Conclusie
Nummer18/05230
ten aanzien van het wapen (Scorpion):handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II. en
ten aanzien van de 36 scherpe patronen: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” 4 “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod”, 5 “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod”, 6 “
ten aanzien van het stroomstootwapen (Phazzer Enforcer):handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II. en
ten aanzien van de pistolen (CZ, PS en tweemaal Ekol, model Volga):handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd.
ten aanzien van de munitie:en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” en 7 “witwassen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Het hof heeft voorts beslist over in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, één en ander zoals in het arrest is bepaald.
eerste middelklaagt over de motivering van de verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.
1
2Dat de herkenning van verdachte wordt ondersteund door andere getuigen is niet onbegrijpelijk. Het hof doelt daarmee ook volgens de steller van het middel (onder meer) op [getuige 1] . Dat [getuige 1] geen volledige zekerheid over de herkenning van verdachte kan geven, doet daaraan anders dan de steller van het middel betoogt niet af.
3”
5
eerste middelfaalt.
tweede middelklaagt over de motivering van de bewezenverklaring van feit 1 primair en feit 2.
6
Bewijs
de feiten 1 primair en 2de navolgende bewijsmiddelen uit het vonnis over, voor zover - met betrekking tot deze feiten - inhoudende:
22
23Vanaf dit doosje is een bloedmonster veilig gesteld en voor onderzoek naar het NFI verzonden
24Het hof gebruikt deze vaststelling voor het bewijs in samenhang met de andere wettige en overtuigende bewijsmiddelen en merkt het met de verdachtes DNA-profiel matchende DNA-spoor op het doosje munitie wél aan als een daderspoor. Dat het munitiedoosje een gemakkelijk verplaatsbaar object is, doet aan de ondersteunende bewijskracht daarvan niet af. Het hof verwerpt daarom dit verweer.
25In het bestreden arrest is de bewijsvoering van de rechtbank overgenomen en aangevuld. Die bewijsvoering (zoals weergegeven onder randnummer 15) bestaat niet uit een aanvulling met bewijsmiddelen, maar uit een bewijsconstructie in het arrest waarin zowel (gedeeltes van) verklaringen en bevindingen letterlijk zijn opgenomen als zijn samengevat (Promisachtige werkwijze), terwijl in noten telkens wordt verwezen naar de vindplaats van de verklaringen en bevindingen in het dossier. Dat is ook het geval bij het bewijs van het daderschap van verdachte dat voor het schieten in het bijzonder naar voren komt uit de fotoconfratie door [betrokkene 1] en [getuige 1] en voor de munitie uit het DNA-spoor op het doosje. Dat zijn redengevende feiten en omstandigheden die zijn ontleend aan zich in het dossier bevindende processen-verbaal waarnaar in het bestreden arrest in noten wordt verwezen. Waarom dat ontoereikend zou zijn, zie ik zonder nadere toelichting niet in. Uit de bewijsvoering blijkt overigens van overvloedig steunbewijs. De eerste klacht faalt.
26wordt vervolgens geklaagd over het oordeel van het hof in de bijzondere overweging over opzet dat “de gedragingen van de verdachte […] naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het doden van in en nabij het café aanwezige personen [zijn], dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard.” Volgens de steller van het middel zou dit blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit oordeel onbegrijpelijk. Nu de steller van het middel daar geen punt van maakt, lees ik de overweging zo dat het hof doelt op de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans. Enige invulling van de klacht dat het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting lees ik in de toelichting op het middel niet. Het betreft motiveringsklachten.
27het wegduiken er niet aan in de weg staat dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van [betrokkene 1] en anderen bewust heeft aanvaard.
28HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156 m.nt. Keulen heeft de Hoge Raad het toetsingskader van voorbedachte raad aangescherpt:
29Contra-indicaties voor beraad kunnen een heel kort tijdsverloop zijn,
30alsook wel gemoedsbewegingen.
31Dat een contra- indicatie voor voorbedachte raad is dat het niet om een heel kort tijdsverloop mag gaan, betekent niet dat het tijdsverloop steeds lang moet te zijn.
32
33Daarbij neem ik in aanmerking dat (1) verdachte al bij de eerste keer langsrijden schreeuwde: “Ik maak jullie allemaal kapot.” (2) door of namens verdachte niet is gewezen op factoren die zijn boosheid tot (ongeveer) een half uur na verwijdering verder hebben gevoed en (3) het meermalen (meerdere kogels) (ver)schieten tevens als een contra-indicatie kan worden aangemerkt voor louter tengevolge boosheid vanwege verwijdering schieten met een automatisch wapen.olgen van de
tweede middelfaalt.
derde middelklaagt over de motivering van de bewezenverklaring van feit 2, in het bijzonder het voorhanden hebben van munitie.
derde middelfaalt.
vierde middelklaagt dat het hof het onder 7 bewezenverklaarde ten onrechte, althans onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft gekwalificeerd als witwassen.
