Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelvalt uiteen in twee deelklachten. De eerste klacht houdt in dat het hof omstandigheden redengevend heeft geacht waarvan uit het arrest en/of het verhandelde ter terechtzitting niet volgt dat zij zich hebben voorgedaan, dan wel niet redengevend (kunnen) zijn voor het bewezenverklaarde feit. Volgens de tweede klacht heeft het hof onvoldoende gereageerd op het verweer dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als medepleger van de tenlastegelegde (verlengde) invoer van cocaïne.
Nadere bewijsoverwegingen
NJ2015/395, m.nt. Mevis:
NJ1992/774 en 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9575,
NJ2006/647. In het eerstgenoemde arrest had de verdachte in opdracht van een derde een auto gehuurd voor het verder vervoeren van een partij hasj die met een schip uit Marokko getransporteerd was en in de haven van Stavoren was aangekomen, en was hij met deze auto naar Stavoren gestuurd. Zonder miskenning van art. 1, vierde lid, Opiumwet had het hof hieruit kunnen afleiden dat de verdachte, ten aanzien van wie medeplegen was bewezenverklaard, een auto had gehuurd voor het verdere vervoer van de hasj binnen Nederland, aldus de Hoge Raad. Hij voegde daaraan toe: “Anders dan in het middel wordt betoogd heeft de in de evengenoemde wetsbepaling voorkomende term 'handeling' niet slechts betrekking op handelingen verricht nadat de in de Opiumwet bedoelde middelen feitelijk binnen Nederland zijn gebracht”. En in het arrest uit 2006 had de verdachte, een bagagemedewerker op Schiphol, in de hoedanigheid van medepleger geprobeerd een koffer met cocaïne uit een vliegtuig veilig te stellen; dat was dus niet gelukt. De Hoge Raad overwoog dat het gereed staan om de cocaïne na de aankomst daarvan in Nederland te onderscheppen een op de ontvangst gerichte handeling als bedoeld in het vierde lid van art. 1 Opiumwet Pro is. Uit deze twee arresten kan nog worden afgeleid dat een verdachte onder de genoemde omstandigheden voor het medeplegen van verlengde invoer van verdovende middelen kan worden veroordeeld, ook al heeft hij daaraan zelf nog niet direct een feitelijke bijdrage geleverd. Dit eist art. 1, vierde lid, Opiumwet trouwens ook niet.
NJ2017/459, m.nt. Rozemond en HR 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2640,
NJ2017/460, m.nt. Rozemond, in welke zaken het eveneens ging om het bewijs van medeplegen van het in art. 1, vierde lid, Opiumwet genoemde feit. In de zaak van HR 11 juli 2017 had de verdachte eerst met zijn auto een vrouw naar Schiphol gebracht voor haar vlucht naar Paraguay en haar vervolgens, een aantal dagen later, met zijn auto op Schiphol opgewacht om haar op te halen, een en ander op verzoek van een derde die hem daarvoor een beloning in het vooruitzicht had gesteld. De verdachte wist dat de vrouw bij terugkeer smokkelwaar bij zich zou hebben. De vrouw werd op Schiphol aangehouden met cocaïne in haar koffer. De verdachte werd door het hof veroordeeld wegens medeplegen; het afhalen van de vrouw op Schiphol diende, aldus het hof, te worden aangemerkt als een op het verdere vervoer van cocaïne gerichte handeling. De Hoge Raad oordeelde dat ’s hofs kennelijke oordeel dat de verdachte zo nauw en bewust met anderen had samengewerkt dat hij zich schuldig had gemaakt aan het bewezenverklaarde medeplegen van het binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, niet uit de bewijsvoering was af te leiden, mede gelet op verdachtes rol die daaruit naar voren kwam. In de zaak van HR 17 oktober 2017 waren tussen zakken koffiebonen in een container sportassen met een grote hoeveelheid cocaïne aangetroffen. De container was verscheept van Nederland naar Antwerpen, in Antwerpen van het schip geladen en daarna naar een bedrijf gebracht waar de cocaïne in de sporttassen werd ontdekt. De verdachte werd enkele weken later op Schiphol aangehouden en bleek in het bezit van een mobiele telefoon met pingesprekken met anderen over die container (dat stond volgens het hof buiten redelijke twijfel vast). Uit de ping-gesprekken bleek naar het oordeel van het hof dat de rol van de verdachte bestond uit het veiligstellen van de zending cocaïne ten behoeve van het verdere vervoer en/of verspreiding van die cocaïne en dat hij daarbij nauw en bewust had samengewerkt met anderen die bij het cocaïnetransport betrokken waren. De Hoge Raad zag dat anders. Hij overwoog vooreerst dat de vaststellingen van het hof er in de kern op neerkwamen dat de rol van de verdachte bestond uit het veiligstellen van de zending cocaïne ten behoeve van het verdere vervoer en/of de verspreiding van die cocaïne. Vervolgens oordeelde hij dat uit de rol van de verdachte niet zonder meer kon worden afgeleid dat de verdachte een bijdrage van voldoende gewicht had geleverd aan het binnen het grondgebied (c.q. buiten het grondgebied) van Nederland brengen van cocaïne en dat de vaststellingen van het hof in dat verband niet volstonden voor het bewezenverklaarde medeplegen.