Conclusie
burn-outtot gevolg. Subsidiair heeft de werknemer op dezelfde feitelijke grondslag een schadevergoeding verzocht op grond van art. 7:611 BW Pro en art. 7:658 BW Pro. Het cassatieberoep heeft betrekking op deze subsidiaire verzoeken.
1.Feiten en procesverloop
Site Delivery Managertegen een loon van € 7.278,- bruto per maand exclusief emolumenten. In deze functie was de werknemer verantwoordelijk voor het management van de IT-systemen, het identificeren van veiligheidsrisico’s en het bepalen en uitvoeren van maatregelen omtrent de veiligheid van de informatiesystemen van Urenco. De werknemer woont in Duitsland en verrichtte zijn werkzaamheden vanuit Almelo. [1]
burn-outis veroorzaakt door omstandigheden op het werk en dat de werkgeefster, ook nog gedurende zijn ziekteverzuim, ernstig verwijtbaar jegens hem heeft gehandeld. [2] De werkgeefster heeft verweer gevoerd.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdelen 3.1.1 en 3.1.2hebben een inleidend karakter.
subonderdelen 3.1.3 – 3.1.5klaagt de werknemer dat het hof de volgende stellingen niet (althans niet kenbaar) heeft getoetst aan de artikelen 7:611 en 7:658 BW:
burn-out. [5]
naar objectieve maatstavende werkdruk te hoog was;
burn-outmede is veroorzaakt door de omstandigheid dat hij heel veel moest reizen voor het werk, door de omstandigheid dat hij het enige aanspreekpunt was voor het in 2007 ‘geoutsourcete’ deel van Urenco, en door de reacties van collega’s op zijn (affectieve) relatie met een collega. Het hof overweegt ook hier, dat uit niets blijkt dat zij
naar objectieve maatstavente veel van de werknemer heeft gevergd. Wat betreft de verzochte ‘billijke vergoeding’, heeft het hof de gevolgtrekking gemaakt dat, voor zover de
burn-outal (mede) is veroorzaakt door de omstandigheden die de werknemer heeft genoemd, daarvan geen verwijt te maken is aan de werkgeefster, laat staan een ‘ernstig verwijt’. De aanwezigheid van een ‘ernstig verwijt’ is een van de vereisten voor een ‘billijke vergoeding’ als bedoeld in art. 7:682 BW Pro.
evenminleiden tot het oordeel dat sprake is van slecht werkgeverschap van deze werkgeefster (art. 7:611 BW Pro) of tot het oordeel dat deze werkgeefster een op haar rustende zorgplicht jegens deze werknemer heeft geschonden (art. 7:658 BW Pro). Het hof heeft zijn eerdere motivering in rov. 5.32 dus opnieuw gebruikt; dit geldt in het bijzonder voor het aspect van kenbaarheid voor de werkgeefster. Onderdeel 1 berust mijns inziens op een onjuiste lezing van de desbetreffende overwegingen van het hof en mist om deze reden feitelijke grondslag.
