Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerstemiddel komt op tegen het oordeel van het hof dat de betrokkene een bedrag van € 320.77,22 aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten door het plegen van opzetheling of het witwassen van de opbrengsten van het telen en verkopen van hennep door de medeverdachte [medeverdachte].
heeft de rechtbank bewezen verklaard dat veroordeelde tezamen en in vereniging met [medeverdachte] hennepplanten aanwezig heeft gehad in de kelder van haar woning aan de [a-straat 1] te [plaats]. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de aangetroffen hennepplanten zich in de machtssfeer van veroordeelde bevonden, aangezien de planten in een kelder onder de woning van veroordeelde stonden en zij deze ruimte kon betreden. De rechtbank heeft geoordeeld dat vast staat dat veroordeelde wetenschap had van de aanwezigheid van de hennepplanten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat in zijn algemeenheid van de eigenaresse en bewoonster van een woning mag worden verwacht dat zij weet wat zich in haar woning afspeelt en dat dit in het onderhavige geval te meer geldt, nu de aangetroffen hennepkwekerij grootschalig was en gedurende meerdere jaren aanwezig is geweest en er in die tijd een aantal keren is geoogst. Daarnaast heeft de rechtbank meegewogen dat door verbalisanten ten tijde van de aanhouding van veroordeelde en [medeverdachte] in en buiten de woning een lucht geroken is die zij herkenden als een henneplucht, dat op het terrein rond de woning van veroordeelde diverse benodigdheden voor het exploiteren van een hennepkwekerij openlijk zijn aangetroffen en [medeverdachte] heeft verklaard dat veroordeelde klaagde over een wietgeur. Gelet op deze omstandigheden heeft de rechtbank de verklaring van veroordeelde dat zij er niets van heeft gemerkt, niet geloofwaardig geacht.
6.2. De rechtbank is van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat [medeverdachte] gedurende de periode van 1 augustus 2005 tot en met 3 juli 2013 in de kelder onder het pand aan [a-straat 1] te [plaats] en in de silo en de koelruimte op dit perceel hennep heeft geteeld en dat hij deze hennep heeft verkocht.’ Het bestreden arrest en het arrest in de strafzaak zijn op dezelfde dag door dezelfde raadsheren gewezen. Dezelfde overweging komt voor in het arrest gewezen in de ontnemingszaak tegen medeverdachte [medeverdachte], waarin ik vandaag eveneens concludeer.
tweedemiddel bevat de klacht dat het kennelijke oordeel van het hof dat de contante stortingen op de bankrekeningen van de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vormden, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans onbegrijpelijk is nu het hof niet heeft vastgesteld dat het volledige ontnemingsbedrag daadwerkelijk tot voordeel van de betrokkene heeft gestrekt. De steller van het middel meent dat er sprake moet zijn ‘van enige vorm van vervolgprofijt dat voortvloeit uit het witwassen of de opzetheling’. In het bestreden arrest zou het oordeel besloten liggen dat de contante stortingen op de bankrekeningen van de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vormden nu zij voorwerp van opzetheling en witwassen waren.
NJ2005/425 m.nt. Reijntjes, waarin Uw Raad overwoog dat ‘geen rechtsregel zich verzet tegen de oplegging van een betalingsverplichting aan de betrokkene ter ontneming van het voordeel dat zij in de zin van art. 416, tweede lid, Sr heeft verkregen door middel van heling van geldbedragen afkomstig uit de opbrengst van de softdrugshandel van haar partner, naast de oplegging van een betalingsverplichting aan de partner ter ontneming van het voordeel dat hij heeft verkregen door middel van of uit de baten van de door hem gedreven handel in verdovende middelen’ (rov. 4.4). [6]
derdemiddel bevat de klacht dat in de cassatiefase het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn, in het bijzonder de inzendingstermijn, geschonden is.