Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Inleidende opmerkingen
4.Het fenomeen whiplash: Wahrheit und Dichtung
waaromde verschillen in Europa zo groot zijn; de cijfers zijn in het geheel niet onderbouwd. Bovendien is het rapport op zijn best onnauwkeurig. Zo wordt over Nederland geschreven dat met betrekking tot letselschade, in het bijzonder niet kwantificeerbaar letsel, sprake zou zijn van een omkering van de bewijslast. [36] Daar komt nog bij dat het in het onderzoek gaat om
toegewezenclaims; ook de buitenlandse rechters moeten dus – kort gezegd – causaal verband hebben aangenomen. Anders dan London acht ik dit een en ander dus niet van veel, zoal van enig, belang.
5.Een principiële kwestie?
zijhet verband twijfelachtig vindt; de rechter vond dat klaarblijkelijk niet.
juridisch kaderonder 3.1 e.v. nader uit de doeken gedaan. Naar de huidige stand van de medische wetenschap is whiplash, volgens London, een onverklaarbaar pijnsyndroom, dat niet kan worden herleid tot anatomische afwijkingen of beschadigingen. [38] Het gaat om klachten die naar hun aard subjectief zijn bepaald en die medisch niet objectiveerbaar zijn. Vanuit medisch perspectief kan alleen worden vastgesteld dat een patiënt whiplashklachten stelt te hebben, maar niet wat daarvan de realiteit of oorzaak is. Vanuit juridisch perspectief dient met het oog op het aannemen van aansprakelijkheid de vraag te worden beantwoord naar (i) het realiteitsgehalte van de geuite klachten, (ii) het causaal verband tussen die klachten en het ongeval en (iii) de uit die klachten voortvloeiende beperkingen (s.t. onder 3.1). [39]
concreteen
controleerbaregegevens. London wil ons doen geloven dat er een serieus probleem is, of ten minste dreigt voor de verzekeringsindustrie. Enig bewijs voor die bewering brengt zij niet bij. Het al genoemde rapport van het Comité des Assurances vermeldt dat in 2004 in ons land 40% van de letselschade zou worden gevormd door whiplash. [50] Dat kan juist zijn, maar ik acht het zonder gedegen nadere toelichting niet erg plausibel.
gedaald,
mededaardoor zijn of zouden kunnen zijn veroorzaakt, behoefde dat het Hof niet ervan te weerhouden een csqn-verband aan te nemen. Ware dit anders dan zou de predispositieleer over de band van het csqn-verband worden uitgehold. Deze gelijktijdige oorzaken kunnen een factor vormen waarmee bij de begroting van de schade rekening valt te houden. [54]
alleenmogen worden afgegaan op niet enigszins objectief te funderen “gevoelens” of “belevingen” van een slachtoffer. Ook niet wanneer deze als geloofwaardig worden beoordeeld. Dat zou m.i. ook niet goed zijn te rijmen met art. 164 lid 2 Rv Pro. Weliswaar gaat het daar om een getuigenverklaring van een partij, maar het ligt m.i. voor de hand dat hetzelfde a fortiori geldt voor een niet onder ede afgelegde partijverklaring.
verdisconterenvan subjectieve gevoelens van benadeelden. Daarin schuilt inderdaad een risico. Maar het omgekeerde geldt eveneens: het niet meewegen, kan – en zal – ertoe leiden dat een aantal slachtoffers onnodig in de kou blijft staan. Het is niet gemakkelijk om de juiste balans te vinden tussen de gerechtvaardigde belangen van slachtoffers en laedentes en hun verzekeraars. Algemene regels zijn hier, naar ik vrees, niet de juiste oplossing. Het niet formuleren daarvan laat ruimte voor afweging van alle relevante omstandigheden in een concreet geval.