subonderdelen 3.1.6 – 3.1.20, wordt geklaagd dat het hof het beoordelingskader van art. 7:658 BW Pro heeft miskend. Ik schets kort dat kader. Art. 7:658 lid 2 BW Pro bepaalt dat de werkgever jegens de werknemer aansprakelijk is voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij de in het eerste lid van dit artikel genoemde verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. In lijn met de hoofdregel van bewijslastverdeling in art. 150 Rv Pro is het aan de werknemer om te stellen en, zo nodig, te bewijzen dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Indien dit is aangetoond, althans aannemelijk is geworden, rust vervolgens op de werkgever – buiten gevallen van opzet of bewuste roekeloosheid aan de zijde van de werknemer – de stelplicht dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Voldoet de werkgever niet aan zijn zorgplicht, dan is daarmee in beginsel ook het oorzakelijk verband tussen de normschending en de schade gegeven. Slechts wanneer de werkgever kan aantonen dat de veiligheidsmaatregelen die redelijkerwijs van hem konden worden verwacht, het ongeval niet zouden hebben voorkomen, is de werkgever van zijn aansprakelijkheid bevrijd. Indien de schade ook zou zijn ontstaan indien de werkgever zijn zorgplicht was nagekomen, ontbreekt het voor aansprakelijkheid noodzakelijke
condicio sine qua non-verband. [6]
Burn-outis, zoals in
subonderdeel 3.1.15wordt opgemerkt, een multi-causale beroepsziekte waarvan de oorzaak ook kan zijn gelegen in omstandigheden die in de privésfeer van de werknemer vallen, zoals diens persoonlijke aanleg of andere niet aan het werk gerelateerde omstandigheden. [8]
burn-outen dat tevens feitelijk wordt onderbouwd dat de werkplek of de werkomstandigheden zodanig waren dat aannemelijk is dat de oorzaak van de
burn-outdaarin kan worden gevonden. [11]
proactiefte werk moet gaan met betrekking tot een bepaalde werknemer. Hij geeft het voorbeeld van situaties waarin werknemers lijden aan ziektes of kwalen die aan de werkgever bekend zijn, waarin werknemers kampen met aan de werkgever bekende psychische problemen of waarin sprake is van een heel jeugdige of juist zeer gevorderde leeftijd van de werknemer. De omstandigheden van het geval kunnen zózeer voor zich spreken dat, ook zonder dat de werknemer ‘aan de bel trekt’, voor de werkgever duidelijk moet zijn dat de werknemer door het werk − bijvoorbeeld door werkdruk − in zijn gezondheid zou kunnen worden geschaad. [13]
burn-outbekend is, is het niet eenvoudig te bepalen wat hier het
specifieke risicois dat een bepaalde werknemer in de gegeven omstandigheden loopt. Lindenbergh noteert dat in de feitenrechtspraak als uitgangspunt lijkt te worden aanvaard dat de werkgever zijn werknemers met normale werkzaamheden mag belasten: de werkgever is eerst tot onderzoek naar overbelasting gehouden wanneer zich daarvoor aanwijzingen voordoen. [15] Is de werkgever eenmaal bekend geworden met een specifiek risico ten aanzien van de belastbaarheid van een werknemer, dan verplicht hem dat tot extra zorg. De rechtspraak vergt voor het aannemen van een tekortkoming van de werkgever dat deze op de hoogte was van het specifieke risico dat de werknemer in kwestie liep, bijvoorbeeld omdat de werknemer dat kenbaar heeft gemaakt. [16]
subonderdelen 3.1.6 – 3.1.20wordt, zoals gezegd, geklaagd dat het hof het beoordelingskader van art. 7:658 BW Pro heeft miskend. De klacht valt uiteen in een aantal subonderdelen die hierna zoveel mogelijk gezamenlijk worden besproken. Deze subonderdelen houden niet in dat het hof (ook) het beoordelingskader van art. 7:611 BW Pro zou hebben miskend: dat artikel blijft hier verder onbesproken. [18]
burn-outvan de werknemer voor een deel werkgerelateerd is, moet volgens de
subonderdelen 3.1.6 en 3.1.7uitgangspunt bij de beoordeling zijn dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden als bedoeld in art. 7:658 lid 2 BW Pro. Indien het hof een ander uitgangspunt heeft gekozen, is dat oordeel volgens de werknemer onbegrijpelijk in het licht van die vaststelling.
burn-outvan de werknemer “voor een deel werkgerelateerd is en als beroepsziekte aangeduid wordt” niet worden afgeleid dat het hof heeft vastgesteld en in cassatie vaststaat dat de werknemer
in de uitoefening van zijn werkzaamhedenschade heeft geleden als bedoeld in art. 7:658 lid 2 BW Pro. Integendeel, uit het vervolg van deze rechtsoverweging blijkt juist dat volgens het hof een oorzakelijk verband tussen de klachten en de gestelde overbelasting in het werk niet aannemelijk is geworden.
