Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Waar het in deze zaak om gaat
4.Het tweede middel
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
https://www.nhnieuws.nl/nieuws/196080/Na-bijna-een-jaar nog-altijd-onduidelijkheid-voor-familie-doodgestoken- [slachtoffer]) blijkt dat [benadeelde 1] zelf tegen een journalist heeft gezegd dat inzamelen van het geld voor de grafsteen haar goed had gedaan. Dat zou een bedrag van EUR 2110,- zijn geweest (
https://www.nhnieuws.nl/nieuws/180654/Meer-dan-2000-euro-opgehaald-voor grafsteen-doodgestoken- [slachtoffer]). Dit is dus niet, zoals de slachtofferadvocaat in 2018 stelde, vage informatie uit social media. In elk geval is zoveel onduidelijk hierover dat de vordering in zoverre niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het doen van nader onderzoek hiernaar een onevenredig belasting van het strafgeding opleveren. Dan zullen namelijk zowel de steenhouwer als de personen die het geld hebben ingezameld als [benadeelde 1] moeten worden gehoord en daarvoor is in dit proces geen gelegenheid.”
bijlage 1bijgevoegd.”
5.Het derde middel
moeten[mijn cursivering] veroordelen in de kosten door de benadeelde partij gemaakt”. Uit dit arrest volgt dat de Hoge Raad destijds vergoeding van reiskosten van een benadeelde partij die wordt bijgestaan door een raadsman niet categorisch heeft willen uitsluiten.
6.Het vierde middel
7.Het namens de benadeelde partij [benadeelde 3] voorgestelde middel
op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. Nu namens de benadeelde partij is aangevoerd dat hij letsel en pijn heeft ondervonden, in het ziekenhuis behandeld moest worden, een ontsierend litteken heeft opgelopen en heeft gewezen op vergelijkbare rechtspraak, heeft het hof deze omstandigheden – conform de voornoemde rechtspraak – kennelijk meegewogen bij zijn oordeel over de begroting van de schade. Het hof heeft daarmee geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip “nadeel dat niet in vermogensschade bestaat” noch heeft het hof een onjuiste wijze van begroting toegepast. Gezien het voorgaande – en met de in acht te nemen terughoudendheid waarmee de Hoge Raad het aan de feitenrechter toebehorende oordeel met betrekking tot de begroting van de schade toets – meen ik dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is noch dat dit oordeel ontoereikend is gemotiveerd.