behoevente stroken met de waar- of werkelijkheid. Ze worden mede (soms, misschien wel vaak of meestal) gekleurd door percepties of hetgeen in het geheugen van een getuige is blijven hangen of daarin (van lieverlede) heeft postgevat. Bij de waardering van getuigenverklaringen spelen subjectieve elementen, bijvoorbeeld over de geloofwaardigheid van een verklaring of een getuige, een rol. Dat is – helaas – onvermijdelijk. Zowel in civilibus als in strafzaken worden – ook héél belangrijke en voor de betrokkenen diep in hun leven ingrijpende – beslissingen geveld die mede en soms zelfs uitsluitend zijn gebaseerd op getuigenbewijs. Bij die stand van zaken ligt minder voor de hand dat subjectieve elementen in zaken als de onderhavige geen enkele rol zouden mogen spelen.
onvriendelijke regels te gaan formuleren op het stuk van de eisen die moeten worden gesteld aan het te leveren bewijs van het condicio sine qua non-verband. Regels die er bijvoorbeeld op neerkomen dat zonder een aantoonbare medische oorzaak in beginsel geen condicio sine qua non-verband mag worden aangenomen.
6.Ontvankelijkheid
7.Bespreking van de klachten
onderdelen 1a tot en met 1cpostuleren rechtsklachten.
onderdeel bdat het Hof de maatstaven voor het aannemen van het csqn-verband heeft miskend. Anders dan het Hof kennelijk tot uitgangspunt heeft genomen, is niet voldoende dat het enkele bestaan of de realiteit van die klachten komt vast te staan of dat komt vast te staan dat die klachten zich vóór het ongeval niet voordeden. Minst genomen is vereist dat die klachten zonder het ongeval zouden zijn uitgebleven. Volgens
onderdeel czou [verweerder] hebben moeten bewijzen “dat de mogelijke alternatieve oorzaken waarop London heeft gewezen, niet wezenlijk, althans niet in relevante mate, hebben bijgedragen aan het ontstaan van de psychische klachten”.
onderdeel 1bbetoogt, het Hof niet tot uitgangspunt heeft genomen dat het voor het aannemen van een csqn-verband voldoende is dat het enkele bestaan of de realiteit van de psychische klachten komt vast te staan of dat komt vast te staan dat die klachten zich vóór het ongeval niet voordeden. Het Hof heeft het condicio sine qua non-verband afgeleid uit een aantal feiten en omstandigheden die het in onderlinge samenhang heeft bezien.
ooitpsychiatrische klachten zou hebben ontwikkeld als het ongeval niet had plaatsgevonden met de mededeling dat dit zeer speculatief en nauwelijks te beantwoorden is. Dit antwoord zou, volgens London, impliceren dat het csqn-verband volgens Schoutrop
zeer welzou
kunnenontbreken.
acht ik het waarschijnlijk dat deze problematiek is geluxeerd door de problemen die de betrokkene op dat moment in zijn leven tegenkwam.
Deze problemen waren uitvloeisel van het ongeval, dat geruime tijd daarvoor (1994) heeft plaatsgevonden.Het is dus duidelijk dat de psychiatrische gevolgen geen direct gevolg waren van het ongeval. Hoogstens kan worden betoogd dat er een relatie is tussen de klachten en het ongeval: een laat, indirect gevolg.
Zonder het ongeval zou het leven van betrokkene waarschijnlijk anders zijn verlopen. De vraag of betrokkene ooit klachten op mijn vakgebied zou hebben gekregen als het ongeval
nietzou had plaatsgevonden, is mijns inziens zeer speculatief en nauwelijks te beantwoorden.”
diverse omstandighedenbij het ontstaan van de depressieve klachten een rol moeten hebben gespeeld; een onderdeel daarvan is het ongeval en de nasleep daarvan; zie ook rov. 12.4.5 waarin tot uitdrukking wordt gebracht dat de psychische klachten te maken hadden met de overbelaste thuissituatie, naast de financiële problemen die waren ontstaan door het stoppen van de uitkering door het GAK en de weigering van London om door te gaan met het verlenen van voorschotten. Naar een en ander wordt ook in rov. 12.5.3 verwezen in het kader van de arbeidsongeschiktheid van [verweerder]. De klacht mist dus feitelijke grondslag.