subonderdeel 3.1.9klaagt de werknemer dat het hof de uit art. 7:658 BW Pro voortvloeiende verdeling van stelplicht en bewijslast heeft miskend, althans zijn oordeel dienaangaande ontoereikend heeft gemotiveerd. In het licht van de vaststelling in rov. 5.9 dat de
burn-outvoor een deel werkgerelateerd was, had het hof volgens de werknemer moeten beoordelen of de werkgeefster heeft aangetoond dat zij aan haar zorgplicht als werkgever heeft voldaan door al die maatregelen te treffen, die redelijkerwijs nodig waren om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade zou lijden.
burn-outvoor een deel werkgerelateerd is, reeds meebrengt dat daarmee ook het voor art. 7:658 BW Pro vereiste oorzakelijk verband vaststaat, gaan zij niet op. Om te beginnen heeft het hof niet vastgesteld wélk deel van de klachten werkgerelateerd is. Veronderstellenderwijze aannemend dat het hof hiermee de psychische klachten bedoelt die de werknemer zelf toeschrijft aan de door hem genoemde werkomstandigheden, maar die (ook) andere oorzaken kunnen hebben gehad, heeft het hof het oorzakelijk verband onderzocht in samenhang met een mogelijke schending van de zorgplicht van de werkgeefster. Dit is op zichzelf niet in strijd met het in de alinea’s 2.7 – 2.15 hiervoor geschetste beoordelingskader. Stel dat een werknemer of werkneemster psychisch overbelast is (‘een
burn outkrijgt’) door samenloop van verschillende factoren (bijv. door een relatiecrisis, problemen in het gezin betreffende de opvoeding van een van de kinderen, onenigheid in de familie of met de buren, geluidsoverlast, belastende mantelzorg, uitzichtloze schuldenproblematiek, rouwverwerking, een bedreigende lichamelijke ziekte of wat dan ook) en in dezelfde periode problemen heeft met het uitvoeren van zijn of haar werkzaamheden – zoals tegenvallende productiviteit, te laat komen, conflicten met collega’s of klanten etc. −, dan is daarmee nog niet een zorgplicht van de werkgever aan de orde. Van een schending van de zorgplicht van de werkgever kan sprake zijn wanneer deze objectief onredelijke eisen aan zijn werknemer(s) stelt: dat is onafhankelijk van de aanwezigheid van eventuele andere stress-factoren. Daarnaast kan, onder omstandigheden, sprake zijn van schending van de zorgplicht van de werkgever bij het regelen van de werkzaamheden (zijnde een omstandigheid die de werkgever kan beïnvloeden), bijvoorbeeld indien de werkgever, hoewel bekend met (privé-)omstandigheden van de werknemer die hem in relevante mate belemmeren in het verrichten van zijn werkzaamheden, weigert daarmee rekening te houden in gevallen waarin dit wel praktisch mogelijk was. Anders uitgedrukt: was het werkgerelateerde aspect van de
burn out-klachten kenbaar voor de werkgeefster?
subonderdeel 3.1.10heeft het hof, blijkens de slotsom van rov. 5.11, slechts beoordeeld of de werkgeefster ter zake van het ontstaan van de
burn-outeen ernstig verwijt treft (als bedoeld in art. 7:682 BW Pro). Dat is een andere maatstaf dan die in art. 7:658 BW Pro. Daarom kan al hetgeen het hof in rov. 5.9 – 5.11 heeft overwogen volgens
subonderdeel 3.1.11niet de verwerping van het beroep van de werknemer op art. 7:658 BW Pro dragen. Dit laatste geldt volgens
subonderdeel 3.1.12te meer in het licht van de in alinea 2.2 hiervoor genoemde stellingen, die de werknemer mede had aangevoerd in het kader van zijn beroep op art. 7:658 BW Pro.
burn-outal mede zou zijn veroorzaakt door deze gestelde omstandigheden, is de werkgeefster hiervan geen (ernstig) verwijt te maken). Hetgeen het hof daar heeft overwogen over de door de werknemer aangevoerde omstandigheden kon opnieuw worden gebruikt in rov. 5.32 ten aanzien van de grondslag art. 7:658 BW Pro. Daarmee heeft het hof niet dezelfde maatstaf aangelegd.