34
het onder 7 tenlastegelegdeneemt het hof de navolgende bewijsmiddelen en de bewijsoverweging uit het vonnis over, voor zover inhoudende:
Ten aanzien van het onder 7 ten laste gelegde
Bewijsmiddelen
Bewijsoverweging
Bij een doorzoeking in de woning waarin verdachte verbleef is een geldbedrag van ruim € 74.500,- gevonden, terwijl er ook handelshoeveelheden drugs, vier vuurwapens van categorie III, een stroomstootwapen en munitie zijn aangetroffen. Gelet op deze omstandigheden is er een vermoeden dat verdachte dit geldbedrag voorhanden had, terwijl hij wist dat dit afkomstig was uit enig misdrijf. Verdachte heeft over dit geldbedrag verklaard dat dit van hem was en aanvankelijk dat hij dat gespaard heeft over een periode van 11 jaar uit inkomsten verdiend in het buitenland. Uit financieel onderzoek is echter gebleken dat de legale inkomsten van verdachte dusdanig laag zijn die het aangetroffen bedrag niet kunnen verklaren. De aanvullende verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting op 13 juni 2017, dat het geld ook afkomstig is van giften onder andere voor zijn eerste communie en meerdere verjaardagen, is onvoldoende concreet en niet verifieerbaar, zodat dit hoogst onwaarschijnlijk is en geconcludeerd moet worden dat het geldbedrag afkomstig is van enig misdrijf. (.....) De rechtbank is van oordeel dat het onder 7 ten laste gelegde witwassen wettig en overtuigend bewezen is.”
38heeft hij deze stelling niet meer concreet en verifieerbaar gemaakt, terwijl daarvoor voldoende tijd en gelegenheid is geweest. Het hof is, onder deze omstandigheden, met de rechtbank van oordeel dat de door verdachte gestelde herkomst van het geld hoogst onwaarschijnlijk is en dat geconcludeerd moet worden dat het geld afkomstig is van enig misdrijf.
3930 bepleit dat sprake is van een kwalificatie-uitsluitingsgrond, zodat verdachte ten aanzien van dit feit moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
daarnaast sprake is van een ten laste van de verdachte uitgesproken bewezenverklaring ter zake van het begaan van een ander misdrijf met betrekking tot hetzelfde voorwerp door middel van welk misdrijf de verdachte dat voorwerp kennelijk heeft verworven of
rechtstreeks uit de bewijsvoering voortvloeit dat sprake is van - kort gezegd- het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf dan wel
de juistheid in het midden is gelaten van hetgeen door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf (Vgl. met verdere verwijzingen HR 7 april 2015 ECLI:NL:HR:2015:888, rov. 3.3.1 en 3.3.2)”
41
42Indien de feitenrechter zijn kwalificatiebeslissing heeft gemotiveerd, kan die motivering in cassatie worden getoetst. Maar ook indien de feitenrechter de bewezenverklaring zonder hierop gerichte motivering als (schuld-)witwassen heeft gekwalificeerd omdat er (kennelijk) geen sprake is van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit eigen misdrijf, kan dat (kennelijke) oordeel in cassatie op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Het oordeel dat niet sprake is van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp zal vooral niet begrijpelijk kunnen zijn indien:
43
44
een andergepleegd, berust de klacht gelet op hetgeen is vooropgesteld onder randnummer 44 op een verkeerde rechtsopvatting.
45Het hof heeft daarbij onder meer betrokken dat geen onderbouwde en verifieerbare verklaring over de herkomst van het geld door of namens de verdachte naar voren is gebracht. Dat het hof gelet op het voorgaande (kennelijk) heeft geoordeeld dat het geldbedrag niet onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig was, is niet onbegrijpelijk, noch ontoereikend gemotiveerd.
46De vaststellingen van het hof dat de verdachte – kort gezegd – ook drugs, (vuur)wapens en munitie voorhanden had maken dat niet anders, nu uit – voor zover daarover is beoogd te klagen – de aanwezigheid van die voorwerpen niet rechtstreeks voortvloeit dat het geldbedrag onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig is. Daarbij kan in aanmerking worden genomen dat terechtzitting in hoger beroep niet is aangevoerd dat het geldbedrag uit eigen misdrijf afkomstig was. Hoewel – samengevat – wel is aangevoerd dat van de ‘kwalificatie-uitsluitingsgrond’ sprake is, is dit eveneens niet (nader) onderbouwd.
47Ten overvloede kan in aanmerking worden genomen dat het hof de verdachte in de gelegenheid heeft gesteld de (legale) herkomst van het geld nader te onderbouwen, maar dat deze onderbouwing is uitgebleven.
vierde middelfaalt.