Onder (i)klaagt London dat het onjuist, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is dat het Hof bij zijn beoordeling van het causaal verband dragende betekenis heeft toegekend aan het rapport van Schoutrop en de daarin getrokken conclusies omtrent het bestaan en de oorzaak van de psychische klachten van [verweerder]. Bij gebreke van de - door het Hof zelf noodzakelijk geachte - informatie uit de behandelend sector over de cruciale periode, welk gebrek aan informatie ook volgens het Hof voor rekening en risico van [verweerder] dient te komen, zijn de bevindingen van Schoutrop té zeer gebaseerd op de eigen anamnese van [verweerder] om ertoe te kunnen leiden dat het Hof deze bevindingen overneemt en tot de zijne maakt.
van de psychische klachten van [verweerder]blijkt afdoende uit het arrest. Zo neemt het Hof achtereenvolgens in aanmerking:
nietstaat dat [verweerder] nog meer of andere stukken heeft zodat uit de lucht gegrepen is dat hij bewust iets heeft achtergehouden.
onder 1fvallen goeddeels in herhalingen. In zoverre behoeven zij geen afzonderlijke bespreking.
nietheeft gesteld dat de psychische klachten in de relevante periode mede zijn terug te voeren op de weigering van London om verdere voorschotten te betalen. De relevantie ontgaat me. Het Hof heeft namelijk niet geoordeeld dat tussen beide een onlosmakelijk verband bestaat. Het Hof gaat in rov. 12.4.4 slechts in op de stelling van London dat “de crisissituatie eind 2002
nietsmet het stopzetten van de uitkering van doen heeft” (cursivering toegevoegd). Dat blijkt ook uit rov. 12.4.5.
in algemene zinen het condicio sine qua non-verband met het ongeval. [68]
nieuweklachten zijn, die zich pas jaren na het ongeval voor het eerst hebben gemanifesteerd, dat de oorzaak van het ontstaan van de psychische klachten minst genomen onduidelijk is en dat het Hof de relatie tussen het ontstaan van de psychische klachten van [verweerder] en het ongeval heeft geconstrueerd door eerst te oordelen dat de psychische klachten zijn veroorzaakt door het (tijdelijk) stopzetten van de WAO-uitkering van [verweerder] en/of van bevoorschotting door London en dit stopzetten van de uitkering en/of de bevoorschotting vervolgens aan het ongeval toe te schrijven.
latererov. 12.7. Daarin oordeelt het Hof dat het zich “tot nu toe [heeft] beperkt tot de aansprakelijkheidsvraag”. De vraag naar toerekening in de zin van art. 6:98 BW Pro is m.i. niet (zo zeer) een kwestie die de aansprakelijkheid raakt. Veeleer is het een kwestie die nauw is verbonden met de schadevraag.
slechter afzijn dan andere slachtoffers. Deze laatste zouden immers gemeenlijk kunnen profiteren van ruime toerekening, ook ingeval van nieuwe schade en dat zou in de benadering van London dan niet gelden voor slachtoffers met een predispositie. Dat lijkt me niet goed verdedigbaar.
enige inkomstendervingin vergelijking met de situatie voor het ongeval. Niet vereist is dus dat (komt vast te staan dat) de bedoelde persoonlijke omstandigheden
zelfstandigzouden hebben geleid tot (volledige) arbeidsongeschiktheid. Het Hof zou dus in dit verband een te strenge maatstaf hebben aangelegd. De beide cursiveringen - ‘enige inkomstenderving’ en ‘zelfstandig’ - zijn ontleend aan de s.t. van London onder 4.37.
enigeinkomensschade zou hebben geleden. Die laatste vraag kan, als partijen onverhoopt zouden willen doorprocederen, worden onderzocht in het kader van de verdere afwikkeling als bedoeld in rov. 12.7, voor zover het gaat om kwesties die in rov. 15.9 niet reeds zijn beslist.
maximaal€ 10.000 toewijsbaar (rov. 15.15.3).
voor haarbekende weg vraagt. Dat zo zijnde, lag het m.i. (veeleer) op de weg van London om aan te geven hoe de litigieuze betaling het goedkoopst kan worden uitgekeerd. We zagen evenwel al dat zij is blijven steken in een niet verder toegelichte ontkenning. Ook daarop loopt het hier besproken onderdeel m.i. vast.
geheelontevreden zijn. [103] Maar voor de meeste door haar bepleite regels valt niets of hooguit weinig te zeggen.