ECLI:NL:PHR:2021:325
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vermindering betalingsverplichting ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij verduistering
In deze zaak stond de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, waarbij het hof Arnhem-Leeuwarden aan betrokkene een betalingsverplichting oplegde van € 247.717,70. Betrokkene was veroordeeld voor medeplegen van verduistering en het hof baseerde de ontnemingsmaatregel mede op overschrijvingen naar de stichting waarvan betrokkene penningmeester was.
Het eerste middel klaagde over de ontoereikende motivering van het hof bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel met betrekking tot de stichting. De conclusie stelt dat het hof terecht uitging van art. 36e Sr en dat de motivering toereikend was, zodat dit middel faalt.
Het tweede middel betrof de motivering van het hof dat betrokkene daadwerkelijk voordeel had genoten van de overschrijvingen naar de stichting. De conclusie stelt dat het enkele feit dat betrokkene bestuurder was onvoldoende is om aan te nemen dat hij persoonlijk voordeel had genoten. Het hof heeft dit oordeel onvoldoende gemotiveerd, waardoor het middel slaagt.
De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest voor zover het de hoogte van de betalingsverplichting betreft en vermindert deze met € 1.125,- tot € 246.592,70. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Hiermee wordt de ontnemingsmaatregel beperkt vanwege onvoldoende bewijs van persoonlijk voordeel uit de overschrijvingen naar de stichting.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel met € 1.125,- wegens onvoldoende motivering over persoonlijk voordeel.