Deze civiele zaak betreft twaalf effectenleaseovereenkomsten tussen Dexia Nederland B.V. en een afnemer, tot stand gekomen via een tussenpersoon zonder de vereiste vergunning. Centraal staat of de tussenpersoon vergunningplichtig heeft geadviseerd en of Dexia hiervan op de hoogte was of dat zij dat behoorde te zijn.
De kantonrechter oordeelde dat Dexia onrechtmatig handelde en de schade van de afnemer moest vergoeden. Dexia stelde in hoger beroep dat er geen vergunningplichtige advisering was en dat zij niet wist van een dergelijke advisering. Het hof bevestigt dat de tussenpersoon als effectenbemiddelaar zonder vergunning heeft geadviseerd, dat Dexia hiervan op de hoogte was of dat zij dat had moeten zijn, en dat Dexia haar onderzoeksplicht heeft verzaakt.
Het hof verwijst naar jurisprudentie van de Hoge Raad en eerdere arresten waarin is vastgesteld dat tussenpersonen doorgaans vergunningplichtig adviseren en dat Dexia hiervan op de hoogte was. De stellingen van de afnemer over de advisering worden als voldoende gemotiveerd en aannemelijk beschouwd. Dexia's algemene betwisting is onvoldoende onderbouwd.
De verjaring van de vordering van de afnemer wordt verworpen vanwege tijdige stuitingsbrieven. De vergoedingsplicht van Dexia blijft volledig in stand, inclusief restschuld en betaalde rente en kosten. Het hoger beroep wordt afgewezen en Dexia wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.