subonderdelen 3.1.13 – 3.1.16acht de werknemer van belang dat de zorgplicht van art. 7:658 BW Pro een ruime strekking heeft [20] , dat deze zorgplicht ook ziet op bescherming van de werknemer tegen het ontstaan van psychische klachten en psychische schade in de uitoefening van de werkzaamheden en dat een
burn-outeen multi-causale beroepsziekte is. Volgens
subonderdeel 3.1.15is de ene persoon meer dan de ander vatbaar voor een
burn-out. De zorgplicht die van de werkgever mag worden verwacht is dan ook afhankelijk van de situatie van de individuele werknemer: een werkgever kan zich niet verschuilen achter het argument dat
naar objectieve maatstavende werkdruk acceptabel is.
subonderdelen 3.1.16 en 3.1.17kan hetgeen het hof in rov. 5.9 – 5.11 overweegt niet dragend zijn voor de verwerping van het beroep op art. 7:658 BW Pro: het hof heeft niet de stelling van de werknemer verworpen dat hij herhaaldelijk aandacht had gevraagd voor het feit dat hij structureel werd overbelast. In het licht van de onder (d) en (e) genoemde stellingen in alinea 2.2 hiervoor, is volgens de klacht onbegrijpelijk dat het hof heeft volstaan met de constatering dat niet gesteld of gebleken is dat de werknemer daarvan bij de werkgeefster melding heeft gemaakt (rov. 5.9) en met de constatering dat de werknemer nooit kenbaar heeft gemaakt dat de werkdruk hem te veel werd of dat hij zich anderszins psychisch belast voelde. In
subonderdeel 3.1.18voert de werknemer aan dat het hof met name heeft gewezen op algemene of objectieve omstandigheden. Daarmee is het hof niet voldoende ingegaan op de stelling van de werknemer dat hij wel door structureel overwerk overbelast was en dat hij dit ook aan de werkgeefster heeft kenbaar gemaakt. Volgens de klacht gaat het erom wat de werkgever, gelet op wat hem over de individuele werknemer bekend is of behoort te zijn, aan maatregelen diende te treffen. Volgens
subonderdeel 3.1.19vormen de verwijzing in rov. 5.9 naar de probleemanalyse van de bedrijfsarts van 17 mei 2016 – waaruit volgens het hof niet blijkt dat de werknemer een te hoge werklast ervaart – en het feit dat de werknemer vijf maanden voor zijn uitval nog heeft gevraagd opleidingen te mogen volgen, niet een toereikend gemotiveerde weerlegging van deze stellingen van de werknemer. In
subonderdeel 3.1.20klaagt de werknemer ter afsluiting dat het hof in rov. 5.9 – 5.11 niets heeft overwogen over hetgeen de werkgeefster, uit hoofde van haar zorgplicht, heeft gedaan om het ontstaan van een
burn-outvan de werknemer te voorkomen. Deze klachten lenen zich alle voor een gezamenlijke bespreking.
feitelijke gegevens. Zo overweegt het hof dat uit de aanwezigheidslijsten kan worden opgemaakt dat de werknemer (weliswaar) regelmatig overwerkte, maar óók dat hij over het algemeen binnen de overeengekomen werktijd weer naar huis ging; dat de werknemer niet vaak heeft verzuimd wegens ziekte; dat niet is gebleken dat hij aanzienlijk meer werkzaamheden verrichtte en meer bereikbaar diende te zijn dan, gelet op zijn functie en takenpakket, van hem kon worden verwacht; dat uit de probleemanalyse van de bedrijfsarts niet blijkt dat de werknemer een te hoge werklast ervaart; dat hij vóór zijn uitval wegens ziekte nog heeft gevraagd om opleidingen te mogen volgen.
burn-outvan de werknemer mede is gelegen in een of meer van de omstandigheden die de werknemer had aangevoerd, de werkgeefster haar zorgplicht in de zin van art. 7:658 BW Pro niet heeft geschonden. De klacht van
subonderdeel 3.1.9dat het hof de uit dit artikel voortvloeiende verdeling van stelplicht en bewijslast heeft miskend, faalt om redenen als hiervoor besproken. Het oordeel berust op een afweging en waardering van de feiten en is toereikend gemotiveerd. Uit het oordeel dat de werknemer nimmer aan de werkgeefster kenbaar heeft gemaakt dat de werkdruk hem te veel werd en/of dat hij zich op een andere manier psychisch belast voelde, volgt dat de werkgeefster redelijkerwijs geen rekening kon houden met de specifieke situatie van de werknemer en derhalve voor hem geen bijzondere maatregelen hoefde te treffen. De klachten van onderdeel 1 falen.
