigden met een onvolledige AOW-opbouw die zonder aanvulling onder het bestaansminimum terecht zouden komen. De AIO is onderdeel van de Participatiewet en hanteert op dit moment hetzelfde partnerbegrip als de AOW, aangevuld met de kostendelersnorm. Daarnaast zijn de Wlz en de Wmo 2015 ook relevant. In deze wetten wordt hetzelfde partnerbegrip gehanteerd als in de AOW. Wanneer het partnerbegrip in de AOW gewijzigd zou worden, heeft dit gevolgen voor de samenhang met de genoemde wetten.”
6.8.
In het voetspoor hiervan overweegt de Raad nog het volgende. Een ruimere uitleg van het begrip duurzaam gescheiden leven, waarbij eerder wordt aangenomen dat daarvan sprake is, zoals betrokkene heeft bepleit, brengt met zich dat deze uitleg ook van toepassing is op de Participatiewet (PW). Dat kan niet anders gezien het feit dat een substantieel aantal AOW-gerechtigden ook AIO op grond van de PW ontvangt. [11] Betrokkene heeft er terecht op gewezen dat de gedachte achter het bestaan van een gehuwden- en ongehuwdennorm in de AOW volgens de wetgever het kostenvoordeel was [12] en dat daar in zijn geval minder sprake van is. De PW is echter, anders dan de AOW, een minimumbehoefteregeling met een vangnetkarakter blijkend uit een inkomens- en vermogenstoets. [13] Een huwelijk of geregistreerd partnerschap is dan van belang in verband met de familierechtelijke onderhoudsplicht die deze verbintenis met zich brengt; reden waarom de echtgenoten of geregistreerde partners alleen gezamenlijk recht op bijstand hebben [14] en de inkomens- en vermogenstoets van de PW zich ook uitstrekt over de beide echtgenoten of geregistreerd partners. [15] De wettelijke onderhoudsplicht prevaleert, de bijstand is complementair van aard. [16] Vanwege deze uiteenlopende sociale risico’s en daarmee uiteenlopende wetssystematiek en rol van het begrip duurzaam gescheiden leven in die wetten is het naar het oordeel van de Raad aan de wetgever om op dit punt keuzes te maken.

Conclusie en gevolgen

7. Het hoger beroep slaagt dus. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard. Dit betekent dat de toekenning aan betrokkene van een AOW-pensioen naar de norm voor een gehuwde in stand blijft.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 8 november 2023 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos als voorzitter en A. Hoogenboom en J.P. Loof als leden, in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2026.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) S. Ploum
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven.

Voetnoten

1.Algemene Ouderdomswet.
3.Zie onder meer de uitspraak van de Raad van 14 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:821.
4.Zie onder meer de uitspraken van de Raad van 3 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:875 en van 23 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3344.
5.Uitspraak van de Raad van 24 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1453, r.o. 4.3.
8.Aangeboden bij brief van 31 maart 2021 door de toenmalige minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees.
10.Kamerstukken II 2025/26, 32 043, nr. 689, MKBA AOW – wonen en zorg, Eindrapportage en brief Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 6 oktober 2025, p. 6.
11.In december 2024 waren dat 72.733 (bron: https://www.svb.nl/nl/pers-en-nieuws/nieuwsberichten/aantal-aow-gerechtigden-blijft-toenemen).
14.Zie artikel 43, tweede lid, van de PW: De bijstand wordt door de echtgenoten gezamenlijk aangevraagd dan wel door een van hen met schriftelijke toestemming van de ander. en artikel 45, vierde lid, van de PW: De algemene bijstand wordt uitbetaald aan ieder van de rechthebbende echtgenoten voor de helft dan wel op hun gezamenlijk verzoek aan een van hen voor het geheel.
15.Zie artikel 4, eerste lid, sub c van de PW: onder gezin worden de gehuwden verstaan, artikel 19 en Pro artikel 31, eerste lid van de PW: onder middelen vallen de middelen van het gezin.