subonderdelen 3.1.21 – 3.1.25bevatten geen klacht over de uiteindelijke beslissing van het hof, maar stellen een vraagstuk van procedurele aard aan de orde. In rov. 5.32 heeft het hof uitdrukkelijk in het midden gelaten of deze vorderingen tot schadevergoeding kunnen worden ingesteld in deze met een verzoekschrift ingeleide procedure, gelet op de beperking die art. 7:686a lid 3 BW aanbrengt.
Subonderdeel 3.1.21houdt in dat – nu het hof het antwoord op deze vraag in het midden heeft gelaten − in cassatie veronderstellenderwijs uitgangspunt moet zijn dat art. 7:686a lid 3 BW
nietin de weg staat aan het instellen van deze vorderingen.
derde lidregelt dat in gedingen op grond van de artikelen 7:671b, 7:671c, 7:672, negende lid, 7:673, 7:673a, 7:673b, 7:673c, 7:677, vierde en vijfde lid, 7:681 en 7:682 BW de daarmee verband houdende vorderingen met een verzoekschrift in plaats van een dagvaarding worden ingeleid. De met elkaar samenhangende geschilpunten kunnen op grond van de voorgestelde bepaling dus in één gerechtelijke procedure worden beslecht. Het gaat daarbij om alle mogelijke vorderingen die bij beëindiging van een arbeidsovereenkomst of herstel daarvan kunnen worden ingesteld, zoals een vordering uit achterstallig loon, uit hoofde van een tussen partijen aangegaan concurrentiebeding of rond (de terugbetaling van) een aan de werknemer toegekende transitievergoeding. Ook kunnen in dat verband bij verweerschrift incidentele verzoeken worden gedaan. Zodoende wordt een dubbele rechtsgang voorkomen. Dat scheelt tijd en geld. Ook het gerechtelijke apparaat wordt daarmee minder zwaar belast (één in plaats van twee afzonderlijke procedures).” [24]
nietbehoren tot de categorie van samenhangende vorderingen die in een verzoekschriftprocedure aan de orde kunnen worden gesteld. [28]
New Hairstyle). In die zaak was op grond van art. 7:681 lid Pro 1, onder a, BW verzocht om toekenning van een ‘billijke vergoeding’ wegens opzegging van de arbeidsovereenkomst in strijd met art. 7:671 BW Pro. Voor zover hier van belang, nam het hof de door de werkneemster gemaakte kosten van rechtsbijstand niet in aanmerking bij de bepaling van de hoogte van de ‘billijke vergoeding’. Het hof overwoog daartoe dat de in art. 237 e.v. Rv bedoelde kosten hiervoor een vergoeding plegen in te sluiten. In cassatie kwam de werkneemster hiertegen op. De Hoge Raad overwoog daaromtrent (rov. 3.5.2):
Een aanspraak op vergoeding van deze kosten zou wel kunnen worden ontleend aan schending door de werkgever van diens verplichting om zich als een goed werkgever te gedragen, in samenhang met art. 6:96 BW Pro. Art. 7:686a lid 3 BW opent de mogelijkheid ook op die basis in deze procedure vergoeding van de kosten te verzoeken.Na verwijzing zal het verzoek tot vergoeding op laatstgenoemde grondslag alsnog kunnen worden beoordeeld.” (onderstreping toegevoegd). [43]
subonderdelen 3.1.21 – 3.1.25geen bespreking.
nietaanmerkt als samenhangend met het (hoofd)verzoek, zal de desbetreffende vordering moeten worden afgesplitst (zie art. 7:686a lid 10 BW). Indien de kantonrechter in dat geval zichzelf relatief en absoluut bevoegd acht om kennis te nemen van de ingestelde vordering, zal hij de ‘wisselbepaling’ in art. 69 Rv Pro toepassen.